Bij de Vereniging voor Ouders van een Overleden Kind vond Carla steun en herkenning nadat haar zoon Bennie was overleden. Ze is nu een toeverlaat voor wie dat maar nodig heeft. ‘Door Bennie mijn kant opgestuurd, denk ik dan weleens.’
interviewt nabestaanden voor haar rubriek Leven na de dood in Volkskrant Magazine
Carla Greeven (66, administratief medewerker): ‘Op 12 maart 2009 ging ik boodschappen doen en toen ik thuiskwam, zat mijn dochter Femke met twee agenten in de huiskamer. ‘Ze zeggen dat Bennie dood is’, zei ze. Toen mijn man Sake ook binnenkwam, hebben we met zijn drieën staan huilen. En toch: je gelooft het niet. Ze hebben zich vergist, dacht ik, het is vast een studiegenoot die is gevonden. Maar toen zag ik op het politiebureau zijn portemonnee en zijn sleutelbos en toen wist ik het.
‘Die dag nog vertelde ik het mijn ouders: we hebben te horen gekregen dat Bennie uit het leven is gestapt. Ze waren die middag bij een tante van 93 op bezoek, met een van mijn vijf broers ging ik erheen. Mijn moeder is een extravert type, zij begon te schreeuwen. Mijn vader klapte dicht. Maar mijn tante keek me aan en zei: ‘Carla, daar is moed voor nodig.’ Met die ene zin heeft ze zó veel goed gedaan. Bij mij, maar ook in de familie; er was meteen, naast ontzetting, ook iets van respect voor zijn daad.
‘Bennie was 19. Hij deed een opleiding gamedesign in Breda – die ik voor hem had uitgezocht, zoals ik veel in zijn leventje altijd regelde, want hij was anders dan Femke, die heel zelfstandig is. Haar eerste woorden waren ‘ikke mij!’, Bennie ontwikkelde zich trager. Hij werd niet gepest op school, maar hij zat wel het liefst in zijn eigen wereld van Dungeons and Dragons en World of Warcraft. Daarom leek die opleiding me ook zo’n goed idee.
‘Maar het viel tegen, zoals veel voor hem op een teleurstelling uitliep, hij vond het leven niet makkelijk. Half februari, hij zat daar op een kamer, zei hij: misschien wil ik weer thuis komen wonen. We beurden hem op, zeiden: zet nog even door, zoals je doet als ouders. Dus hij ging terug. ‘Als deze brief eerder wordt gevonden dan mijn lichaam’, lazen we later op zijn laptop, ‘ik lig daar en daar.’
‘De eerste dag dat Sake weer ging werken na de uitvaart, dat was al snel, ben ik thuis op de vloer gaan liggen om te voelen of er een bodem was aan mijn verdriet. Ik ben helemaal naar beneden afgedaald in de put en daar, in de diepste duisternis, vond ik grond waartegen ik me met mijn grote teen kon afzetten, een klein stukje omhoog. Ik was altijd al wel een beetje spiritueel ingesteld; dat gevoel helpt me tot de dag van vandaag.
‘Maar je bent natuurlijk half gek van verdriet en verbijstering de eerste tijd. Na twee weken wandelen en huilen ben ik gaan googelen: ‘zingeving Amersfoort’. Zo kwam ik terecht bij een mevrouw die reiki geeft. Ik heb een foto van Bennie op tafel gelegd en zij zei: ik ken hem, hij werkte bij het callcenter waar ik leiding gaf, ik vond het altijd zo’n gevoelige jongen. Op de fiets terug heb ik gezegd: dankje Bennie, dat je haar op mijn pad hebt gebracht.
‘Ook op internet vond ik dat er vier weken later een landelijke dag was van de Vereniging voor Ouders van een Overleden Kind. Voor Sake hoefde het niet zo nodig, maar hij ging met me mee. Ik weet nog dat er bij de deur een mevrouw stond die zo krachtig, zo energiek was, met zo’n fijne uitstraling, dat ik dacht: dat is een lichtpuntje. Hoelang is het bij u geleden, vroeg ik. Zes jaar eerder was zij haar dochter verloren. Ik was een wrak, maar had daarmee wel iets van houvast: over zes jaar kan ik misschien ook weer zo zijn.
‘Bij die vereniging, OOK, heb ik heel veel gevonden, vooral herkenning. Als ik zei: ik word huilend wakker en ga huilend weer naar bed, zei niemand, zoals liefhebbende familie: meid, wat erg voor je. Nee, mensen zeiden: dat had ik ook en dat heeft zo en zo lang geduurd – daar had ik veel meer aan. Ik ben deelnemer aan een gespreksgroep geworden en het was heerlijk om daar ongeremd alles eruit te kunnen gooien, ook het schuldgevoel dat anderen altijd meteen proberen bij je weg te nemen. Maar alle ouders voelen zich schuldig. Ik heb nog heel lang twee keer per jaar geluncht met twee moeders, een van een dochter die aan kanker was overleden en een van een zoon die met de brommer onder een vrachtwagen was gekomen. De moeder van de dochter zei: waren we maar eerder naar de dokter gegaan. De andere moeder zei: had ik hem die dag maar thuis gehouden – het is je opdracht om je kind in leven te houden, dat gevoel zit zó diep.
‘Na zeven jaar zijn Sake en ik een half jaar uit elkaar geweest: hij was alleen maar boos en aan het werk en ik was alleen maar verdrietig en zat vol schuldgevoel, vrij typerend voor hoe het vaak gaat bij man en vrouw. In die periode is Sake gaan huilen, dat is goed geweest. En ik heb de kracht van woede ontdekt. Op de heidevelden hier bij Zeist heb ik met stokken tegen bomen staan slaan, tegen Bennie geroepen: jij hebt misschien rust, maar wíj zitten met de shit. Sake is milder geworden en ik een stukje sterker.
‘Van de vereniging OOK ben ik nog altijd lid, na zestien jaar. Ik wandel met lotgenoten en ik begeleid met Gea, ook een lotgenote, een gespreksgroep, bied vooral een luisterend oor. Uit het vreselijkste wat er is gebeurd in mijn leven haal ik zingeving, dat helpt mij ook. Ik geef daarbij gastlessen op de politieacademie over het slechtnieuwsgesprek, dat zoveel beter kan dan die twee zoutzakken in 2009 bij ons hebben gedaan. Geen vraag, geen belangstelling, dat was verschrikkelijk. Maar een half jaar later zaten we bij de politie in Drimmelen, waar Bennies fiets was gevonden, en uit dat gesprek hebben we veel troost gehaald. Het was geen ‘panieksuïcide’, zeiden de twee agenten daar. En het fijnste van alles was dat ze zeiden: vertel eens, wat was Bennie voor een jongen? Want dat vraagt niemand meer na een half jaar. Terwijl het zo fijn is om over hem te kunnen praten, te vertellen hoe hij het vroeger op school eens heeft opgenomen voor kinderen die werden gepest. Daarmee heeft hij echt iets veranderd destijds in de klas.
‘Vorig jaar maart was het vijftien jaar geleden. Toen hebben we een herdenking gehouden bij de scouting waarvan Bennie en Femke lid waren, met een pubquiz en spelletjes, iedereen vertelde over een herinnering. We hebben een boombank geplaatst, dat was ook mooi, en ik voelde toen hoe ver we in die vijftien jaar zijn gekomen. We zijn betere mensen geworden, bewuster, relativerender – je zou het allemaal meteen inleveren om dat jong weer hier te hebben, maar dat gebeurt nu eenmaal niet. Dus als ik in de garage waar ik werk zie dat een van de jongens daar ergens mee rondloopt, zeg ik: vertel, wat heb je meegemaakt. Ze zien me een beetje als een moeder. Die is door Bennie mijn kant opgestuurd, denk ik dan weleens.’
Praten over gedachten aan zelfdoding kan bij 113 Zelfmoordpreventie. Bel 0800-0113 of 113 voor een gesprek. U kunt ook chatten op 113.nl.
Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven. Reacties: e.vanveen@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant