schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis.
Meneer Driessen (84) rammelt aan de deur van het toilet op de gang, maar die zit op slot. Hij probeert de deur ernaast. Die gaat wel open, maar blijkt geen toilet te zijn: het is een berging. Omdat hij niet weet wat hij anders moet doen, plast hij in de deuropening, doet de deur weer dicht en vervolgt zijn weg.
Ik kom net de hoek om gelopen om iets uit de berging te pakken.
‘Tho…’, zegt mevrouw Mulder (103), die aan de andere kant van de gang langzaam in haar rolstoel mijn kant op komt. Ze was getuige van het hele tafereel en probeert me te waarschuwen, maar op haar leeftijd gaan de dingen in slow motion. Voordat ze de tweede lettergreep van mijn naam heeft uitgesproken, heb ik de deur al opengetrokken en sta ik met mijn schoenen in de plas. ‘…mas.’
Dit is nu al de zoveelste keer dat meneer Driessen in de gang heeft geplast. Ik ruim de boel op en bel mijn collega die bij hem op de afdeling werkt.
‘Kun je meneer Driessen niet op jullie eigen afdeling houden?’
Meteen heb ik spijt. Natuurlijk kan mijn collega hem niet de hele dag op de afdeling vasthouden. Ze proberen hem zo vaak mogelijk naar de wc te begeleiden, maar je kunt niet de hele tijd achter hem aan blijven lopen. Een incontinentiebroek is ook geen oplossing, want die trekt hij gewoon uit. Meneer Driessen is niet incontinent, hij plast alleen op de verkeerde plekken.
Sinds de andere bewoners dat in de gaten kregen, doen de wildste verhalen de ronde over meneer Driessens plasgedrag – dat hij in een hoge boog van het balkon heeft geplast, in de geraniums, onder de tafel in de eetzaal en achter het altaar in de kapel – waarvan sommige waar zijn en andere niet.
In de eetzaal zag ik hem een keer frunniken aan zijn gulp en loodste hem gauw naar de wc. Wankel ging hij bij de pot staan.
‘Ga maar zitten, alstublieft.’
‘Ik hoef niet te poepen’, zei hij, en hij begon te plassen.
‘U plast ernaast, meneer Driessen. Wilt u in de pot richten, alstublieft? Meneer Driessen?’
Tijdens mijn nachtdienst loop ik mijn ronde over de afdeling waar meneer Driessen woont. Zijn kamernummer staat op mijn lijstje van kamers die ik ’s nachts moet controleren. Zodra ik de deur open, ruik ik een scherpe geur van urine, vers en oud tegelijk, zo sterk dat het bijna chemisch ruikt. Ze zeggen dat je door je mond moet ademen als het stinkt, maar dan is het net alsof ik er een hap van neem.
Het licht van de lantaarnpalen schijnt door de kieren van de gordijnen naar binnen. Tegen de muur staat een smalle boekenkast met lege planken. De tafel is ook leeg, alleen de afstandsbediening van de tv ligt erop. Meneer Driessen ligt in zijn ondergoed in bed, met zijn rug naar mij toe. Zijn beddengoed heeft hij in een slordige hoop naast het bed gegooid. Hij ligt op het kale matras.
Hij draait zich naar me om en kijkt me aan. Ik leg mijn hand op zijn schouder. Koud.
‘Zal ik schoon beddengoed pakken en uw bed even opmaken?’
Meneer Driessen knikt.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant columns