Home

‘Mijn vader gaf mijn moeder een stofzuiger cadeau, waarop ze zei: ‘Domme man, we hebben geeneens stroom!’’

Truus de Jong-Versluis is 100 jaar. Hoe kijkt zij terug op de eeuw die achter haar ligt?

Truus de Jong-Versluis beklom pas nog een trapje om een nieuw peertje in een lamp te draaien. Tijdens het vertellen van haar levensverhaal wordt ze onderbroken door een telefoontje – de beller is een onbekende die als een oplichter klinkt. De 100-jarige trapt niet in de val en weet haar trefzeker af te poeieren. ‘Ik ken u niet en ik heb geen tijd’, en de hoorn ligt weer op de haak. Na veel anekdotes die ze vertelt over haar leven, klinkt: ‘En weer hadden we geluk.’

Lijkt u meer op uw vader of op uw moeder?

‘Ik ben vrij nuchter en niet gauw bang, net zoals mijn moeder. Ook heb ik haar genen, ze is bijna 106 jaar geworden. Tot ze 102 was, woonde ze nog zelfstandig in een huis met een grote tuin, en klaarde alles zelf. Rollators waren er nog niet. Bij het grofvuil zag ze een kinderwagen staan en deed daar voortaan haar boodschappen mee. Ze wist met alles raad.’

In wat voor omstandigheden bent u opgegroeid?

‘Ik ben geboren in Leerdam, in een gezin met vier kinderen, als een-na-jongste. Als kind had je ontzag voor je ouders, je had naar ze te luisteren. Mijn moeder was de baas in huis en beheerde het geld. We hadden het beslist goed. Als verrassing deed mijn vader mijn moeder een stofzuiger cadeau, waarop ze zei: ‘Domme man, we hebben geeneens stroom!’

‘In mijn jeugd was het crisistijd, veel mensen hadden het moeilijk, de werkloosheid was groot. Mijn vader werkte bij een houthandel. Mijn moeder zag de bui al hangen en besloot een winkel aan huis te beginnen. Ze timmerde een etalage en ging onderdelen van fietsen verkopen, zoals fietsbellen, lampen en batterijen. De fiets van mijn vader werd te huur aangeboden. Mijn vader ging in zijn vrije tijd fietsen repareren. Ik zie nog zijn glimmende oogjes toen hij thuis kwam en vertelde dat ook hij ontslagen was. Erg vond hij het niet, hij genoot van de zaak die mijn moeder had opgezet en had het druk genoeg met reparaties. We verhuisden naar een winkel met een woning erbij. Mijn vader kocht fietsen in voor de verkoop en breidde het aantal reparaties uit.’

Mocht u doorleren?

‘Ik was 15 jaar toen de oorlog uitbrak, deed mulo-examen en ging op mijn 16de op het distributiekantoor in Leerdam werken. Ik kon goed leren en had verder gewild, naar de hbs in Gorkum, maar mijn moeder vond de mulo mooi genoeg. De ondergrondse benaderde mij voor verzetswerk. Het begon met het bezorgen van een pakketje, dat ging kennelijk goed en daarna kreeg ik meer opdrachten, zoals Joden naar onderduikadressen brengen.

‘De leider van de ondergrondse in onze streek, Maarten Schakel, kwam wel bij ons thuis. Mijn moeder wilde een keer zijn jas ophangen, en vond die zo zwaar, dat ze in zijn jaszakken keek en een revolver zag. Na de oorlog is hij burgemeester geworden, en Tweede Kamerlid.

‘Voor mijn werk ging ik ook met collega’s naar dorpen buiten Leerdam om bonkaarten uit te reiken. In Heukelum werden we een keer overvallen, de overvallers pakten onze bonkaarten af – om er voedsel mee te regelen voor onderduikers. Ik herkende de overvallers en deed net alsof ik schrok. Eenmaal terug op kantoor moesten we ons verantwoorden voor het verlies van bonkaarten. Het stoorde mij dat een collega vertelde dat een van de overvallers één zwartleren handschoen droeg. Dat was niet zo slim; die man was een politieagent die een hand miste en een handschoen over zijn kunsthand droeg. De directeur van het distributiekantoor was een NSB’er. De politieman werd snel opgespoord en naar een concentratiekamp overgebracht.

‘Er kwam geregeld een Duitse dief in onze winkel, met een zwarte zonnebril op. We durfden er niks van te zeggen als hij iets meenam. Een keer liep hij zo ons huis binnen, naar boven. ‘Ga mee naar boven Truus, en kijk wat hij doet’, zei mijn moeder. Ik zag dat hij met zijn hand in de linnenkast zat te graaien. Achterin, achter het ondergoed, had ik illegale krantjes verstopt die ik rond bracht, zoals Trouw en Vrij Nederland. Hij pakte er een, keek er even naar, legde hem terug, en liep weg. We hadden geluk.’

Bent u bang geweest tijdens uw verzetswerk?

‘Toen die Duitse dief de krantjes ontdekte, stond ik wel even te trillen op mijn benen, maar bang ben ik nooit geweest. Als meisje viel je niet zo op.

‘Als je het goed vindt, vertel ik nu over ons onderduikertje. Hij kwam uit Venlo, uit een gezin van twaalf kinderen. Zijn Limburgse naam, Sjraar, konden we niet uitspreken, daarom noemden we hem bij zijn doopnaam Gerard. Op een dag stond hij voor mij in het distributiekantoor, met een zegeltje waarmee hij een bonkaart kon krijgen. Hij vertelde dat hij een half jaar gevangen had gezeten en lopend onderweg was naar huis in Venlo.

‘De Duitsers wilden zijn broer arresteren die in het verzet zat, maar die was hem al gevlogen, waarop ze hem in zijn plaats meenamen en gevangen zetten. Zodra de Duitsers zijn broer hadden gevonden, werd hij gefusilleerd en lieten ze Gerard vrij. Ik was onder de indruk van zijn verhaal en vroeg of hij die avond bij ons wilde komen eten. Dat wilde hij wel. Ik regelde via de ondergrondse iemand die hem in de nacht de Waal kon helpen oversteken, maar hij durfde het niet aan toen hij soldaten zag patrouilleren en is bij ons gebleven tot na de bevrijding.

‘Op een dag liep de Duitse dief weer ons huis in, zag Gerard zitten en nam hem mee naar de Ortskommandant. Mijn moeder stuurde mij op pad om hem daar weg te halen, wat lukte. Maar, zei Gerard, mijn papieren liggen daar nog en morgen moet ik mij melden om loopgraven te graven. ‘Dat gaat niet gebeuren’, zei mijn moeder. Ze zag buiten een NSB’er voorbij fietsen die klant bij ons was, rende op hem af en vroeg hem de papieren van Gerard weg te halen. ‘Dan ben je een held’, zei ze. Hij deed het.’

Waarom stuurde uw moeder uitgerekend u overal op af?

‘Omdat ik brutaal was, denk ik. Mijn vader werd een keer onderweg op de fiets naar een klant opgepakt en opgesloten in een garage. Ook daar stuurde mijn moeder mij naartoe. Ik zag mijn vader met zijn armen in zijn nek staan. Hij werd overgebracht naar een gevangenis in Utrecht. Aan de andere kant van zijn gang zat de drogist uit Leerdam. Die was in de plaats van zijn zoon opgepakt, die bij de ondergrondse zat en onvindbaar bleek. Alle gevangenen aan de kant van de drogist werden gefusilleerd, als wraak voor een actie van het verzet. Mijn vader dus niet, weer hadden we geluk. Korte tijd later hoorden we dat hij vrij zou komen. ‘Ga je vader halen, Truus’, zei mijn moeder. En ik stapte op de fiets.’

Welke mensenkennis heeft u tijdens de oorlog opgedaan?

‘Onze dominee liet ons vanaf zijn preekstoel het Wilhelmus zingen. Korte tijd later werd hij opgepakt en omgebracht in een concentratiekamp. Dan denk je: de kerk zit vol gelovigen, ook daar zaten verraders bij.’

Wat is een van uw bijzonderste ervaringen?

‘In 1950 ben ik getrouwd met Teus. We gingen op huwelijksreis naar Oostenrijk, wandelen in de bergen. Op de terugweg van een lange tocht zagen we ineens in de lucht een grote cirkel met daarin een boer die een koe aan het melken was. Het was net een film waar we naar keken. Het bleek een fata morgana. Wat zagen we eenmaal terug in het dal? Een boer die een koe aan het melken was! We vertelden hem wat we hadden gezien. ‘O, dan moet je maken dat je wegkomt, dat betekent dat er noodweer op komst is’, zei hij. En inderdaad, onderweg naar ons hotel begon het hard te waaien en stortregenen.’

Is er iets waarvan u achteraf denkt: dat had ik anders moeten doen?

‘Mijn jongste dochter was 52 jaar toen ze overleed. Het is heel moeilijk als een kind jou voorgaat. Ik weet nog dat ze mij belde om te vertellen dat ze borstkanker had. Ik zei iets heel stoms: ‘O, dat heb ik ook gehad.’ Ik kan mij indenken dat ze teleurgesteld was en niets had aan mijn reactie. Ik heb er nog spijt van. Het was troostend bedoeld, zo van: ik ben er ook van genezen, maar zoiets moet je natuurlijk niet zeggen, want je weet de afloop niet.’

Hoe kijkt u aan aan tegen de huidige tijd?

‘Tegenwoordig gaan kinderen tijdens de schoolvakanties met hun ouders naar een hotel in een ver land. Ik ging altijd logeren bij familie in Amsterdam, met kinderen van mijn leeftijd en had het er altijd enorm naar mijn zin. Vanaf mijn 6de zette mijn moeder mij op de trein en vroeg de conducteur mij onderweg te helpen met overstappen. Mijn oom haalde mij op van het station en liet mij met de tram de hele stad zien. Ik weet nog dat we naar de eerste flat in Amsterdam gingen kijken, de Wolkenkrabber. Ik keek zo ver omhoog dat ik achterover viel. Ook zag ik tijdens deze logeerpartijen voor het eerst het strand. Bij aankomst in Zandvoort vroeg ik mijn oom: ‘Wat is dat voor blauwe dijk?’ Het bleek de zee. Zouden kinderen zich nu nog zo verwonderen over heel gewone dingen?’

Truus de Jong-Versluis

geboren: 5 april 1925 in Leerdam

woont: zelfstandig, in Schinnen

beroep: kantoormedewerker

familie: 4 kinderen (een overleden), 9 kleinkinderen, 8 achterkleinkinderen

weduwe sinds 2013

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next