Home

‘Als tegenkracht geloof ik in de verbindende kracht van fictie’

Criminelen met behulp van fictie leren zichzelf beter te begrijpen en zich in anderen te verplaatsen, literatuurwetenschapper Konstantin Mierau heeft er zijn levenswerk van gemaakt. ‘Het beroep op de verbeelding stelt je in staat je emotioneel meer open te stellen.’

Om hem te begrijpen, zo stelt hij aan het begin van het interview, moet het verhaal beginnen in het Berlijn van de jaren tachtig, aan de Oost-Duitse kant van de Muur. Dat het DDR-regime ‘misdadig’ en ‘disfunctioneel’ was, behoeft geen betoog – als volwassene is hem dat meer dan genoeg duidelijk geworden. Maar als leerling op de basisschool beleefde hij ‘een andere, onschuldiger kant van het verhaal’, zoals hij het aanduidt.

‘In het schoolsysteem werd veel nadruk op saamhorigheid en solidariteit gelegd. Als je een opdracht af had, was de volgende stap rondkijken in de klas wie nog niet zover was om diegene te helpen. Hier, in het Westen, geven we een prijs aan degene die het eerste klaar is en bekommeren we ons niet om wie achteraankomt. Dat stelt me tot op de dag van vandaag teleur.’

In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Als literatuurwetenschapper aan de Rijksuniversiteit Groningen heeft de in 1981 geboren Konstantin Mierau een bijzondere specialiteit gekozen – gevangenen aan de hand van fictie (boeken, films, video’s en muziek) laten reflecteren op zichzelf en anderen. Achterliggend doel is hun ‘emotionele geletterdheid’ vergroten, waardoor ze niet alleen zichzelf leren begrijpen, maar ook beter in staat zijn zich te verplaatsen in anderen, zoals hun slachtoffers of medegevangenen.

Een geslaagde terugkeer in de maatschappij is het beoogde resultaat van het aankweken van empathie langs deze route. Die is begaanbaar, want verdieping in fictie kan een gunstig effect hebben op iemands empathisch vermogen, leert wetenschappelijk onderzoek. ‘Uiteindelijk gaat het om iemands vermogen zich met anderen te verbinden. Wanneer dat lukt, raakt me dat diep. Die momenten zijn voor mij belangrijker dan alle artikelen die je over dit onderwerp schrijft.’

Voor zijn specialisme gaat hij naar Chileense gevangenissen: ‘Chili loopt op dit vlak voorop. Sinds 2015 is er een nationaal programma voor gevangenisbibliotheken. Ik geef advies voor hun leeslijsten door interviews met gevangenen te houden.’

Dat hij in de Spaanstalige wereld verzeild is geraakt, houdt verband met zijn studie international business, waarvoor hij als twintiger aanvankelijk koos en die hem in Spanje bracht. ‘Die studie dacht ik nodig te hebben om geld te verdienen, maar toen ik eenmaal daar was, voelde ik me sterk tot de lokale cultuur en literatuur aangetrokken.

‘Literatuur speelde altijd al een grote rol in mijn leven – ik las graag en mijn grootvader, een Russisch-Duits vertaler, las me als kind Don Quichot voor. In Spanje kwam ik tot het inzicht dat literatuur veel meer is dan een liefhebberij. Het geeft inzicht in mensen, in hun onderlinge omgang en de waarden van een samenleving.’

Hoe was het om als 10-jarig Oost-Duits jongetje naar het westen te komen?

‘Mijn eerste keer was een paar weken na de val van de Muur. In West-Berlijn zag ik voor het eerst bedelaars en junkies, maar ook een warenhuis met allemaal dure spullen. Die tegenstelling tussen arm en rijk ervoer ik later ook in Nederland. We woonden in een achterstandswijk in Groningen, waar mijn vader als microbioloog aan de universiteit promotieonderzoek deed. We kregen een sociale huurwoning die ik in vergelijking met ons huis in Oost-Berlijn luxueus vond. Maar ik kwam ook in een villawijk en keek mijn ogen uit.

‘Naar de internationale school ging ik met de bus, maar ik had ook klasgenootjes die met een Mercedes werden gebracht. Dat soort verschillen kende ik niet uit de DDR. Waarmee ik vooral moeite had, was dat mensen werden gewaardeerd om hun bezit, zoals mooie kleren of een racefiets. Iemand tof vinden vanwege zijn spullen begreep ik totaal niet. Dat had ook te maken met de DDR, waar geen reclame was die je wijs maakte dat je anders dan anderen bent, wanneer je een bepaald product aanschaft. Dat wekt nog altijd weerzin bij me op.’

Hoe pakte de overgang naar een kapitalistisch systeem uit?

‘Als het denksysteem waarin je bent opgegroeid plots door een ander wordt vervangen, kun je dat tweede nooit met dezelfde naïviteit of vanzelfsprekendheid omarmen als het eerste. Daardoor begon ik als een antropoloog naar de wereld te kijken, bij alles wat me werd verteld, plaatste ik vraagtekens.

‘Mijn houding werd: wie zegt me dat wat jij me nu vertelt klopt? Daardoor en door mijn afkeer van het beoordelen van mensen aan de hand van hun spullen was het niet vreemd dat ik als puber in de punkscene terechtkwam. Dat knokken tegen het systeem, dat je niet houden aan regels, vond ik fantastisch.’

Vervolgens switchte u naar een business-studie, nogal een verschil.

‘Je kunt het systeem wel waardeloos vinden, maar toen ik een jaar of 17 was, dacht ik dat het voor mijn overleven goed was de taal van de tegenstander te leren spreken. Dat was geen omarmen van het systeem, maar vooral het willen begrijpen en er zelf een plek in willen verwerven. Toen ik eenmaal doorhad hoe ik met vertaalwerk geld kon verdienen, begon ik het als iets leegs te ervaren. ‘Oké, dan heb je geld, maar wat dan nog?’, dacht ik.

‘Tegelijkertijd begon de kracht van literatuur steeds duidelijker voor me te worden, hoe verhalen in staat zijn groepen mensen te verbinden. Literatuur werd voor mij het antwoord op de verdeeldheid die ik in mijn jonge jaren tussen Oost en West in Berlijn had ervaren en die ik daarna in Nederland in allerlei sociaaleconomische rangen en standen had meegemaakt. Toen heb ik de overstap naar de literatuurwetenschap gemaakt.’

U heeft zich in uw werk toegelegd op randgroepen zoals gevangenen en sociaal zwakkeren, vanwaar die keuze?

‘Als het kapitalistisch systeem zich presenteert als zoveel beter dan al het andere, hoe kan het dan dat groepen als armen en criminelen er niet in mee kunnen komen? Ik zie dat als een falen van het systeem. Dat houdt me bezig vanuit de solidariteitsgedachte waarmee ik ben opgegroeid. Daarom ben ik gaan onderzoeken hoe deze groepen in de literatuur worden verbeeld.

‘Wanneer we bij verkiezingen stemmen, zeggen we iets over onze eigen belangen, maar ook over andere mensen. Maar welk beeld hebben we van ze? Wat criminelen betreft wordt dat grotendeels bepaald door fictie – je maakt ze niet of nauwelijks in het echt mee, maar krijgt door films, series en boeken wel een beeld van ze.’

Welke voorstelling hebben we?

‘Wat in fictie naar voren komt, is de burgerlijke moraal: wie eenmaal fout is, is altijd fout - een crimineel is als enige verantwoordelijk, zoals een arme ook altijd schuldig is aan zijn armoede. Dat zijn twee grote denkfouten. Criminaliteit is niet alleen iemands eigen schuld, maar ook het falen van een maatschappij die niet in staat is iemand aan een zinvolle levensinvulling te helpen. Voor dat aandeel van de maatschappij is genoeg bewijs, kijk maar naar landen met goede sociale vangnetten. Daar zie je dat veel criminaliteit wegvalt, er speelt dus veel meer dan alleen maar individuele verantwoordelijkheid.

‘Dat die denkfouten nog altijd worden gemaakt, heeft lange, historische wortels – het zijn beelden die eeuwen teruggaan. Ze hebben ook nog altijd gevolgen. Het pleidooi dat populisten tegenwoordig houden om acht mensen in één cel te stoppen, komt eigenlijk neer op lijfstraffen. Want je weet dat het tot onderling geweld leidt. De achterliggende idee is dat een crimineel slecht is en daarom niet menswaardig hoeft te worden behandeld.’

Wat ziet u als uw ideaal?

‘Ik wil het potentieel van fictie inzetten om mensen aan de randen van de maatschappij in te bedden. Concreet betekent dat samen met bibliotheken van gevangenissen bekijken welke fictie en welke lesprogramma’s er nodig zijn om gevangenen te helpen hun emotionele geletterdheid te ontwikkelen. De bedoeling is ze te helpen hun eigen gevoelsleven en dat van anderen onder woorden te brengen en beter te leren lezen.’

Waarom is daarvoor fictie nodig?

‘Omdat fictie de verbeelding aanspreekt, kun je je emotioneel meer openstellen voor de personages dan voor mensen in je directe omgeving. Wanneer je buurman voor je deur staat en zegt: ‘Ik heb al mijn geld aan coke en hoeren opgemaakt, ik heb een tientje nodig’, zal je reactie al snel ‘opzouten’ zijn.

‘Maar als je een boek over zo’n personage leest, zit je te smullen en leef je mee, juist omdat je niks met zo iemand in de werkelijkheid hoeft. Tegelijkertijd verruimt het je blik – de kans dat je na lezing je buurman wat geld geeft neemt toe, blijkt uit empirisch onderzoek. In dat opzicht onderscheidt fictie zich van journalistiek met haar waarheidsclaim. Die kent fictie niet.’

U stelt dat fictie verbindend werkt. Hoezo?

‘Stel dat een bewaker en een gevangene naar een soapserie zitten te kijken en lachen om dezelfde scène. Dan vinden ze elkaar in een gedeeld verhaal – er is positieve energie die het begin van een zinvolle uitwisseling kan zijn. Of als een van mijn promovendi het gesprek aangaat met een gevangene over wat hij zoal aan fictie tot zich neemt. Dat is zo betekenisvol, hoeveel sociaaleconomische barrières zijn er dan al niet genomen?’

U wilt de reïntegratie van gevangenen in de maatschappij verbeteren. Zijn daar resultaten van zichtbaar?

‘Dat onderzoek loopt nog, maar wat we al wel hebben gezien, is dat gevangenen door onze leescursussen beter gedrag in de gevangenis vertonen, dat is al winst. In Santiago (Chileense hoofdstad, red.) hebben we kunnen constateren dat twintigers anders naar hun medegevangenen zijn gaan kijken, wat erop duidt dat hun emotionele geletterdheid is toegenomen. Ze leren niet alleen boeken te lezen, maar zijn daarna ook beter in staat mensen te lezen.’

Zijn er bepaalde eisen waaraan fictie moet voldoen om effectief te zijn?

‘Het begint ermee dat het om werk gaat dat gevangenen interessant vinden. We hebben het hier niet over literatuur waarmee Nobelprijzen worden gewonnen – biografieën van sporters en muzikanten liggen goed. Wat belangrijk is, is dat personages ook een ontwikkeling doormaken. Zijn ze alleen maar goed of slecht dan zijn ze minder geschikt om empathie mee te ontwikkelen.

Bij gevangenen moet je niet aankomen met literatuur waarmee Nobelprijzen zijn gewonnen

‘Een voorbeeld? In Nederland heb je iemand als Lex Kroon, die Ik lach om niet te huilen schreef (speelt zich af in de Rotterdamse onderwereld, red.). Dat inspireerde later Özcan Akyol tot het schrijven van Eus, ook zo’n boek waarin gevangenen zich kunnen herkennen.’

Wat hoopt u te bereiken?

‘Een breder maatschappelijk bewustzijn over het belang van verhalen vertellen en wat dat voor ons denken kan betekenen, het denken over onszelf begint met fictie. Daarachter ligt mijn behoefte aan verbinding. Ik zou die niet zo sterk voelen, als er niet zo veel verdeeldheid is. Er lijkt wel van regressie sprake met al het groeiende nationalisme en de toenemende bereidheid tot geweld.

‘Als tegenkracht geloof ik in de verbindende kracht van fictie. Op Groningse middelbare scholen praat ik daar graag over. Dan is mijn boodschap aan leerlingen: voordat je je in de zwaartekracht of handelsrekenen verdiept, ga eerst eens na wie je bent en hoe je je tot anderen verhoudt aan de hand van alle fictie die je dagelijks tot je neemt. Hopelijk leren ze zichzelf en anderen daardoor beter zien en aanvaarden.’

Boekentip: Graafdier, Nikki Dekker

‘Een oefening in op je plek en in jezelf aankomen aan de hand van graven in de bodem – Nikki Dekker reist via een tunnel terug in de tijd. In deze tijd van consumptiemaatschappij, versplinterde aandacht en werkdruk leert haar boek hoe waardevol het is oog voor je omgeving te hebben.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next