Home

‘Mijn man was uitgehuwelijkt, maar liep weg en koos voor mij’

Edith Parsan-Veldema is 100 jaar. Hoe kijkt zij terug op de eeuw die achter haar ligt?

Edith Parsan-Veldema is een kordate vrouw met een warm hart. Haar lange leven heeft de 100-jarige zich bekommerd om jongeren in een lastig parket. De moeder van acht kinderen vond haar huis nooit te klein, er kon altijd wel iemand bij die het thuis niet zo goed getroffen had.

Wat vindt u een positieve ontwikkeling in de afgelopen eeuw?

‘Dat Suriname eindelijk een vrouw krijgt als president. Dat lijkt te gaan gebeuren. Vrouwen mogen ook eens wat te zeggen krijgen, toch? Jennifer Simons heeft geneeskunde gestudeerd en als arts gewerkt. Ze is een lief mens. Toen ik nog in Paramaribo woonde, was ze mijn achterbuurvrouw en kwam ze vaak bij mij eten. ‘Jenny, ik heb pom voor je.’ Dan zei ze: ‘Mevrouw Parsan, u lijkt wel een restaurant!’

‘Haar kinderen kwamen ook vaak bij mij eten als ze aan het werk was. Ik hou van kinderen, ik had er zelf acht, en was blij met elk kind dat erbij kwam. Ik nam ook kinderen in huis van de plantage die het thuis moeilijk hadden.’

Wat verwacht u van Jennifer Simons, als ze president wordt?

‘Dat het vooruitgaat in Suriname. Dat ze de mishandeling van vrouwen bestrijdt. Veel mannen rammelen hun vrouw in elkaar daar, soms tot bloedens toe. Mijn vader deed dat niet, hij zei altijd: ‘Een vrouw is om te koesteren.’ Hij was politieman en ging eropaf als er een melding was van mishandeling. Dan sloeg hij zo’n man met zijn gummiknuppel op zijn ellebogen. De vrouw adviseerde hij bij hem weg te gaan. Maar de volgende dag keerde ze meestal weer terug. Dat kan ik niet begrijpen. Ik denk dat Jenny hier iets aan kan doen.’

Heeft u geweld meegemaakt in uw huwelijk?

‘O nee, ik had een lieve man. Als hij mij al had willen slaan, had hij de kans niet gekregen, want ik had negen broers. En ik had mij kunnen verweren, want ik stoeide vaak met ze in mijn jeugd.’

Hoe was de sfeer in het gezin van uw jeugd?

‘Ik heb een goede jeugd gehad met lieve ouders. Niemand van de elf kinderen in ons gezin werd voorgetrokken, ook mijn zusje niet. Ik was de oudste. Ik klom in bomen om appels en guaves te plukken, waar we jam en limonade van maakten.

‘Mijn vader was de grappenmaker in huis en speelde spelletjes met ons. Hij naaide pyjama’s voor mijn moeder. Zij was streng en gaf het goede voorbeeld. Elke dag aten we verse groente en vers fruit. Ze leerde ons alle elf koken en bakken, en dat we meteen daarna alles moesten schoonmaken en opruimen. Je netjes kleden vond ze belangrijk, en je tanden goed schoonhouden.

‘Elke dag had een van ons de beurt om alle schoenen te poetsen. De tafel werd gedekt met een wit linnen tafelkleed. We moesten netjes aan tafel zitten, met mes en vork eten en mochten pas opstaan als de laatste klaar was met eten. Al die gewoonten heb ik mijn eigen kinderen ook meegegeven. Ook bidden en danken voor en na de maaltijd.

‘Mijn vader had een goed salaris als politieman. We woonden in een dienstwoning op een plantage met contractarbeiders die waren aangetrokken na de afschaffing van de slavernij. Mijn vader rouleerde van standplaats en wij verhuisden mee. We mochten niet met andere kinderen spelen. Zodra we uit school kwamen, ging de poort van onze tuin op slot. Mijn moeder wilde niet dat wij beïnvloed werden door kinderen die een andere opvoeding kregen, dan zou het voor haar moeilijker zijn om ons in toom te houden.

‘Nooit heeft mijn vader níét een nacht bij mijn moeder geslapen. Dat was bijzonder in Suriname; de meeste mannen kwamen thuis wanneer ze maar wilden en hielden er een buitenvrouw op na. Dat deed mijn vader niet.’

Wat weet u van de achtergrond van uw ouders?

‘Mijn vader is half hindoestaans-creools en half Nederlands; zijn vader was uit Friesland naar Suriname gegaan om te werken op een plantage, en trouwde met een half hindoestaanse, half creoolse vrouw. Mijn oma van moederskant was een Joods-Indiaanse vrouw, geboren in Brits-Guyana, die trouwde met een Ier. Ze werd jong weduwe en zette de leerlooierij van haar man voort. Mijn kinderen zijn nog gemengder, want ik trouwde met een man met Perzische roots.’

Mocht u uw eigen keuzen maken, zoals een beroep en levenspartner?

‘Mijn ouders stonden erop dat we allemaal gingen studeren. Ik wilde verpleegkundige worden en volgde de interne opleiding in het ziekenhuis in Paramaribo. Sewnarian Parsan was mijn eerste vriendje. Mijn vader kende hem, want hij was ook politieman op plantage Meerzorg, waar ik hem ontmoet had.

‘Parsans vader wilde dat zijn zoon met een hindoestaanse vrouw trouwde en had hem uitgehuwelijkt. Als bruidsschat zou hij geld krijgen om geneeskunde te studeren. Maar Sewnarian had mij al in het vizier en liep weg. Zijn ouders waren boos, en gaven hem pas goedkeuring om met mij te trouwen nadat ze aan mijn haren hadden gevoeld. Ze wilden beslist geen creoolse met kroeshaar in de familie. Maar mijn haar was glad. De bruidsschat kreeg mijn man niet.

‘Ik zei Sewnarian dat ik geen politieman wilde als echtgenoot, maar iets hogers. We zijn naar pater Hillegers gegaan, die hem leerboeken leende om te kunnen studeren voor leraar. Een oom van mij van moederskant zei dat Sewnarian nooit zijn hoofdakte zou halen, omdat hij een koelie was, een scheldwoord voor Aziatische contractarbeiders. Maar mijn man haalde het wel, met hoge cijfers. Lesgeven vond hij erg leuk, later zou hij directeur worden van een basisschool.’

Wat deed jullie besluiten naar Nederland te gaan?

‘Mijn ouders en zeven broers waren naar Nederland gegaan voor de studie van mijn broers. Zodra onze drie oudste kinderen de leeftijd hadden, lieten we hen ook in Nederland studeren, omdat het onderwijs in Suriname achteruitging. Toen mijn man in 1967 een jaar verlof kreeg van zijn werk, besloten we een mooie bootreis te maken met onze vijf jongste kinderen, en hen en onze familie op te zoeken in Nederland. We kwamen aan en zijn nooit meer weggegaan.

‘Na drie maanden in Nederland begon mijn man zich te vervelen. ‘Waarom ga je niet een tijdje lesgeven?’, vroeg een neef. Sewnarian kon makkelijk aan een baan komen op een middelbare school en ging ernaast biologie studeren aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij vond het heerlijk in Nederland en ik was blij weer dicht bij mijn ouders en oudste kinderen te zijn. We verkochten ons huis in Suriname en betrokken een koopwoning in Diemen.’

Moest u wennen aan het leven in Nederland?

‘In het begin keek ik mijn ogen uit. Er waren in die tijd nog maar weinig Surinamers in Nederland. Na een paar weken waren we gewend. We kochten een Alpenkreuzer en gingen ermee op vakantie. Suriname zegt mij niet veel meer, in ben een Europeaan.

‘Ik zocht ook een baan, en kon aan de slag als verpleegkundige in het Julianaziekenhuis in Amsterdam. Na mijn pensioen kocht ik in de Afrikaanderbuurt in Amsterdam een pandje voor een van mijn zoons, waar hij een eethuisje kon beginnen. De etages erboven verhuurde ik. Ik ging hem helpen en maakte roti’s, pom, pastei, bami, nasi, Chinese kip en moksimeti.

‘Mijn zoon en zijn vrouw haakten al gauw af, dus ging ik alleen verder. Mijn dochters deden de bediening. Iedereen uit de buurt kwam eten in eethuis Parie. De drukte vond ik prettig, ik hou van veel mensen om mij heen en van geld verdienen.

‘Sommige jongens die bij eethuis Parie kwamen eten, kwam ik later tegen in de Bijlmerbajes, de gevangenis waar ik vaak ging zingen met het Suranetkoor, dat ik had opgericht. Zodra ze mij zagen, riepen ze: ‘Mammie!’ Je moet met die jongens praten. Niemand bekommert zich om hen. Als hun ouders zo geweldig waren geweest, waren ze niet in de bajes terechtgekomen. ‘Dit is niet de manier om vooruit te komen in het leven’, zei ik ze. ‘Je moet je best doen, een opleiding volgen en daarna werk zoeken.’ Sommigen heb ik op het rechte pad gekregen.’

Wat voor moeder was u voor uw kinderen?

‘Ik heb van ze genoten en dat doe ik nog steeds. Elke dag komt er een op bezoek. Ik was niet zo streng als mijn eigen moeder, vind ik, ook al mochten ze ook niet met iedereen spelen – alleen met kinderen die netjes gekleed waren en hooggeschoolde ouders hadden. Ook stelde ik prijs op goede tafelmanieren, zoals met gesloten mond eten, altijd aan een gedekte tafel en nooit met een bord op schoot. En allemaal verplicht studeren.

‘Ook in Nederland haalde ik kinderen in huis die het thuis moeilijk hadden. Ik had medelijden met ze. Ik vind dat elk kind gelijke rechten heeft en dezelfde kansen moet krijgen op gezond eten en een goede opvoeding. In totaal heb ik negen pleegkinderen in huis gehad.’

Wat was de mooiste periode van uw leven?

‘100 jaar worden. Ik ben er trots op dat ik deze leeftijd heb bereikt. Het is mij gelukt omdat ik mij nooit ergens zorgen over heb gemaakt. De burgemeester van Diemen die mij kwam feliciteren, gaf ik als verklaring: rustig aan doen.’

U heeft anders een druk leven geleid, zo te horen.

‘Nee hoor. Iedereen hielp – mijn man, mijn kinderen. Wie zich geen zorgen maakt, voelt geen drukte.’

Edith Parsan-Veldema

geboren: 26 maart 1925 in Paramaribo

woont: in een woonzorgcentrum in Diemen

beroep: verpleegkundige

familie: nog 5 broers, 8 kinderen (2 overleden), 19 kleinkinderen, 12 achterkleinkinderen, 2 achterachterkleinkinderen

weduwe sinds 1991

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next