Wie wil schuilen voor een boze buitenwereld – en wie wil dat niet? – krijgt al snel de neiging zich in te graven en binnen te blijven. Precies de verkeerde reflex! Veel veiliger is het om je beschutte plek regelmatig, liefst dagelijks, te verlaten.
In Oost-Europa laten steeds meer mensen privéschuilkelders bij hun huis aanleggen. Hier in het Westen is het in huis halen van een noodpakket – flessen water, ingeblikte knakworsten – een steeds gebruikelijker gespreksonderwerp geworden.
Ik moet denken aan Kafka. En natuurlijk, het blijft oppassen met verwijzen naar Kafka. Je staat nog geen vijf minuten bij een loket in een wachtrij of er begint wel iemand te klagen over ‘kafkaëske toestanden’. Je zou Kafka voor ernstigere gevallen, zoals de toeslagenaffaire, moeten bewaren.
Maar toch: ik denk aan Kafka. Niet de Kafka van de aanstootgevende bureaucratie zoals in Het slot of Het proces, maar van de korte verhalen. In zijn verhaal ‘De burcht’ geeft Kafka het woord aan een dier, vermoedelijk een das. Deze das vertelt uitgebreid over zijn burcht, zijn levenswerk. De das graaft zich steeds verder in en legt steeds grotere voorraden aan. Totdat hij tegen zichzelf kan zeggen: ‘Ik lig hier op een absoluut veilige plek.’
Maar ja, absolute veiligheid bestaat niet. De das vindt al snel weer iets – een geluidje, een spoor – om zich zorgen over te maken. En meer dan dat. Elke aanwijzing voor mogelijk gevaar doet zijn fanatisme toenemen: hij moet en zal een absoluut veilige plek maken.
Dit korte verhaal van Kafka beslaat toch nog zo’n dertig pagina’s. In die dertig bladzijden zie je de das tergend langzaam verder en verder wegzinken in zijn waanzin. Zijn burcht verwordt van een toevluchtsoord tot een gevangenis waarin hij zich heeft opgesloten, totdat hij ‘redeloos, radeloos, reddeloos’ is.
Strikt genomen heeft het verhaal geen einde, het breekt zomaar af – maar dat is toepasselijk. Want het ingraven en verschansen van de das kan geen slot krijgen, laat staan een conclusie: het is eindeloos, doelloos. Het graven en hamsteren leidt nergens toe, het houdt alleen maar zichzelf in stand. De das vergeet dat ook de beste schuilkelder slechts een relatief en nooit absoluut veilige plek is. En een tijdelijk veilige plek trouwens. Want dat is het punt van een schuilkelder: je moet er toch een keer uit.
Zoals de meeste dierenverhalen had ook dit verhaal van Kafka makkelijk moralistisch kunnen worden. De moraal zou dan zijn dat je je niet moet laten leiden door angst. Nu is Kafka een te goede schrijver om zijn lezer zo’n moralistische conclusie te verkopen. Hij schrijft niets voor, maar beschrijft slechts, en doet dat bovendien met zo veel mededogen dat er geen sprake is van een les. Ook niet van leedvermaak trouwens. De lezer gaat de das steeds beter begrijpen.
Het verhaal toont de tragiek van angst voor een boze buitenwereld: je meent je angst te kunnen bezweren door je in te graven en voor je het weet heb je last van tunnelvisie en zie je niet meer dat je zodoende juist steeds verder in de ban raakt van de angst.
Ook al leg je geen schuilkelder aan en hamster of prep je niet, dan nog is de verleiding van dergelijke struisvogelpolitiek of zelfs ‘innerlijke emigratie’ groot.
Momenteel maakt de Amerikaanse sociaal psycholoog Jonathan Haidt furore met zijn boek Generatie angststoornis. Verontrustend veel jongeren worstelen inderdaad met mentale problemen, met name angststoornissen. Maar Haidt wijt wel erg gemakkelijk alle ellende onder de jeugd aan de mobieltjes en sociale media. Zijn remedie is dan ook nogal rigoureus, namelijk kinderen tot hun 16de weghouden bij sociale media. Op zich verstandig, maar is dat nog mogelijk?
En toch slaat Haidt een spijker op zijn kop in het alternatief dat hij aanbeveelt, namelijk buitenspelen: ‘Fysiek spel, buiten en met andere kinderen van verschillende leeftijden, is de gezondste, meest natuurlijke en meest nuttige vorm van spelen.’ Dat kinderen daar af en toe een kwetsuur bij oplopen is geen ramp, zolang die klein blijft. Dat soort gedoseerde blootstelling is eigenlijk een soort inenting, die weerstand en weerbaarheid vergroot.
Haidt wijst er bovendien op dat kinderen altijd, ondanks hun mobieltjes, hun zin voor avontuur behouden. En de concrete buitenwereld is toch echt avontuurlijker dan de virtuele. Je moet er de deur voor uit en je moet er meer moeite voor doen, maar het levert wel veel echtere ervaringen op en geeft zodoende meer voldoening. En dat geldt net zozeer voor volwassenen – dus ga eropuit. Pantoffels uit, schoenen aan en gaan.
De prepper die zich mentaal voorbereidt op zich terugtrekken in huis heeft daarbij niet veel verbeeldingskracht nodig. De ervaring ligt nog in ons nabije geheugen. Tijdens corona kregen we steeds weer het dringende advies toch vooral thuis te blijven. Zodra je de snelweg opreed, zag je overal borden met daarop ‘Blijf thuis’.
De eerste keer dat ik zo’n bord zag, knikte ik instemmend. De Franse filosoof Michel de Montaigne schreef al in de 16de eeuw in een van zijn essays: ‘Ga niet ver weg, je hebt thuis genoeg te doen.’ Dat is ook zo ongeveer mijn levensmotto. Maar tijdens corona werd het thuisblijven verbazingwekkend snel te veel. Ik negeerde het advies en ging dagelijks een luchtje scheppen in de buurt, alleen of met huisgenoten.
En ik was niet de enige, iedereen bleek burgerlijk ongehoorzaam. We hielden natuurlijk gepaste afstand, maar groetten anderen wel steeds meer. Meer dan ooit eigenlijk. De sfeer op straat was gemoedelijk samenzweerderig, alsof we allemaal spijbelden.
De coronacrisis leerde ons de dubbelzinnigheid van het wonen. Enerzijds is ergens wonen je ergens vestigen, in zekere zin is elk huis een vesting, een schuilplaats. Anderzijds wil dat niet zeggen dat je je burcht nooit verlaat. Wonen moet geen jezelf opsluiten en verschansen worden. Bij wonen hoort dat je je vesting regelmatig verlaat. Het motto van Montaigne moeten we aanpassen: je hebt thuis inderdaad veel te doen, en daarbij hoort dat je regelmatig, liefst dagelijks, even van huis weggaat.
Met de goede raad een noodpakket in huis te halen, voor 72 uur maar liefst, moeten we misschien net zo omgaan als met dat ‘Blijf thuis’. Schaf dat noodpakket aan, maar leg het op een van die vergeetplekken die elk huis wel heeft. Zet het op zolder achter een luik, in de schuur op de bovenste plank. Eet op een dag al je voorraden op en haal vervolgens geen nieuwe voorraad in huis.
Als je telkens boodschappen doet voor één dag, heb je de volgende dag weer een goede reden eropuit te trekken, al is het maar voor een kleine wandeling of een fietstochtje. Dat is het betere preppen, want dat is preppen voor de lange termijn, langer dan 72 uur. De laatste tijd gaat het, naast de ‘boze buitenwereld’, weer vaak over de ‘zachte krachten’. Als genoeg mensen dat dagelijkse ommetje naar een winkel maken, kunnen die krachten wellicht opnieuw, net zoals tijdens corona, gestaag hun werk doen.
‘Waarom is het zo zeker dat die ‘zachte krachten’ winnen? Hoe gaat zich dat voltrekken? Wat zijn die zachte krachten eigenlijk?’, vroegen Stine Jensen en Marjan Slob zich af in een opiniestuk eerder dit jaar in de Volkskrant. Ze probeerden de lezer zowel moed in te spreken als te waarschuwen voor overmoed: ‘Niet Trump of miljardairs bepalen de toekomst, dat doe jij zelf.’
Als ik me niet vergis begon het verwijzen naar de ‘zachte krachten’ toen Lieke Marsman haar aflevering van Zomergasten afsloot met de dichtregel ‘de zachte krachten zullen zeker winnen’ van Henriette Roland Holst. De zachtheid waar Jensen en Slob het over hebben, is alledaagser en prozaïscher: ‘Zachtheid vraagt dat je je ego niet opblaast, maar net zo goed dat je jezelf niet wegcijfert. Sta simpelweg rechtop. Op jouw eigen plek. En kijk vanuit die plek om je heen, naar je eigen omgeving en je eigen dagelijks leven.’
In een interview met Trouw merkte Slob zelf al op: ‘Ga gewoon naar buiten, om te ervaren wat er mooi is aan jezelf en andere mensen, want wat je aandacht geeft, groeit.’
Slob had zelf, toen ze er op begon te letten, tot haar verrassing ondervonden dat ‘verreweg de meeste mensen het ideaal delen om vriendelijk te willen zijn en een beetje goed voor hun omgeving te zorgen’.
De beste remedie tegen angst voor een boze buitenwereld is toch echt regelmatig, liefst dagelijks, die boze buitenwereld intrekken. Positiever geformuleerd: het leven binnenshuis mag in teken staan van de heilige drie-eenheid van veiligheid, geborgenheid en comfort, buitenshuis draait het om avontuur, vrijheid en speelsheid.
Bij volwassenen kan dat de vorm aannemen van een dagelijks ommetje. Zo’n korte wandeling vanuit huis is om te beginnen goed voor lichaam en geest. En vooral goed voor het samenspel van die twee. Het lukt vrijwel nooit lichaam en geest op één lijn te krijgen, maar tijdens een wandeling gaat dat vanzelf. Zodra je loopt héb je geen lichaam, maar bén je een lichaam.
Als je dan ook nog je ogen de kost geeft en alle zintuigen laat prikkelen door de buitenwereld, verstomt het navelstaarderige tobben als vanzelf en komt er ruimte voor denken. Tobben en denken verhouden zich blijkbaar tot elkaar zoals ijsberen tot wandelen.
Het gaat er niet om de angst voor een boze buitenwereld te bezweren, maar die angst én die buitenwereld juist onder ogen te komen. En dat op een zo ondramatisch en alledaags mogelijke manier. Het ommetje als huismiddeltje: driemaal daags een eetlepel. Het helpt niet in één keer en ook niet helemaal – het is geen wondermiddel. Voordeel is wel dat het vrijheid oplevert, bewegingsvrijheid, speelruimte. De openbare ruimte zou niet alleen ingericht moeten worden voor gemeenschapsvorming, maar ook simpelweg ruimte moeten bieden. Ruimte om je eigen gang te gaan, zonder daarbij anderen voor de voeten te lopen – voilà, maatschappelijk leven in een notendop.
Je merkt onderweg hopelijk op dat mensen die geheel anders doen en denken, die fundamenteel andere waarden hebben en doelen nastreven, toch met elkaar uit de voeten kunnen, letterlijk en figuurlijk. En ongemerkt maak je met je ommetjes de buitenwereld een beetje vriendelijker – een beetje minder boos.
Pieter Hoexum is filosoof en schrijver, onder andere van Kleine filosofie van het ommetje – Een verkenning van de buurt.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant