Terwijl de Gazastrook wordt verwoest door de oorlog, is er nog een tweede front: de Westelijke Jordaanoever. Ongeveer 40 duizend Palestijnen heeft Israël er met grof geweld uit hun huizen verdreven.
is buitenlandredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft over Israël en de Palestijnse gebieden. Voor deze reportage reisde ze naar de Westelijke Jordaanoever.
Het is een bizar uitje: op je vrije zaterdagmiddag met vrienden naar de heuvel buiten de stad, een lekker plekje in de schaduw zoeken, blikjes fris erbij, zakjes zonnebloempitten mee, en dan gezellig kijken wiens huis er vandaag door het Israëlische leger wordt afgebroken.
‘Dat doen we elke week’, zegt een man die zijn naam niet wil noemen. ‘Dan zien we ons kamp tenminste nog eens.’
Want Nur Shams, een Palestijns vluchtelingenkamp in het noorden van de bezette Westelijke Jordaanoever, is vanaf deze heuvel goed zichtbaar. Je ziet bulldozers in de verlaten straten rijden, de zwartgeblakerde ramen van woningen die in brand zijn gestoken, de glanzende koepel van de moskee en de grijze puinhopen van verwoeste appartementen. ‘Kijk eens naar die ruïne daar’, zegt de man zonder naam. ‘Ietsje links van dat blauwe gebouw. Dat was vroeger mijn huis.’
Terwijl de Gazastrook wordt verwoest door de oorlog tussen Israël en Hamas, is er nog een tweede front waar veel minder aandacht voor is: de Westelijke Jordaanoever. Begin dit jaar werden hier drie vluchtelingenkampen (Nur Shams en de kampen bij Jenin en Tulkarem) met grof geweld aangevallen. Drones en helikopters voerden luchtaanvallen uit, terwijl er op straat werd gevochten tussen het leger en Palestijnse militanten.
Geweld is in deze dichtbevolkte wijken niets nieuws. De kampen zijn een broeinest van terroristen of een belangrijke basis van verzet – afhankelijk van aan wie je het vraagt – en de inwoners worden al decennialang opgejaagd door het Israëlische leger. Dat heeft talloze mensenlevens gekost. Een kogel die door een raam naar binnen vliegt, een granaat die ontploft bij de kapper, een kind dat net op de verkeerde plek staat, en er zit weer een rouwende familie op de overvolle begraafplaatsen.
Maar dit keer was anders. Kort nadat in januari het staakt-het-vuren in Gaza was ingegaan, besloot de Israëlische regering dat er een nieuw oorlogsdoel aan het lijstje moest worden toegevoegd: naast de vernietiging van Hamas en het thuisbrengen van de gijzelaars, moest er ook een doodsklap worden uitgedeeld aan de militanten op de Westelijke Jordaanoever.
Leilah Badaweh, een 48-jarige inwoner van Nur Shams, trilt nog als ze vertelt over de gevechten. ‘We hoorden hoe de bommen insloegen, soms vlakbij, soms iets verder weg, en dan trilde ons hele gebouw’, zegt ze met zachte stem. ‘Naar buiten durfden we niet, we hebben 35 dagen binnen gezeten.’
Omdat ze onmogelijk boodschappen kon doen, was er op een gegeven moment bijna niets meer te eten, en Badaweh vertelt hoe buren via de ramen een soort ketting vormden om voedsel door te geven. ‘Zo konden we spullen als suiker, bloem en olijven onderling verdelen.’ De tanks met water die normaal gesproken op het dak stonden, waren naar binnen gehaald, en het gezin had aan het begin van het offensief direct één telefoon uitgezet om de batterij te sparen. De stroom werd afgesneden en op deze manier zouden ze in noodgevallen toch kunnen bellen.
Nee, vluchten wilde Badaweh niet, want waar moest ze in vredesnaam naartoe? Voor de zekerheid had ze haar oudste twee zoons, jongens van 20 en 18, ondergebracht bij een oom en een opa die buiten het kamp woonden, zodat Israëlische soldaten hen niet als verdachten van terrorisme zouden arresteren. ‘Maar de andere twee, mijn zoons van 15 en 11, bleven bij ons.’
Na 35 dagen kon Badaweh echter niet meer. Ze hadden honger, er vlogen verkenningsdrones door hun appartementencomplex en er werd op het pand geschoten. Nadat soldaten het gebouw waren binnengedrongen en mensen in elkaar hadden geslagen, ontvluchtte het gezin het kamp. Ze namen hun zes katten mee.
De dieren struinen nu rond in het oude gebouw dat Badaweh in het dorp Kafr al-Labad huurt. ‘Ik ben blij dat we dit hebben gevonden’, zegt ze. ‘We hebben wekenlang samen met tweehonderd anderen in een moskee gebivakkeerd. Er was helemaal niets betaalbaars te vinden – er waren zo veel mensen op zoek naar een woning.’ Ze zucht en neemt een kat in haar armen. ‘Dit is klein en vochtig, we proberen het op te knappen. Maar het is veilig.’
Israël zegt tijdens het offensief meer dan honderd militanten te hebben gedood en honderden anderen te hebben gearresteerd. De kampen zijn leeg: er slenteren geen inwoners meer in de steegjes en alle winkels en scholen zijn gesloten. Soldaten patrouilleren in de straten en gebouwen worden één voor één met de grond gelijkgemaakt. In totaal zijn 40 duizend Palestijnen uit hun huizen verjaagd. Na weken in de opvang te hebben gezeten, hebben de meeste gezinnen nu een onderkomen gevonden. Ze logeren bij familie of huren een appartementje. Bijna niemand gelooft dat het tijdelijk is.
‘Dit is een tweede Nakba’, zegt de 30-jarige Bayam Eimar, verwijzend naar de tragedie in 1948, waarbij een kleine 400 duizend Palestijnen na de oprichting van de staat Israël, en de oorlog die erop volgde, werden verdreven – de oorsprong bovendien van de vluchtelingenkampen op de Westoever. ‘Mijn grootouders zijn nooit meer teruggekeerd naar hun huizen in de stad Haifa en ik vrees dat met ons nu hetzelfde gebeurt.’
Toen Eimar na weken van geweld uit Nur Shams vertrok, herkende ze haar eigen straten niet meer. ‘Het leek Gaza wel’, zegt ze. ‘Er was zo veel vernietigd. Huizen waren verdwenen, de straten waren door bulldozers opengereten, de brokstukken van het asfalt lagen langs de kant van de weg.’
Ook haar gezin (zes kinderen, onder wie een dreumes van 1,5 jaar) heeft onder vuur gelegen en is bedreigd door de soldaten. ‘Ze drongen ons appartementencomplex binnen en begonnen alles te doorzoeken. Later werden de mannen naar buiten gesleept.’ Ze vraagt een kind om haar telefoon aan te geven en laat een filmpje zien. De mannen zitten geknield op de grond, met de handen op de rug gebonden. ‘Ze werden geslagen, en wij, de vrouwen en de kinderen, moesten toekijken – in doodsangst.’
Toen ze waren gevlucht kregen ze bericht dat hun appartement zou worden gesloopt. Het gezin heeft nog geprobeerd om spullen op te halen. Het leger gaf hun een uur. ‘In die tijd kun je maar één keer met een busje op en neer rijden, dus we hebben het grootste deel van onze bezittingen opgeslagen in het huis van een vriend – een pand dat niet was vernield’, vertelt Eimar. ‘Soldaten zagen het. Dezelfde middag nog werd het huis van onze vriend in brand gestoken.’ De vrouw wijst naar de kamer waar ze haar gasten ontvangt. Deze is leeg, op een paar plastic tuinstoelen na. ‘Alles is weg’, verzucht ze. ‘We hebben niets meer.’
Terwijl veel inwoners wekenlang hun huizen niet wilden verlaten, vertrok Yazan Abu Shula (26) wel uit Nur Shams zodra het offensief begon. Zijn vrouw Sunduz was negen maanden zwanger en hij wilde het risico niet lopen dat ze het ziekenhuis niet konden bereiken als de weeën begonnen en zijn eerste kind geboren zou worden.
Zijn broer Bilal, die met hen meereed, doet het verhaal, want Yazan kan na die nacht bijna niet meer praten. ‘We waren nog maar net vertrokken toen er zonder waarschuwing op de auto werd geschoten. Yazan werd in zijn hoofd geraakt’, vertelt Bilal. ‘En Sunduz lag bloedend op de achterbank. Ik ging hulp zoeken, maar werd door het leger tegengehouden en opgepakt.’
Vier uur lang werd Bilal als menselijk schild gebruikt, zegt hij: de soldaten duwden hem de huizen binnen die zij wilden inspecteren. Hij zou dan mogelijke kogels van militanten opvangen of eventuele boobytraps activeren.
Ondertussen lagen Yazan en Sunduz bloedend in de auto. Toen de soldaten Bilal na ongeveer vijf uur lieten gaan, waren Sunduz en de baby overleden. ‘Ze had vijf kogels in haar lichaam; in haar nek, haar hoofd en haar buik.’
Yazan werd geopereerd. Er zat een kogel in zijn hoofd. Er is een stuk van zijn schedel weggezaagd om die eruit te krijgen. Na drie maanden fysiotherapie kan hij zijn benen en linkerarm weer een beetje bewegen. Maar waarschijnlijk moet hij de rest van zijn leven in een rolstoel doorbrengen en zal hij niet meer kunnen werken.
Terwijl Bilal het verhaal vertelt, stromen de tranen over Yazans wangen. ‘Kijk toch eens wat ze mijn jongen hebben aangedaan’, zegt hun moeder wanhopig. ‘Hij was vroeger een sterke man en nu is hij alles kwijt. Zijn vrouw. Zijn kind. Zijn toekomst.’
Het gezin is nooit meer in Nur Shams geweest. Sunduz mocht daar van het leger niet begraven worden. ‘Ze ligt in vreemde grond’, verzucht Bilal. ‘En wij leven nog. Maar ik weet niet wie er beter af is.’
Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant