Boeren in mentale nood Wetten en regels, geldzorgen, een slecht imago – veel boeren hebben het zwaar. Paul Bruggeman (64) uit Mariënheem ging járen door, tot het zwart werd voor zijn ogen.
Hij had een beetje pijn in zijn armen, zijn benen waren wat stram, maar verder voelde hij zich prima die avond. Even in de auto naar zijn boerderij in Tiendeveen voor een klusje en dan gauw weer terug naar huis. Terwijl hij zijn Mercedes over de N348 stuurde dacht hij aan Etiënne, zijn zoon. Die stond met de trekker voor het distributiecentrum van de Jumbo in Mariënheem om te protesteren. Ze zouden er de hele nacht en de volgende dag blijven. Er waren optredens, hamburgers, een grote trekker was zwart gespoten. ‘De bom barst’, stond erop.
Het waren broeierige dagen in die vroege zomer van 2022. De minister had een kaartje gepresenteerd waarop stond in welke gebieden er te veel stikstof werd uitgestoten. Ineens zagen boeren massaal dat ze misschien wel zouden moeten stoppen. Overal waren ze de straat op gegaan. En nu stond zijn zoon erbij, vlak bij de thuisboerderij in Mariënheem, waar de familie al decennia boerde.
Onder boeren in Nederland is het aantal zelfdodingen hoog – van alle Nederlandse beroepsgroepen lopen boeren het grootste risico op suïcide. Door onzekerheid over de toekomst, geldzorgen en eenzaamheid is de psychische nood op het platteland hoog, al jaren, maar daarop rust nog altijd een taboe.
In een serie van drie interviews beschrijft en onderzoekt NRC dit thema.
Deze week aflevering 1: de melkveehouder die (net) op tijd stopte.
Aflevering 2: onderzoekers over hulp aan agrariërs
Aflevering 3: de Belgische schrijver die zijn boerende broer verloor
Ineens, hij voelde het niet aankomen, werd het melkveehouder Paul Bruggeman zwart voor de ogen. Toen hij bijkwam zag hij dat zijn auto in de prak lag. Hij schudde versuft zijn hoofd. Probeerde zijn armen en benen te bewegen. De politieman die later kwam zei dat hij een engeltje op zijn schouder had gehad.
De volgende ochtend hing zijn schouder naar beneden, zijn rug was een stalen schroef, zijn armen bewegen ging nauwelijks. „Je gaat er niet naartoe, Paul”, zei Annelies, zijn vrouw. Neuh, zei hij. Even later zat hij naast haar in de auto. Ze stopten op 500 meter van de meute, die na een nacht protesteren nog altijd voor het distrubutiecentrum stond. Zagen hun zoon staan, met zijn trekker en een negen meter lange wagen, tussen honderden boeren. Hij wist dat Etiënne al een poos niet goed sliep van de onzekerheid over zijn toekomst. Toen hoorde hij dat de Mobiele Eenheid zou gaan ingrijpen.
Hij belde Etiënne: nu vertrekken, ze vegen het leeg. En vijf minuten later belde hij nog eens. Woedend. Toen pas ging zijn zoon weg. Zelf liep hij op de menigte af, samen met een agent. Hij was het eens met de boeren, zijn mensen. Hij was zelf al jaren met de overheid in een juridisch gevecht omdat zijn boerderij moest krimpen voor een natuurgebied. Maar knokken met de politie zou niks oplossen. Gelijk hebben en gelijk krijgen is iets anders – dat had hij wel geleerd. Hij praatte op ze in. De eerste mensen vertrokken snel. Je gaat de bietenbrug op, zei hij. Dit gaat fout, denk aan je vrouw en kinderen. Toen ging de rest ook.
De ochtend daarop klopte Annelies naast zich op de bank. „Paul”, zei ze, „wat wil je nou? Je hebt de hemel gezien, en kijk eens naar wat we hier hebben opgebouwd. Dat ongeluk gebeurde niet zomaar.” Hij nam een slok koffie en binnen vijf minuten waren ze eruit: hij zou stoppen met boeren. Hij zou hulp zoeken.
Emissies, ammoniak, stikstof, zuurgraad. Boeren praten over weinig anders tijdens het eten. Het leidt tot felle discussie, soms tot protesten. Maar over sommige zaken praten ze niet. Die sluimeren, die raken bedolven. Tot ze zichzelf naar het oppervlakte dwingen.
