Home

Ik wilde alleen maar een croissantje kopen en nu ben ik opeens onderdeel van een kinderwens

Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

In de rij voor de bakker ben ik, zo zal blijken, iets te dicht bij de vrouw voor me gaan staan. Ze is blond, een jaar of 40 en heeft een jong meisje bij zich. Ze buigt zich over de toonbank en probeert een keuze te maken uit al het lekkers. Croissants, chocolatines, kaneelbroodjes, appelflappen, pasteis de nata en kokosmakronen. Ze wijst een aantal dingen aan. ‘Zo eentje, zo eentje en zo eentje.’

Dan valt haar oog op een teckel. Hij hoort bij een jonge vrouw met een kinderwagen die rechts naast ons staat. ‘En zo eentje willen we ook wel.’ Ze knikt naar de teckel. ‘Toch?’, vraagt ze aan haar dochter en ze buigt zich om het hondje even te aaien.

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

De jonge vrouw met de teckel glimlacht en haar ogen gaan via de vrouw, naar het kind, naar mij. Ik glimlach beleefd, zo van: ha, wat een geestige opmerking. De vrouw die de teckel wil kijkt daarna even in de kinderwagen. ‘En zo eentje wil ik er ook wel’, zegt ze en de vrouw met de kinderwagen moet erom lachen en kijkt mij weer aan. Nu met een blik die het midden houdt tussen verwachting en ongemak. Ze is blijkbaar in de veronderstelling dat ik bij de vrouw met het kind hoor.

Ik wilde alleen maar een croissantje kopen en nu ben ik opeens onderdeel van een kinderwens. Een klassieke verlies-verlies-verliessituatie. Het is te laat om ostentatief achteruit te stappen en me fysiek te distantiëren van de vrouw zonder teckel. ‘Sorry, maar ik hoor hier helemaal niet bij’, zou ook wat overdreven zijn. Ook niet fijn: ‘Ik wil absoluut geen teckel en liever ook geen kind. Althans, niet met haar.’

De laatste optie: ik kan het spel meespelen, doen alsof ik er best voor opensta (‘laten we zo even naar het asiel gaan en dan maken we vanavond een aanzetje voor dat andere’), maar dan moet ik zo meteen aan mijn echte vrouw – die aan de tafel achter me zit – uitleggen waarom die vrouw bij de toonbank opeens zo tegen me begon te schreeuwen (‘ik dacht serieus dat ze het wel grappig zou vinden’).

Dus ik blijf maar staan, glimlach en knik. Stel me een leven voor met de vrouw voor me. Weet dat ik dat beest weer elke dag mag gaan uitlaten. Dat, ondanks dat zíj per se nog een kind wilde, ík er drie keer per nacht uit mag om de fles te geven.

En dat er dan na een teckel zeker ook nog een spierwitte golden retriever moet komen, ‘want dan heeft hij iemand om mee te spelen’. En daarna nog een kind. Omdat het nooit genoeg is. Kijkend, smachtend naar de croissants in de vitrine, neem ik me voor in het vervolg wat meer afstand te houden.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next