Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Teamchef Ronald van der Sman (58) moest als rechercheur naar een bizarre lijkvinding.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Dit is de indrukwekkendste lijkvinding die ik ooit heb meegemaakt. Niet zozeer vanwege de heftigheid, maar omdat alles zo surrealistisch overkwam. Alsof we door een filmdecor liepen. De hele plaats delict leek in scène gezet. Maar dit was echt.
‘Tijdens een nachtdienst, het was een donkere, koude winternacht, moest ik als rechercheur naar een verhanging in de Haagse Van Merlenstraat. Nu staan daar mooie, opgeknapte miljoenenpanden, destijds waren dat oude, vervallen herenhuizen, allemaal vergane glorie waar zwervers woonden die aan lager wal waren geraakt.
‘Midden in de nacht stonden daar zes aspirant-agenten voor het huis met geschrokken koppies door wat ze binnen hadden gezien. Met een stagiair betrad ik het huis. Binnen hing een muffe verflucht. Hier woonde duidelijk een kunstenaar: overal hingen en lagen onafgemaakte schilderijen. Het was een enorme troep. We zagen schildersezels, overal lagen paletten met half leeggeknepen tubes verf en gebruikte kwasten. Alle ruimtes waren bezaaid met lege wodkaflessen. Je zag meteen: hier heeft zich een triest leven afgespeeld.
‘Een slaapkamerdeur stond open. In die deur zaten kleine raampjes van glas, sommige waren kapot. Achter die openstaande deur hing een lijk, een man die zichzelf had verhangen. Het licht van de volle maan scheen in zijn gezicht. De ene helft van het gezicht was ingedroogd, gemummificeerd als gevolg van tocht door een kapot raampje. De andere helft was vergaan, daar zag je zijn schedel, het skelet. Doordat hij daar al zeker drie maanden hing, was het lichaam uitgerekt en kwamen zijn tenen bijna tot aan de grond. De ratten hadden eraan gezeten. Heel luguber allemaal, dit leek sprekend op zo’n lijk uit een spookhuis.
‘De jugendstilachtige details van het oude herenhuis en de glas-in-loodramen maakten het filmdecor compleet. Ik belde de technische recherche en een schouwarts, en ging met mijn stagiair op het hoofdbureau de sleutel halen van het mortuarium. Dat was destijds nog een klein, sierlijk, bakstenen lijkhuisje op de begraafplaats aan de Kerkhoflaan.
‘Om er te komen moest ik een klassieke sleutel omdraaien in het slot van het hoge smeedijzeren hek rond het kerkhof. Het hek piepte bij het openduwen. Echt alles leek op een horrorfilm. Het was donker, maar er stond wel een volle maan. Toen we over het grindpad naar dat huisje liepen, schrokken we van een langsvliegende uil. Het mortuarium bestond uit één kleine stenen ruimte met een bijna middeleeuwse marmeren onderzoekstafel in het midden. Al snel kwam de begrafenisondernemer het lijk brengen, dat in een zak op een brancard lag. We hoorden het grind knisperen onder de wielen. Nog steeds als ik over een grindpad loop, moet ik denken aan die nacht.
‘Toen het lijk werd ontkleed en onderzocht op onnatuurlijke doodsoorzaken, zoals bijvoorbeeld schot- of steekwonden, zeiden ook de schouwarts en de technisch fotograaf dat die hele nacht, met die filmische setting, zo luguber en surrealistisch aandeed. Later bleek dat het om een Poolse man ging. Indertijd waren er nog niet zoveel Polen in Nederland, dat was best bijzonder. Uit het feit dat hij daar al zo’n drie tot vier maanden hing, bleek dat niemand naar hem omkeek.
‘Deze zelfdoding maakte op mij veel indruk omdat ik destijds rondliep met een pieper omdat mijn vrouw in verwachting was van ons eerste kind. Het was zo’n bizarre tegenstelling – de verwachting van aankomend, nieuw leven en deze trieste vergankelijkheid. Het is bijna twintig jaar geleden, maar ik kan me die nacht nog tot in detail herinneren.
‘Bij de overdracht naar de ochtendploeg heb ik dit verhaal in geuren en kleuren aan de wachtcommandant verteld. Niet alleen omdat het zo bijzonder was, maar ook om het te verwerken. Ik heb veel zelfdodingen meegemaakt, maar twee zijn me altijd bijgebleven. Deze, en die van een collega van mijn vader die werkte op de Haagse Tram Maatschappij, de HTM. Ik zag hem hangen in hetzelfde uniform dat mijn vader altijd droeg, en dan komt zoiets heel dichtbij, alsof je je vader daar ziet hangen. Ik heb daar een tijd last van gehad.
‘Ik herinner me nog goed hoe ik eens op vakantie in Italië op het strand een boek zat te lezen, en dat ineens dat beeld oppopte. Dat is een teken dat het ergens zit, iets onverwerkts. Ik ben erover gaan praten, en dat hielp. Sindsdien doe ik dat bij alle incidenten.
‘Wat ook altijd bijblijft, is die plek. Altijd als ik daar langsrijd, denk ik aan die lugubere nacht. Dat geldt trouwens voor alle politiemensen: als ze langs een plaats delict rijden, denk je toch altijd weer terug aan de reden waarom je daar was. Dat gum je niet zomaar uit. Ook niet door erover te praten.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant