Iedereen hield Mathieu van der Poel in de gaten in de tweede etappe van de Tour de France op weg naar Boulogne-sur-Mer. En toch kon niemand iets tegen hem beginnen. Hij won de rit en pakte de gele trui.
is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft vooral over schaatsen, atletiek en roeien.
Van kop af aan, iedereen lette op hem, heeft Mathieu van der Poel de tweede etappe in de Tour de France gewonnen. De Nederlander ging zelf de sprint aan en wist Tadej Pogacar, regerend wereldkampioen en favoriet voor de eindzege in de Tour, achter zich te houden. En pakte bovendien de gele trui.
‘Deze kwam echt uit mijn tenen’, zei Van der Poel nog nahijgend voor de camera van de NOS. ‘Ik had niet echt een superdag. Ik kon elke klim net overleven, maar ik was er op het einde zo op gebrand om te winnen. Het was al lang geleden dat ik gewonnen had, ik wilde deze niet laten schieten.’
Van der Poel was de rapste na een etappe die op het einde meer weg had van een eendagskoers dan een rit in de grootste wielerronde. En die ontbrandde in de laatste 10 kilometer.
Ineens zaten ze daar bij elkaar: Mathieu van der Poel, Tadej Pogacar, Jonas Vingegaard en Remco Evenepoel. Op de steile Côte Saint-Etienne-au-Mont, op slechts 8 kilometer van de finish. Maar een handvol mannen kon ze volgen, terwijl het leek of zij juist nog even hun krachten spaarden.
De aanloop naar Boulogne-sur-Mer vereiste een heel nauwkeurige verdeling van de krachten. Niet te vroeg opbranden, genoeg overhouden. Voor de laatste officiële klim van de dag sloot een aardig pelotonnetje weer aan. En groot deel daarvan ging direct, 6 kilometer te gaan, alweer overboord. Op het plateau na de klim trok Vingegaard ten aanval, maar hij kreeg geen ruimte. Een groep van twintig renners denderde richting aankomst. Daarvan bleek Van der Poel de snelste.
Hij deed het één keer eerder, een tourrit winnen met het geel erbij. Dat was vier jaar geleden toen in Mûr-de-Bretagne ook al iedereen van hem verwachtte dat hij winnen zou en het leiderstricot zou pakken. Al zijn collega’s wisten dat hij het weer wilde en dus werd hij de hele dag met argusogen gevolgd. Maar ja, tegen zoveel power en wilskracht konden ze niets beginnen.
Na de chaos van de eerste rit, met waaiers en valpartijen, onttrokken zondag vier man zich direct aan het zenuwengedoe in het peloton. Bruno Armirail, Jevgeni Fjodorov, Brent Van Moer en Andreas Leknessund gingen vrijwel meteen na de start, die vanwege door slecht weer ontstane verkeerschaos was uitgesteld, met elkaar op avontuur. In de stromende regen kregen ze direct een paar minuten cadeau van het peloton, dat met een vroege vlucht en gecontroleerde achtervolging hoopte op een beetje rust en kalmte.
Maar echt rustig werd het niet. Het is tenslotte de Tour. En het parcours, bochtig en heuvelachtig brengt ook onrust. En dan zat het weer ook nog eens tegen. Met regen en wind is een peloton altijd schrikachtiger en met reden. In die omstandigheden komen lekke banden en valpartijen veel vaker voor dan op droge wegen onder een stralend zonnetje.
De Belg Lennert Van Eetvelt belandde met nog 100 kilometer te gaan bij een grote valpartij in een greppel. Hij krabbelde er weer uit, maar ongelukkig was de schade aan zijn fietstenue. Hij reed de rest van de rit uit met een deels ontbloot achterwerk.
De kopgroep bleef ondertussen binnen bereik van het peloton. Vooral Team Alpecin verzorgde het kopwerk in de grote groep. Zij hadden met de zaterdagse winnaar en geletruidrager Jasper Philipsen en Mathieu van der Poel twee serieuze kanshebbers op de ritzege, al was het maar omdat parcoursbouwer Thierry Gouvenou een soort voorjaarsklassieker had getekend voor deze tweede rit. En afgezien van de temperatuur, 20 graden en een beetje, had hij er ook voorjaarsweer bij gekregen.
Vooral de finale was stevig, met drie klimmetjes in slechts 30 kilometer. Twee ‘côtes’ van de derde categorie. Eerst die van Haut Pichot en daarna, met een akelige s-bocht ervoor, de Saint-Etienne-au-Mont. Tot slot volgde een klim van de vierde op slechts 5 kilometer voor de finish (Côte d’Outreau). Niet eens geclassificeerd, maar ook pittig omhooglopend was de laatste kilometer.
Die heuvelachtige finale haalden de vier vooraan niet, althans niet als kopgroep. Het kwartet werd met nog iets meer dan 50 kilometer te gaan - en net iets meer dan 150 kilometer vlucht in de benen - gegrepen.
Daarmee begon eigenlijk een nieuwe wedstrijd: een soort mini-Amstel Gold Race, al was dat niet direct te zien. Het peloton ging met nog altijd Alpecin vooraan, geflankeerd door de belangrijkste klassementsploegen, breeduit over de weg rijden. Een tiental kilometers lang werd zo de status quo bewaakt: opschuiven was er voor coureurs achter in het peloton niet bij, maar tegelijkertijd konden de ploegen vooraan even op adem komen.
Het even bijkomen veranderde in een versnelling waarbij het peloton het tempo tot boven de 60 kilometer per uur opschroefde op weg naar de voet van Haut Pichot, waar Wout van Aert direct de koppositie innam. In zijn kielzog zijn klassementskopman Jonas Vingegaard en niet ver daarachter Pogacar.
Deze etappe telde ook voor de mannen die mikken op de eindzege. Vandaar dat zij zich ook meldden op de Côte de Saint-Etienne-au-Mont en de finale kleur geven en sprinter Philipsen in zijn gele trui moest lossen. Maar de Belg treurde daar niet om. Hij vierde het feestje met Van der Poel mee, want de leiderstrui bleef in de ploeg en de Tour had zo voor Team Alpecin niet beter kunnen beginnen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant