Home

Schrijver Paul van Loon: ‘Ik heb me altijd anders gevoeld, daardoor voel je soms een soort eenzaamheid’

Al bijna dertig jaar bestaat zijn karakter Dolfje Weerwolfje, Paul van Loon verkocht miljoenen exemplaren van de meer dan 140 boeken die hij schreef. ‘Ik denk niet aan een kind als ik schrijf. Ik wil, nee, ik móét dat verhaal maken.’

Hoeveel boeken hij heeft geschreven, Paul van Loon (70) weet het niet. Meer dan 140, dat is zeker, al zitten daar veel educatieve boekjes uit zijn begintijd bij, voor beginnende lezers. Zijn verkoopcijfers? ‘Geen flauw idee.’ Het aantal verkochte boeken loopt alleen al in Nederland in de miljoenen, zegt zijn uitgever. ‘Schijnt zo te zijn’, zegt Van Loon. Geen spoor van trots op zijn gezicht.

Voor hem is het simpel, zegt hij. ‘Ik schrijf kinderboeken, en dat doe ik elke dag, omdat ik dat leuk vind. Dat is mijn leven. En verder ben ik, van binnen, dezelfde persoon als toen ik 12 was. Ik denk en voel me nog precies als toen.’ Zijn vrouw, Hadjidja, omschrijft hem als ‘een ontzettend lieve, rustige man’. ‘Hij is altijd aan het creëren. Paul is niet iemand die worstelt met het leven, of overloopt van emoties. Voor de buitenwereld leiden wij denk ik een saai leven.’

Van Loon woont al decennia in hetzelfde huis in een buitenwijk van Drunen, met Hadjidja, die al vijftig jaar zijn geliefde en iets korter zijn manager is. Hun dochter Manisha woont met haar gezin in het huis ernaast. Ook zij en haar man werken in het familiebedrijf, ze maken boektrailers en houden de sociale media bij.

Bij binnenkomst staat Van Loon met een uitgestoken vuist in de deuropening. Liever een boks, hij is verkouden. ‘We gaan meteen naar mijn werkkamer.’ Hij loopt voorop, de hal door, langs de bijkeuken vol kattenbakken en krabpalen: het ‘poezenparadijs’ voor Britse kortharen Bert en Winnie. Zijn werkkamer is een serre, in het midden staat een groot bureau met een computerscherm erop. ‘Ga zitten’, zegt hij, wijzend naar een beschilderde stoel, met op de zitting een draakachtig monster en op de rugleuning een vampier. Van de opa van een fan gekregen. De schrijver neemt plaats op een met ducttape gerepareerde bureaustoel.

In grote boekenkasten staat hier ongeveer zijn hele oeuvre. Acht delen van De griezelbus, 28 boeken over Dolfje Weerwolfje, 21 over Foeksia de miniheks, losse boeken zoals Meester Kikker, de boeken die hij schreef in samenwerking met de Efteling: drie delen over de ridders van Raveleijn en zijn laatste boek Danse Macabre, waarmee hij onlangs voor de elfde keer de Prijs van de Nederlandse Kinderjury won.

In een andere kast de vertalingen en zijn eigen lievelingsboeken: thrillers van Stephen King, boeken van Tolkien, H.P. Lovecraft, Bram Stoker, Roald Dahl en Wim Hofman, het Limburgs sagenboek waar zijn vader altijd uit voorlas, zijn door auteur Jean Dulieu gesigneerde exemplaar van Paulus de Boskabouter. ‘Mijn lievelingsboek, want ik heet zelf ook Paulus. Paulus Stephanus Elisabeth Lambertus Maria van Loon. Ik kreeg het in 1962 bij mijn eerste communie van tante Willy en oom Jan.’

Bovenop de kast staan poppetjes uit Maurice Sendaks Max en de Maximonsters, het boek dat hij als 20-jarige student aan de kunstacademie in Den Bosch onder ogen kreeg en dat voor hem ‘de deur naar de kinderboekenwereld’ opende. ‘Over een jongetje dat stout is en door zijn moeder zonder eten naar bed wordt gestuurd. Een boot vaart zijn slaapkamer in, neemt hem mee en meert aan bij het eiland waar de Maximonsters wonen. Die willen dat Max blijft, ze willen dat hij hun koning wordt, maar hij wil uiteindelijk weer naar huis.

‘Als zijn bootje weer in zijn kamer aankomt, staat daar zijn avondeten, nog warm. Zijn eten staat er, dus zijn moeder houdt van hem. De tekeningen worden in de loop van het verhaal steeds groter, tot ze paginavullend zijn. Pas veel later realiseerde ik me dat Max een wit wolfspakje draagt. Misschien speelde dat, onbewust, een rol toen ik Dolfje Weerwolfje bedacht.’

Hij was verbaasd dat hij na zestien jaar weer eens de prijs van de Nederlandse Kinderjury won. ‘Het is een andere tijd. Vroeger kon je stemmen via een formulier bij de boekwinkel, nu via internet. Geronimo Stilton, een kinderboekenreeks over een muis, begon in de jaren 2000 met tv-reclames om kinderen op te roepen om te stemmen. Daarna kwamen de YouTubers: Rutger & Thomas, de Zoete Zusjes. Die hebben honderdduizenden kijkers die kunnen stemmen. Dit jaar had ik geluk, in mijn categorie zaten geen YouTubers. Anders had ik nooit gewonnen.’

In je eerdere boek De Sprookjessprokkelaar schets je een toekomstbeeld waarin boeken niet meer bestaan. ‘De beeldschermen hebben de strijd gewonnen.’ Gaat het die kant op?

‘Ik denk dat dat niet kan. Een boek is zó bijzonder. Ook als voorwerp, het straalt een soort magie uit, een boek heeft een ziel, het lééft. Ik heb een heilig ontzag voor boeken, al van jongs af aan. Ik maak nooit ezelsoren, breek de rug niet open, ik lees voorzichtig. Kleine kinderen zijn en blijven dol op boeken, ik zie dat aan mijn kleindochter van 4. Ik denk daarom dat er altijd lezers zullen zijn.

‘Het lastige is dat je boeken moet zien te vinden waardoor een kind gaat inzien dat lezen ontzettend leuk is. Het geweldige is dat je zelf een deelnemer bent aan het lezen. Een boek bestaat niet alleen doordat de schrijver het schrijft, maar ook doordat de lezer het leest. Als je dat geheim eenmaal ontdekt, is lezen het leukste wat er is. Bovendien word je door veel te lezen gratis slim. Ideaal.’

Kinderen lezen wel steeds minder.

‘Er is een probleem, en dat zal voor een groot deel met de afleiding van schermpjes te maken hebben. Voor een boek, ook voor een leuk boek, moet je meer moeite doen dan voor TikTok. Bij veel gezinnen is er geen leescultuur en als er geen boeken in huis zijn, als ouders zelf niet lezen, wordt het lastig. Mijn ouders hadden een grote boekenkast. Toen ik 6 was, kwam mijn vader thuis met een enorme stapel boeken van de bibliotheek: hier, zoek maar uit wat je leuk vindt. Dat belangrijke zetje heb ik gekregen. Je mag kinderen best dwingen om te lezen, als ze maar zelf mogen kiezen wát ze lezen. Dat is belangrijk, want als je een kind twee of drie keer een boek geeft waar hij niet doorheen komt, zal hij denken: lezen is niet leuk.’

Jij hebt tientallen boeken geschreven die door kinderen graag worden gelezen. Jij zou dus moeten weten hoe je kinderen aan het lezen krijgt.

‘Het gekke is: ik heb geen idee. Ik schrijf op gevoel. Wat ik wel weet is dat kinderboeken voor kinderen zijn. Kinderen moeten ze graag lezen, wat volwassenen ervan vinden doet er voor mij niet toe.’

Dus je vindt het niet erg dat je nooit een Gouden Griffel won?

‘Nee. Ik vind niet dat kinderboeken gekaapt moeten worden door volwassenen. Als ik een Griffel zou winnen, zou ik denken: wat heb ik verkeerd gedaan? Ik denk overigens dat die jury mij überhaupt niet leest. Literaire kinderboeken, de boeken die Griffels winnen, zijn maar voor een kleine groep kinderen leuk. Ik probeer zoveel mogelijk kinderen te bereiken, en dat doe ik door eenvoudig te schrijven, in korte en duidelijke zinnen. En geen massieve blokken tekst, in boeken voor jongere kinderen. Dan denkt een kind: mijn god. Ik wil eigenlijk elke zin op een nieuwe regel. Er moet lucht zitten op de pagina’s, je moet ze niet afschrikken, maar ze in het verhaal trekken.’

Denk jij dat je je goed in kinderen kunt verplaatsen?

‘Nee, ik denk ook helemaal niet aan een kind als ik schrijf. Ik wil, ik móét dat verhaal maken. Ik duik zélf in het verhaal. Ik schrijf zoals een lezer leest, ik weet een begin- en meestal ook een eindpunt, maar hoe mijn personages bij dat eindpunt komen, bepaal ik tijdens het schrijven. Het gaat volledig op gevoel.

‘Dolfje bestaat nu bijna dertig jaar en eerlijk gezegd is er voor hem in die dertig jaar niets veranderd. Er zijn in de wereld van Dolfje geen mobieltjes, er is geen internet, zelfs geen tv. Dat wil ik er niet in hebben. Mede daardoor is hij tijdloos geworden, al had ik van tevoren nooit het idee dat ik meer dan één boek over Dolfje zou schrijven. Toen ik met het eerste deel de Prijs van de Kinderjury won, zei CPNB-directeur Henk Kraima tegen mij: ‘Jouw boek wordt de Pluk van de Petteflet van de toekomst.’ Ik moest een beetje lachen. Maar inmiddels zijn we bij de 61ste druk.’

Komt dat ook door de onderliggende boodschap: anders zijn is oké?

‘Dolfje verandert bij volle maan in een weerwolf en denkt: dat wil ik niet, want dan ben ik anders dan andere kinderen. Het heeft een snaar geraakt, bij heel veel kinderen, heb ik gemerkt. Omdat kinderen het herkennen. Ze willen niet opvallen, ze willen normaal zijn. Als je dan een boek leest waarin het wel oké is om anders te zijn, is dat troostrijk. Doordat Dolfje anders is, maakt hij bijzondere dingen mee. En Dolfje heeft een liefdevolle pleegfamilie om zich heen, dat helpt ook.’

Maar je hebt nooit bewust een boek over zelfacceptatie willen schrijven.

‘Helemaal niet. Ik moet gewoon een verhaal maken. En tijdens het schrijven van dat verhaal, probeer ik Dolfje te zijn. Te denken wat hij denkt, te voelen wat hij voelt. Als hij jeuk heeft, begin ik mezelf ook te krabben. Zo lukt het om het goed op te schrijven. Ik ben niet zo van het psychologiseren, ik vraag me nooit af waarom ik iets doe. Er wordt me vaak gevraagd: wat is het geheim, waarom lezen kinderen jouw boeken zo graag? Ik wil het niet weten. Ik schrijf de boeken die in me zitten. Als ik dat ga proberen te verklaren, wordt het mij te bedacht.’

Soms lijk je wel degelijk iets actueels in je boeken te stoppen. In Superdolfje krijgt Dolfje een nieuwe klasgenoot, een jongen met een helm van geelwit geverfd haar en een hekel aan iedereen die afwijkt, die met zijn praatjes de klas weet in te palmen. Hij lijkt erg op een bepaalde politicus.

‘Ja, hij heeft een mooie gouden helm, en zijn ideeën zijn heel extreem. Dolfje is anders, dus die mag niet meedoen bij het buitenspelen. Ik zag die figuur, met die gouden helm, en stuurde een foto naar Hugo van Look, de tekenaar, die daar vervolgens een mooie figuur op heeft gebaseerd. Een politiek grapje.’

Uiteindelijk blijkt hij zelf overigens óók anders, die gemene klasgenoot.

‘Ja, hij is zielig, blijkt. Hij is zélf een weerwolf, en mag dat van zijn vader niet zijn. Daarom doet hij zo. Ja, soms haal ik iets uit de werkelijkheid. In Dolfje ontvoerd! wordt Dolfje gekidnapt door zijn echte vader, die hem wil laten ontweerwolven. Ik vang dan iets op, over homoconversietherapieën, en daar ga ik mee aan de haal. Ik heb altijd gewild dat iedereen zich thuis voelt in mijn boeken. In De griezelbus komen kinderen voor met Turkse of Marokkaanse voornamen.

‘In Griezelwielen komt een weerwolf in een rolstoel voor, en Noura, de beste vriendin van Dolfje, is een bruin weerwolfje. Misschien heeft het er wel iets mee te maken dat ik zelf een Molukse vrouw heb, en een dochter met een donkere huidskleur. Ik ben in een gemengde wereld opgegroeid, ik had altijd veel Molukse vrienden. Het is voor mij gewoon, dus in mijn boeken is het dat ook. Kinderen vinden het prettig dat ze zichzelf in mijn boeken tegenkomen. Frans, de meester van Dolfje, heeft het terloops over hoe zijn vriend na het wakker worden uit het raam keek, daarna gaat het verhaal weer verder. Zo is het, toch? Je hoeft het niet allemaal uit te leggen, of te benoemen.’

Is er in al die jaren iets veranderd in de reacties van kinderen?

‘Als ik signeer, is het alsof de tijd stil is blijven staan. Ik kan je niet vertellen hoe leuk het is als ik die kinderen weg zie lopen met hun boek met een handtekening erin, en dat ze dan zo’n huppeltje maken. En zo is het al meer dan dertig jaar. Ik zie dezelfde kinderen van 6, 7 of 8 jaar, en ze hebben dezelfde vragen. Ze kijken ook hetzelfde. Ik ben zelf de enige die ouder wordt.’

Hoe is het om te weten dat generaties kinderen met je werk opgroeien?

‘Ik zit weleens te signeren, en dan staan er drie generaties voor mijn tafel. De laatste vijf jaar zit ik altijd op de Comic Con in Utrecht. Er staat een enorme rij als ik daar zit, allemaal volwassenen, vaak verkleed als fantasyfiguur of superheld. Ik kan me van de laatste keer nog een enorme kerel herinneren, onder de tattoos. Hij stak zijn hand naar me uit en zei: ‘Dankjewel voor Dolfje Weerwolfje.’ Dat gebeurt vaak, hoor. Veel kinderen vonden troost in het boek, het was een soort schuilplaats voor ze.’

Heb jij als kind troost geput uit boeken?

‘Ik had geen troost nodig, want ik ben in een fijn gezin opgegroeid, allemaal prima. Mijn vader was onderwijzer, mijn moeder was thuis om voor mij en mijn twee broers te zorgen. Ik was een brave leerling, deed het goed op school. Ik ging alleen nooit zo op in de groep, ik heb me altijd iets anders gevoeld dan anderen, en daardoor voel je soms een soort eenzaamheid, die je als kind niet kunt verklaren. Thuis had ik er geen last van, maar op school wel. Ik voelde me geen onderdeel van het geheel. Ik was wel goed in voetballen, dat scheelde.’

Je was graag alleen?

‘We woonden aan de rand van Waalwijk, daar had je veel sloten en daar zat ik graag, in mijn eentje, kikkers te vangen. Op een dag zag ik aan de overkant van de sloot een krokodil liggen. Op zijn rug, dood. Hij was niet groot, een meter lang. Ik wist zeker dat het een krokodil was, maar toen ik het vertelde, werd ik door niemand geloofd. Natuurlijk nam ik mensen mee om te gaan kijken, maar toen we aankwamen bij de sloot was de krokodil weg. Ik wist wat ik had gezien, maar ik kon niet verklaren hoe die krokodil aan de slootkant was beland. Ik dacht: die krokodil moet uit een vliegtuig zijn gevallen, iets dergelijks.’

Heeft het voorval je fantasie aangezwengeld?

‘Misschien ben ik daardoor wel kinderboekenschrijver geworden. Maar moet je luisteren, dit jaar had mijn broer een reünie van zijn schoolklas. Een van zijn klasgenoten vertelde hem daar dat ze thuis ooit drie kleine alligators hadden gehad, die ze hadden losgelaten in de sloot. Vijftig jaar later is het mysterie ontrafeld. Ergens wel jammer.’

Had je vrienden?

‘Ik had één vriend, bij ons in de straat, Jack, die ook van kikkers en boeken hield. Functioneren in groepen is me ook later nooit makkelijk af gegaan. Het idee dat ik na de hbs in militaire dienst moest, vond ik verschrikkelijk. In een bus moest ik naar de keuring in Breda. Ik voelde me een vreemde eend, tussen die enthousiaste jongens, hun ruige gedrag in die bus. Ik dacht: ik wil dit niet, ik wil dat leger niet in.

‘We moesten naar een lokaal en daar kreeg je een schrijftest, je moest woorden aanvullen met d’s en t’s. Ik vond het een belediging. Ik heb het formulier volgetekend met kabouters en bloemen, toen werd ik de zaal uitgestuurd. Een paar uur moest ik wachten, tot ik door twee mannen met van die strepen op hun schouders binnen werd geroepen. Ik was ‘tijdelijk ongeschikt’, en moest het jaar erop terugkomen.’

En toen? Weer kabouters getekend?

‘Ik dacht: ik doe helemaal niets meer. Ik ben roerloos op een radiator gaan zitten, ik denk dat ik zes uur moest wachten, tot ik weer in zo’n kamertje moest komen. ‘Jij wil gewoon niet in dienst hè’, zei die streep. ‘Dat klopt’, zei ik. Ik kreeg S5, ze waarschuwden dat ik nooit meer een overheidsbaan kon krijgen. Prima.’

Waarom was in dienst gaan je grootste nachtmerrie?

‘Verschrikkelijk. Het leger, soldaten, het moeten opvolgen van bevelen, alles in groepsverband moeten doen, dat staat zo ver van mij af, van mijn wereld. Ik wilde creëren, ik wilde niet getraind worden om te vernietigen.’

Voelde je je thuis op de kunstacademie?

‘Ook niet. Ik vond tekenen het leukste wat er was, en dat kon ik daar doen, dus dit was voor mij een logische keuze. Mijn ouders hebben me daarin gesteund. Maar de kunstacademie heeft mijn tekenplezier aardig verknald, in het vierde jaar vond ik er niets meer aan. Te schools, vaak was het alleen goed als wat jij maakte leek op wat de leraar maakte. In het laatste jaar ben ik gestopt. Het heeft een jaar geduurd voor ik weer begon te tekenen. Op een dag heb ik een verhaal bij een eigen tekening geschreven, en dat naar de krant gestuurd, die het afdrukten. Zo is het balletje gaan rollen. Ik leefde van de sociale dienst. Het heeft vijftien jaar geduurd voor ik van mijn boeken kon leven.’

Waarom schrijf je altijd ’s nachts?

‘Dat is ooit zo begonnen omdat ik overdag voor Manisha moest zorgen. Mijn vrouw werkte in de bibliotheek om geld te verdienen en ik moest er overdag voor dat kleintje zijn. Dat was vanzelfsprekend. En als ik ga zitten schrijven, dan verdwijn ik in die wereld, dus dat kon ik niet doen als zij wakker was. Ik vond het zorgen geweldig en ik nam Manisha overal mee naartoe, in haar reiswieg, ook naar afspraken met de uitgever of de boekhouder. Ik bracht veel tijd met haar door. Samen naar de supermarkt, en op de parkeerplaats doen of we samen een auto gingen stelen. Ik was de grote steler, zij de kleine steler. Welke auto zullen we pakken? Dat werd natuurlijk altijd onze eigen auto.

‘Kinderen hebben een puur soort humor, die mij bevalt. Humor die niet kwetsend is, die niet ten koste gaat van anderen. ‘Niet in je peus neuteren’, zeg ik tegen mijn kleindochter van 4. Die moet daar geweldig om lachen.’

Is het ’s nachts ook makkelijker om dichter bij je verbeelding te komen?

‘Ik begin om een uur of negen ’s avonds en ik ga rond drie uur naar bed. Het is donker, er is één lampje aan. De vogels fluiten niet, er wordt niet gebeld, er komt niemand aan de deur. Je wereld wordt kleiner. Ik doe het zeven avonden in de week, ik word naar deze kamer toegetrokken, omdat ik wil weten hoe het verhaal verder gaat. Ik eet en drink niets, ik zit hier alleen met een fles spa blauw.’

Heb je jezelf na dat succes iets van luxe gegund, of leid je nog hetzelfde leven als ervoor?

‘Ik heb een goede auto, bedoel je dat? Een Toyota RAV4.’

Dat klinkt niet als een enorme uitspatting, voor iemand die miljoenen boeken heeft verkocht.

‘Nee, nee. Auto’s interesseren mij niet. Grote huizen interesseren mij ook niet, of spullen. Ik heb een lieve vrouw, een lieve dochter en lieve kleinkinderen. We leven ons leven en dat is prima.’

Hoeveel boeken heb je aan Hadjidja opgedragen?

‘Meer dan vijftig, denk ik. Omdat ze er vanaf het begin af aan bij is. Ik ken haar al van voor ik ooit één boek had geschreven.’

Waar komt je voorliefde voor griezelverhalen vandaan?

‘Het ligt allemaal in het verlengde van sprookjes. Reuzen die kinderen opeten, heksen. Het Limburgs sagenboek uit 1915 stond bij mijn vader in de boekenkast en daar kwamen weerwolven in voor, vuurgeesten, allerlei enge dingen. Tijdens mijn optredens laat ik het boek altijd zien. Ik zeg dan: is er een mobieltje of ander apparaat wat al meer dan honderd jaar functioneert? Nee! Iedereen klappen voor het boek!’

Vanuit streng-gereformeerde hoek kwam er weleens kritiek op je werk. De SGP stelde Kamervragen toen je meewerkte aan een boek over de dode hoek in het verkeer. Toenmalig fractievoorzitter Kees van der Staaij nam aanstoot aan taferelen ‘waarbij een duivel is gericht op het verzamelen van aangereden ‘kinderzieltjes’ die vervolgens met een ‘griezelbus’ naar de helse verblijfplaats van de ‘Zielenverzamelaar’ worden gebracht.’

‘Ze hadden het boek helemaal niet gelezen, maar ze vonden er wel van alles van. Occult, noemden ze mijn boeken. Heel apart. Het is humor, hè, alleen moet je wel gevoel voor humor hebben om het te begrijpen.’

Denk je dat griezelverhalen kinderen juist kunnen helpen om hun angsten te verwerken?

‘Jaha, dat denk ik wel. Dat hoor ik ook van kinderen. Dat ze door het lezen van De griezelbus juist mínder bang werden, omdat ze inzien dat het maar verhalen zijn. Het leuke aan griezelboeken is dat ze een soort veilige vorm van bang zijn bieden. Het is spannend, maar je zit gewoon thuis, en als je het te eng vindt doe je het boek dicht en lees je de volgende dag weer verder.’

Hoelang zie je er al zo uit, met die ringen, die hoed die je nu draagt, en die zonnebril?

‘Vijftig jaar, denk ik. Dit is wie ik ben. Als ik die dingen niet zou dragen, zou het voelen alsof ik mezelf zou verkleden. De hoed draag ik iets minder lang dan de bril. Ik had ooit haar, nu heb ik een hoed.’

Veel mensen denken: hij schrijft griezelverhalen, dan zal die outfit wel bij zijn griezelige imago horen.

‘Ik had last van het licht in mijn ogen, ik kon daardoor urenlang niezen, dan lag ik op mijn kamer met een doek over mijn ogen. Een zonnebril scheelde, dus die heb ik gewoon opgehouden.’

Ik kan je ogen door de glazen van deze zonnebril gewoon zien. Is dat bewust?

‘Ja, deze heeft vrij lichte glazen. Maar ik heb verschillende brillen, twee dozen vol.’

Als je dan toch een beetje gaat psychologiseren, zou je kunnen denken dat het dragen van een zonnebril ook een manier is om mensen op afstand te houden.

‘Ja, een soort muur. Als ik een optreden heb, doe ik een bril op met pikzwarte glazen. Ik vind dat prettig, dat ze me niet allemaal recht in de ogen kunnen kijken. Misschien omdat ik niet zo’n groepsmens ben. Zou kunnen.’

Zijn er dingen die je eng vindt aan de echte wereld?

‘Ik vind de echte wereld krankzinnig. Alles is anders dan in mijn jeugd. Tegenwoordig voeren ze oorlog met drones, bijvoorbeeld. Dat houd je toch niet voor mogelijk? In de krant lees ik alleen de koppen. Ik heb er geen invloed op en het leidt mij te veel af. Het zou me tijdens het schrijven in de weg gaan zitten, denk ik. Ik wil over mooie dingen schrijven, over de fantasiewereld. En de werkelijkheid zit vol lelijkheid. Al heb ik ergens nog altijd het geloof dat het allemaal goed zal aflopen.’

Zoals in een kinderboek.

‘Een kinderboek loopt niet altíjd goed af, hè. Maar ik hou hoop.’

CV Paul van Loon

17 april 1955 Geboren in Geleen
1977 Eerste verhaal gepubliceerd in Brabants Dagblad
1977-1983 Werkt voor Donald Duck, Okki, Taptoe, Bobo en Ezelsoor
1983 Eerste kinderboek Boven op tante Agaat
1991 Doorbraak met De griezelbus, verfilmd in 2005
1996 Wint met Meester Kikker voor het eerst de Prijs van de Nederlandse Kinderjury
1997 Schrijver Kinderboekenweekgeschenk
1997 Eerste deel Dolfje Weerwolfje
2007 Eremedaille van de Nederlandse Kinderjury
2008 Officier in de Orde van Oranje Nassau
2010 Foeksia de miniheks verfilmd
2011 Raveleijn, boek bij gelijknamige nieuwe Efteling parkshow, ook verfilmd als twaalfdelige tv-serie
2011 Dolfje Weerwolfje uitgeroepen tot grootste kinderboekenheld, verfilming Dolfje Weerwolfje
2012 Oprichting ‘kinderboekenband’ Paul van Loon & Andere Snuiters
2013 tiendelige tv-serie De Leeuwenkuil gebaseerd op zijn boek Paniek in de Leeuwenkuil
2016 Meester Kikker verfilmd
2019 Bekroond tot Kinderboekenridder door het Kinderboekenmuseum
2023 Amerikaanse producent koopt rechten van Dolfje Weerwolfje
2025 Wint voor de elfde keer de Prijs van de Nederlandse Kinderjury voor Danse Macabre

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next