De laatste jaren is de aandacht voor de geschiedenis van kolonialisme en slavernij toegenomen. Wat leren kinderen daar nu over op school? V nam een kijkje in een 4-vwo-klas in Breukelen. ‘Kan ik opschrijven dat het hartstikke mensonterend is?’
Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant, met bijzondere aandacht voor de koloniale geschiedenis.
‘Hebben jullie ooit van ‘Ketikoti’ gehoord?’, vraagt geschiedenisdocent Tim Koetsier (41) op een dinsdagochtend in juni aan zijn leerlingen uit 4 vwo. Vrijwel alle vingers gaan omhoog. De vierdeklassers hebben zojuist plaatsgenomen in de u-vormige opstelling van schoolbankjes – een sliert jongens naast jongens, meiden naast meiden – in zijn lokaal, op scholengemeenschap Broklede in Breukelen.
‘Weten jullie ook wat het is?’ Slavernij, klinkt het. Surinaams. ‘Dat mensen niet meer aan een ketting zaten’, roept een jongen. Koetsier: ‘Heel goed. Ketikoti betekent in het Surinaams ‘verbroken ketenen’. Op 1 juli is de landelijke herdenking van de afschaffing van slavernij in Suriname en op de Caribische eilanden.’
En die twee jaartallen op het digibord, 1863 en 1873? Weten ze ook. ‘Dat mensen nog door moesten werken en dus eigenlijk helemaal niet vrij waren.’ Koetsier, verraste blik, tegen de verslaggever: ‘Dit hebben we niet geoefend.’
De aandacht voor koloniale geschiedenis, slavernij en de doorwerking ervan in het heden is de afgelopen jaren toegenomen. Met steden en instituten die onderzoek deden naar eigen handelen in het verleden, een historische excuses bij monde van koning en premier, tentoonstellingen, zwarte bladzijden die volledige boeken werden en de nationale herdenking van 1 juli uitgezonden op tv. Maar hoe staat het ervoor in de klas, wat leren kinderen daar over het Nederlandse koloniale verleden?
Nog niet voldoende, luidde de conclusie onlangs in een Kamerdebat over het onderwerp. ‘Het Nederlandse slavernijverleden en de gevolgen ervan moeten nadrukkelijker aan bod komen in het onderwijs’, stelde demissionair minister Uitermark (Binnenlandse Zaken).
De praktijk is weerbarstig, weten docenten geschiedenis op middelbare scholen in Nederland: het bestaande curriculum biedt ‘niet veel ruimte’ voor uitvoerige aandacht. ‘Mijn directe collega’s en ik vinden het belangrijk’, zegt Koetsier, ‘dus doen we er moeite voor. Ik ben heus niet uniek, maar er moeten veel onderwerpen worden behandeld; ik denk dat kolonialisme gemiddeld genomen niet de aandacht krijgt die het verdient.’
De afgelopen periode behandelde Koetsier ‘het Nederlandse slavernijverleden’ in zijn 4-vwo-klas. Zes weken les, gevolgd door vijf lessen waarin de leerlingen zelfstandig werkten aan een project met als centrale vraag: hoe komt het dat de aandacht voor het onderwerp is toegenomen?
Het antwoord op die vraag komt van Olivier (16), groen shirt, golvend bruin haar: ‘Op de lagere school leerden we dat de VOC een goed bedrijf was dat veel winst maakte. Over slavernij ging het niet. Nu weten we dat Nederlanders vooral voor zichzelf bezig waren en heel veel mensen hebben misbruikt.’
Koetsier probeert zijn leerlingen na te laten denken over ‘multiperspectiviteit’, vertelt hij voorafgaand aan de les. Omdat hij ervan overtuigd is dat dat dé route is voor meer inleving en begrip, ‘van eigenlijk elk historisch en actueel maatschappelijk onderwerp.’ Dat kan thematisch, door bijvoorbeeld vanuit economisch of sociaal oogpunt te kijken. Maar, ‘en dat is voor hen echt nieuw’, ook vanuit mensen. Een plantagehouder of een tot slaaf gemaakte, een marronvrouw of een blonde jongen van 16 in Breukelen.
De afgelopen weken deden de vierdeklassers ‘onderzoek naar een historisch voorwerp’. Leerlingen kozen een voorwerp uit het boek Ons koloniale verleden in 50 voorwerpen, een coproductie van de Volkskrant en het Rijksmuseum. Vandaag schrijven ze een tekst die in een museum bij het voorwerp geplaatst zou kunnen worden.
Jordena (16) is bijna klaar. Zij koos een voorwerp dat ze van thuis kent, vertelt ze. ‘Een piring natzar, een offerschaal. Het schaaltje staat bij veel Molukse mensen in huis.’ Ze interviewde haar tante als bron. ‘Zij kon veel vertellen over hoe haar ouders naar Nederland zijn gekomen, en wat ze toen allemaal hebben meegemaakt. Dat had ik van tevoren niet verwacht toen we ons in een voorwerp moesten gaan verdiepen. Dus dat was heel interessant.’
Aan de andere kant van de klas klinkt een diepe kreun. ‘Meneer, ik heb geen moreel kompas’, zegt een jongen, handen theatraal in de lucht. Het puntje van zijn linkerwijsvinger is rood van het duwen op zijn balpen. ‘Je kunt uitleggen waarom we ervoor kiezen om dit object, een brandmerk waarmee tot slaaf gemaakten werden gebrandmerkt, tentoon te stellen’, zegt Koetsier tegen hem. ‘Dat onze opvattingen veranderen over wat goed is en wat niet.’
‘Kan ik opschrijven dat het hartstikke mensonterend is?’ Vragend kijkt hij naar Koetsier. ‘Jij schrijft de tekst, niet ik’, antwoordt die.
Olivier en Adriaan (16) kozen het kanon van Kandy – ooit geschonken aan de koning van Kandy (Sri Lanka) door Nederlanders om hem te paaien, vervolgens geroofd en in 2023 eindelijk weer teruggegeven. In een geroutineerd een-tweetje leggen ze uit hoe ze hun bronnen hebben gekozen. ‘Deze journalist is zelf in Sri Lanka geweest, en het stuk is uit 2021, dus dat is actueel’, zegt Adriaan.
Voordat ze aan het project begonnen, wisten ze niet dat Sri Lanka ook een Nederlandse kolonie was geweest. ‘Ik wist alleen van Suriname en Indonesië’, zegt Olivier. De jongens vinden het ‘wel erg’ om te horen wat Nederlanders ‘allemaal hebben gedaan en dat ze mensen zo hebben misbruikt’. Olivier: ‘Ondanks dat wij er nu niks aan kunnen doen, is het toch niet fijn om te lezen.’
Vorig jaar kwam een meisje in zijn 6-vwo-klas erachter dat ze afstamt van plantage-eigenaren, vertelt Koetsier. ‘Ze vroeg: moet ik me daar schuldig over voelen?’ Natuurlijk niet, legde Koetsier haar uit. ‘Jij kan daar helemaal niets aan doen. Maar je kan je er wel bewust van zijn. En erover nadenken hoe dat dan doorwerkt en waar jij nu bent.’
Weerstand heeft Koetsier tijdens de lessen over slavernij en kolonialisme nog niet gevoeld. ‘Niemand zegt dat het woke is, of onzin. Wat dat betreft heb ik makkelijk publiek.’ Al belandt hij ook weleens in ‘ingewikkelde discussies’. Laatst nog bij een 4-havo-klas, tijdens een les over de socialisten en liberalen in de 19de eeuw. ‘Een paar jongens wilden uitleggen waarom ze rechts zijn. Ze beweerden vervolgens dat asielzoekers verantwoordelijk zijn voor het Nederlandse fileprobleem.’ Koetsier ziet het als zijn verantwoordelijkheid om maatschappelijke gesprekken over actuele thema’s te voeren. ‘In dit geval heb ik na de les met deze leerlingen gepraat, soms werkt dat beter.’
Zoë (16) en Sophie (15) gingen voor het project zelfs naar het Rijksmuseum, vertellen ze. Om het familieportret uit 1665 dat ze kozen in het echt te zien. De zwaardjes aan Zoë’s oren bungelen mee als ze, wijzend op haar laptopscherm, uitlegt wat er op het schilderij te zien is. ‘Een rijke koopmansfamilie in mooie dure kleren. Zij staan in het licht. Daar, in het donker, staan hun tot slaaf gemaakte bedienden.’
‘Deze jongen heet Untung’, vult Sophie aan. ‘Later heette hij Surapati, werd hij een vrijheidsstrijder en ging hij vechten tegen de VOC. Hij is een held in Indonesië.’ Toevallig wisten ze allebei al het een en ander over Indonesië. Hun beider oma’s zijn er geboren. Zoë, meteen: ‘Maar dat is geen voorwaarde om erin geïnteresseerd te zijn, vind ik. Het is gewoon Nederlandse geschiedenis.’
Als de bel klinkt, vraagt de jongen zonder moreel kompas of hij nog even mag doorwerken. Koetsier: ‘Die vraag krijg ik niet vaak, uiteraard mag dat.’
De kerndoelen in de onderbouw (klas 1 t/m 3) zijn recent opnieuw opgesteld, vertelt Koetsier. ‘Daarin staat onder meer dat je aandacht moet besteden aan slavernij, migratiegeschiedenis, hoe je dat herdenkt, hoe het doorwerkt. Dat vind ik positief.’ Op dit moment buigt een zogeheten vakvernieuwingscommissie zich over nieuwe richtlijnen voor de bovenbouw. Koetsier verwacht dat daar iets soortgelijks uit zal komen.
‘Er is veel nieuw wetenschappelijk onderzoek en de maatschappelijke ontwikkelingen legitimeren dat we hier goed aandacht aan besteden’, zegt Koetsier. ‘Maar voordat nieuwe inzichten in schoolboeken komen, ben je vaak een hele tijd verder.’
Ter illustratie bladert hij in het lesboek dat hij en zijn collega’s in de bovenbouw gebruiken, Forum, naar het thematische hoofdstuk ‘Het slavernijverleden van Nederland.’ Forum is een relatief kleine methode. De meest gebruikte methodes zijn Memo (Malmberg), Geschiedeniswerkplaats (Noordhoff) en Feniks (ThiemeMeulenhoff).
‘Alles wat met slavernij te maken heeft, kan leiden tot stevige debatten en ruzies, soms zelfs tot scheldpartijen en ordeverstoringen’, openen auteurs Arie Wilschut, Dick van Straaten en Marcel van Riessen het hoofdstuk. (eerste druk 2019, deze druk stamt uit 2021, red.). ‘Neem bijvoorbeeld Zwarte Piet. Sommigen denken dat hij te maken heeft met slavernij en racisme en daarom weg moet. Anderen vinden dat onzin en willen de Nederlandse tradities van het sinterklaasfeest graag in stand houden. Het zijn lastige discussies omdat het slavernijverleden een gevoelig onderwerp is. Mensen kunnen er emotioneel door geraakt worden.’
Koetsier: ‘Het boek is geschreven vanuit de Piet Emmer-school. Een uitgangspunt waar ik het niet zo mee eens ben.’ De auteurs verwijzen in het hoofdstuk naar de Leidse emeritus hoogleraar slavernijgeschiedenis. Het boek presenteert slavernij als economische noodzaak – er waren werkkrachten nodig, het benadrukt dat slavenhandel van alle tijden was, geen uniek westers concept en noemt alleen de rol van Europese abolitionisten bij de afschaffing ervan.
Koetsier: ‘Ze noemen ook de nieuwe generatie historici Karwan Fatah-Black (Universiteit Leiden, red.) en Matthias van Rossum (Radboud Universiteit Nijmegen, red.), maar uit de tekst en de keuzes die ze maken blijkt wel hoe de schrijvers het zien.’
In zijn lessen vult Koetsier ‘de eenzijdige blik’ daarom aan met ‘andere perspectieven’. Tegenover de ‘Nederlandse opvattingen’ rondom slavernij en abolitionisme plaatst hij lessen over ‘marrons, de verschrikkingen op de plantages, de saamhorigheid op de plantages – bijvoorbeeld door muziek – en het verzet tegen slavernij onder slaafgemaakten’. Koetsier: ‘Om te voorkomen dat leerlingen het begrip abolitionisme alleen vanuit een soort verlicht-christelijke, eurocentrische invalshoek gaan benaderen.’
Koetsier en zijn collega’s hebben het ook een tijd zonder boek geprobeerd. ‘Dat hielden we niet vol, dat kostte onwaarschijnlijk veel voorbereidingstijd.’ Hij vindt het niet per se problematisch om kritiek te hebben op een lesboek. ‘Zeker in de bovenbouw van het vwo is het juist interessant om daar met leerlingen over te praten.’ Hij noemt het zijn verantwoordelijkheid als docent om kritisch op methoden te zijn en die voor leerlingen aan te vullen en te nuanceren waar nodig.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant