Home

Er was niemand om de straatkatten te voeren. Dus wilde mijn vrouw naar huis

Thomas Erdbrink doet opnieuw verslag uit Teheran, waar hij jarenlang werkte als correspondent voor Nederlandse en internationale media.

Voor de deur van ons huis in Teheran is altijd alles brandschoon. Mijn schoonmoeder Jila regeert met ijzeren vuist en geen enkel blaadje, papiertje of zelfs insect zal haar stoeptegels ontsieren. De bezem wordt met besliste bewegingen gehanteerd. Soms denk ik dat ze de stoep als haar land ziet, dat ze het liefst zou schoonvegen van alle Mannen die het Beter Weten.

Maar net zoals een landelijke schoonmaakbeurt lastige obstakels kent, laat ook haar stoep zich niet zo makkelijk schoonhouden. Sinds wij in het souterrain onder haar huis zijn komen wonen, heeft zich een troep straatkatten voor de deur verzameld. Dat is niet zo vreemd, want ze worden iedere dag gevoederd door haar rebelse dochter, mijn vrouw, Newsha.

De katten, die heel blij en tevreden zijn met het voer dat drie keer per dag uit de lucht komt vallen, miauwen naar hartenlust, liggen in de zon en geven af en toe vol overtuiging lekker over, het liefst direct voor haar deur.

Sommige katten hebben bijnamen van ons gekregen. Zo is er Chapool, ‘de Schele’, een dikke rode kater die de hele tijd naar zijn neus staart. Se pah, die maar drie pootjes heeft en overal naartoe hinkelt. En Fezfez, die zo hard knort dat ze als een drone klinkt.

Mijn schoonmoeder heeft maar één naam voor alle katten: kutbeesten!

In Nederland, toen we overlegden of we tijdens de Israëlische bombardementen terug zouden gaan naar Teheran, kwam Newsha met allerlei serieuze afwegingen. Maar toen ik zei: ‘Je wil gewoon terug omdat de straatkatten anders geen eten hebben’, antwoordde ze volmondig ‘Ja’. In twintig jaar huwelijk leer je je partner wel kennen.

Normaal konden we op anderen rekenen om ze eten te geven, maar veel mensen uit de steeg waren Teheran ontvlucht. In de hele stad hadden de katten het zwaar. Ze waren gewend dat er altijd wel eten verschijnt, maar nu waren er geen mensen. En dus hadden de katten van Teheran honger.

Op sociale media begonnen kattenliefhebbers groepen die de stad in wijken verdeelden om de straatkatten van noodrantsoenen te voorzien. Bita, een vriendin van ons, kocht 20 kilo voer en struinde met haar man de straten af om brokjes rond te strooien.

Ook in onze steeg heerste honger. Mijn schoonmoeder was onverbiddelijk. ‘Ze gaan maar ergens anders heen!’ Katten hebben haar een kleinkind ontzegd, vindt ze. Onze eigen kat, Eskandar, is nu 22 jaar oud. Hij is een ex-straatkat. Toen we hem vonden, voorspelde mijn schoonmoeder dat er geen kind zou komen als we hem zouden houden. ‘Vanwege de kattenharen’, zo wist ze. Ze heeft gelijk gekregen.

Als we niet in Teheran zijn, zorgt ze gedwongen door ons voor Eskandar. Die loopt met stramme bewegingen de trap op naar haar appartement, zijn oude vacht is pluizig alsof hij constant onder stroom staat. Als Eskandar een straatkat ziet, miauwt hij vol afkeer en kijkt zoals mijn schoonmoeder kijkt wanneer ze kots op de stoep ziet liggen.

‘Eskandar houdt ook niet van de straatkatten’, concludeerde mijn schoonmoeder na een tijdje tevreden.

De gedeelde afkeer van de straatkatten was het begin van een bloeiende liefde tussen haar en Eskandar. Ze vertroetelt hem, kookt lekkere kip en brengt hem ’s avonds naar beneden, naar ons huis, waarbij ze onderweg samen naar de andere katten blazen.

Tijdens de Israëlische bombardementen waren ze samen alleen. Eskandar lag naast haar op de – brandschone – bank. Ze keken tv en hoopten op verandering. ‘Eskandar is een goede kat, geen slechte’, zegt ze. ‘Hij wil ook dat de straatkatten weggaan en dat de stoep schoon is.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next