Onder geen andere beroepsgroep in Nederland komen zoveel zelfdodingen voor als bij boeren. Tussen 2013 en 2023, blijkt uit de meest recente cijfers , kwamen gemiddeld 17 per 100.000 agrariërs om het leven door suïcide. Het gaat om meerdere boeren per maand, al tien jaar lang, berekende 113 Zelfmoordpreventie eerder dit jaar in samenwerking met belangenorganisatie LTO. Het suïciderisico bij boeren is meer dan twee zo hoog als voor mensen die werken in de zakelijke dienstverlening, het onderwijs of de zorg. Risicofactoren die volgens de organisaties bij boeren „vaker aanwezig zijn”: hoge druk door steeds veranderende wetten en regels, geldzorgen en het „negatieve imago” van de agrarische sector.
En het vak is al onzeker. Dieren kunnen ziek worden, prijzen van melk, eieren en gewassen schommelen. Regen, storm en droogte kunnen oogsten bederven. Tijdens de mond- en klauwzeercrisis van 2001 liepen veel boeren post-traumatische klachten op.
Het zijn zorgen die Nederlandse boeren delen met collega’s in de hele wereld. Eén op de vijf boeren in Europa heeft depressieve gevoelens, ongeveer een kwart krijgt een burn-out, staat beschreven in een studie van het Europees Agentschap voor een veilige en gezonde werkomgeving die eind vorig jaar werd gepubliceerd.
Het suïcidecijfer onder boeren is overal hoog. In een Iers onderzoek uit 2023 zei één op de vijf boeren in de laatste twee weken suïcidale gedachten te hebben gehad. In Frankrijk maakt elke twee dagen een boer een einde aan zijn leven; de kans dat een boer daar sterft door suïcide is meer dan twee keer zo groot dan gemiddeld in het land. In Italië gaat het om vergelijkbare cijfers, in de Verenigde Staten is het risico op zelfdoding onder boeren 3,5 keer hoger dan gemiddeld.
Dat zoveel boeren tot de wanhoopsdaad worden gedreven komt mede doordat in traditionele plattelandsgemeenschappen weinig ruimte is voor mentale problemen of om daarover te praten, staat in het rapport.
„Hulp vragen is een kracht, maar het wordt door boeren vaak gezien als falen”, zegt Piet Boer, de voorzitter van Zorg voor Boer en Tuinder, een organisatie die hulpverleners koppelt aan boeren met problemen. Er zijn maar weinig agrariërs die als kind hebben geleerd om te praten over problemen. Wat op het erf misgaat, neem je niet mee het voorhuis in. Boer: „‘Kop d’r veur en goan’, dat zit heel diep in de cultuur. Maar wat op het werk misgaat heeft altijd zijn weerslag op het gezin, en dat kan voor grote spanningen zorgen”.
Midden jaren negentig maakte Geert Mak in zijn geschiedschrijving Hoe God verdween uit Jorwerd al melding van de mentale problemen die meer en meer boeren ervaren. Er was al een SOS-lijn voor agrariërs in psychische nood. Het probleem verdween nooit, en toch hebben maar weinig mensen het erover. Terwijl politici over elkaar heen buitelen in discussies over stikstof en de toekomst van boeren, komt dit thema weinig aan bod – al riep BBB-voorvrouw Caroline van der Plas onlangs in een debat zonder daar bewijs voor te leveren dat milieuorganisaties boeren tot zelfmoord drijven.
En juist ook aan de keukentafels van boeren die mensen kenden die uit het leven stapten of die collega’s zien worstelen, blijft het stil.
Hij was aan het werk op het land, achter het huis in Mariënheem, een dorp in de Sallandse gemeente Raalte. Twintig jaar geleden is het alweer. Twee trekkers aan elkaar, vastgebonden met een stalen kabel en een haak. Dubbel werk in dezelfde tijd. Toen sprong de kabel los en zwiepte met een enorme vaart recht in het gezicht van Paul Bruggeman. Hij was toen 43 jaar, zijn vijfde kind was net geboren.
„Ik ben voor de organen nog weggebracht, zeiden ze later. Ze moesten afscheid van me nemen. Maar ik ben niet doodgegaan, en ook geen kasplantje geworden”, vertelt hij aan een ruwhouten tafel in het achterhuis van de boerderij. Paul Bruggeman (64) raakt even het litteken op zijn voorhoofd aan, dat doet hij vaker als hij nadenkt. Zwarte koffie, een mariakaakje, om hem heen allerlei spullen die hij verzamelde. Een boekenkast in de vorm van een Engels telefoonhokje, een schilderij van een koe, een opgezette vos. Door de ramen is het erf te zien, de hond, de ganzen. Sommige van de kinderen – vier meisjes, één jongen – hebben het ongeluk zien gebeuren.
Zijn ouders boerden hier al, in het klein nog, alles met de hand. Hij leerde het vak van zijn vader. Geen prater, wel iemand van oneliners, met een goed gevoel voor strategie en bedrijfsvoering. Zijn moeder praatte wel, maar niet over hoe ze zich voelden. Een groot gezin hadden ze, met negen kinderen, het was hard werken om alle monden te voeden.
Toen Paul Bruggeman het overnam, begin twintig, wist hij dat het bedrijf moest groeien om te overleven. Dat lukte, samen met Annelies, maar het was alsof alles wat er mis kon gaan hen overkwam. Pure pech, denkt hij, gelovig is hij nauwelijks, dat is meer iets van Annelies.
In het begin hadden ze de varkens, steeds meer. Toen kwam de varkenspest in 1997. „Och jee, al die varkens die lagen te creperen in de stal. Dat voel je hoor.” Zijn vader zei: wij hadden een vijand in de oorlog, maar jullie hebben de varkenspest en dan kun je niemand aanvallen. Dat leek hem nog erger. Toen het voorbij was, kwamen ze voor het eerst kort in contact met het maatschappelijk werk, om het af te sluiten.
Het bedrijf groeide, de verdiensten waren goed. Toen mond-en-klauwzeer, in 2001. Blaren in de bek, op de uiers, de poten, maar niet bij zijn dieren. Er mocht van alles niet meer. Stond een man van de toezichthouder met een verrekijker naar zijn erf te kijken. In het hele land werden honderdduizenden dieren afgevoerd en gedood – ook als ze nog gezond waren. Protesten waren er, er werden in een ander dorp een paar ambtenaren gegijzeld. En Paul Bruggeman zei tegen de man met de verrekijker: „Je bent niet de boze geest, maar als je het erf op komt belanden wij samen in het ziekenhuis. Deze jongen gaat nu doen wat hij moet doen als boer.” Hij ging gewoon aan het werk – niemand kwam het erf op.
Het trekkerongeluk gebeurde een paar jaar daarna. Annelies zat met de vijf kinderen, hij kon nog geen stap zetten. In de revalidatiekliniek zag hij een vrouw zonder benen. Ze was meestal vrolijk, viel hem op. En hij dacht: ik kan nog lopen, ik zal weer lopen, en als zij goede moed houdt doe ik dat ook. Geen cent werd er meer verdiend en de bank klopte aan de deur. Steeds harder, tot ze na een jaar of drie zeiden: verkoop de boel maar.
Hij praatte met Annelies. Zijn lichaam voelde alweer wat sterker, hij kon meer doen op de boerderij. Als bestuurder zat hij bij allerlei vergaderingen. Het zag er economisch niet slecht uit. Ze hadden hetzelfde gevoel: alles zit tegen, maar we hebben elkaar, en na slechte komen altijd goede jaren. „Toen heb ik tegen mezelf gezegd: Paultje, je gaat het misschien niet redden, maar je gaat het wel doen.”
Er waren genoeg mensen die hem niet begrepen. Al die ellende, en waarom? Zeker toen er ook nog een grote uitslaande brand was in de opslag- en machineloods, zeiden mensen: verkoop de hele rotzooi en ga op de bonnefooi leven. Pak je rust, neem de tijd met de kinderen. Maar voor hem werkt dat niet zo. Hij nam afscheid van de varkens en nam er meer koeien bij. „Wij wilden ons leven in dienst stellen van het boerenbedrijf. Het zit in elke vezel. Dus dan is het huilen, dan is het vechten, door onbegrip bijten, privé alles wegzetten. Geïsoleerd raken. Maar er is geen tijd om na te denken. Als het op is, is het op. Maar de stopknop heb ik nooit hoeven indrukken.”
Als het de boer tegenzit dan kiest hij meestal voor „doorpakken, niet te veel praten, werken”, vertelt Piet Boer van Zorg om Boer en Tuinder. Hij kent Paul Bruggeman niet, maar zijn verhaal lijkt volgens hem op dat van vele andere boeren die hulp zoeken.
Voor de telefonische hulplijn van zijn organisatie werken vijftig mensen. Steeds vaker worden ze gebeld door boeren met psychosociale problemen, en dat heeft volgens Boer alles te maken met de overheid die er niet in slaagt om Nederland uit de stikstofcrisis te loodsen. De laatste jaren, zegt hij, is „de noodzaak van een hulplijn” alleen maar groter geworden. Naast de medewerkers van Zorg voor Boer en Tuinder, die doorlopend zo’n 60 hulpvragen behandelen, is er ook nog Taboer, eveneens een onafhankelijk loket waar boeren terecht kunnen met hun problemen. Daar kwamen de afgelopen twee jaar 165 meldingen binnen. Dat er mensen de telefoon opnemen die het boerenbestaan kennen is belangrijk, want de huisarts en geestelijke gezondheidszorg zijn vaak onbekend en soms onbemind. „Ze spreken de vaktaal niet altijd, begrijpen de context van de problemen niet goed”, zegt Boer.
„In onze meldingen zien wij een duidelijke verschuiving. Vroeger belden mensen omdat er financiële problemen waren of iets in het gezin, nu zijn mensen bezorgd over hun toekomst. Mensen zijn bang voor rechtszaken van natuurclubs, bang dat ze ineens moeten stoppen. Ze hebben het gevoel dat ze niet meer kunnen vertrouwen op de overheid. Dat kan zoveel onzekerheid geven dat ze in een diepe crisis terechtkomen. Áls een boer belt, kan hulp meestal niet meer wachten.”
Een man een man, een woord een woord. Zo is het voor Paul Bruggeman altijd geweest. Hij sluit deals, ook als het om veel geld gaat, liefst met een handdruk. Jij gelooft alles veel te makkelijk, zegt Annelies vaak tegen hem. Hij weet het, maar zo is hij nu eenmaal. Dus toen hij zijn boerderij ruim tien jaar geleden moest verplaatsen en verkleinen om ruimte te maken voor het beschermde natuurgebied in de buurt, het Boetelerveld, sloot hij een deal met de ambtenaren van de provincie. Hij zou verhuizen, zij zouden een flink bedrag aan subsidie betalen.
Het ging mis. Hij dacht zes ton te krijgen, de provincie betaalde er twee. Moest hij naar de Raad van State om zijn gelijk te halen – hij won. Daarna wéér een conflict, want de provincie rekende opnieuw en keerde in zijn ogen niet het hele bedrag uit. Ze kwamen er niet uit en een tweede zaak bij de hoogste bestuursrechter verloor hij. Kostte hem volgens zíjn berekeningen een paar ton. „Ik ben gepiepeld, geplaagd en gepest, maar uiteindelijk moet je het loslaten”, zegt hij.
Nu kan hij dat. Hij heeft het moeten leren.
Die ochtend na zijn auto-ongeluk en de protesten bij de Jumbo, toen Annelies en hij besloten om te stoppen met boeren, heeft hij meteen een e-mail gestuurd aan het maatschappelijk werk in Raalte. Hij had er een advertentie van gezien in de nieuwsbrief van de gemeente. Een paar zinnen stuurde hij maar: ik ben boer, ik ga stoppen en heb veel meegemaakt. Ik heb hulp nodig.
Hij kon meteen terecht bij de agrarisch hulpverlener, een boerendochter die het maatschappelijk werk was ingerold. Dat is nu drie jaar geleden. Hij vond het heerlijk om te praten. Zo fijn om alles eens met iemand te delen. Ze keken niet alleen naar hem zelf, maar ook naar wie hij is in zijn gezin. Hij leerde er veel van, maar hij was moe, zo moe. Weken, maanden ging hij praten. Eindelijk begreep hij dat hij nooit had geluisterd naar zichzelf. Dat zijn lichaam zichzelf uiteindelijk had uitgeschakeld, tijdens die autorit. Nu kwam alles eruit. Niet makkelijk, wel goed. Hij staat vaak aan het veldje waar zijn zwarte zwanen scharrelen om na te denken.
Hij had nooit echt gekeken naar wat hij had bereikt. Ondanks alles: een bloeiend bedrijf, met drie locaties. 300 hectare grond, 440 melkkoeien, mooie machines. De locatie in Tiendeveen goed kunnen verkopen. Ze wilden hem bij het maatschappelijk werk leren dat hij trots mocht zijn, en dat ook mocht zeggen. Zo ver is hij nog niet.
In Mariënheem zal het allemaal wat kleiner worden. Minder dieren, minder machines, langzaam neemt hij afscheid van het bedrijf. De kinderen willen het niet overnemen. Zijn dochter misschien één van de boerderijen, maar niet alles. Met Annelies is hij onlangs een dagje naar Limburg geweest. Een klein wit kappelletje zagen ze. Ze gingen naar binnen, het raakte hem, de eenvoud.
„Je hoort soms in onze wereld dat mensen eruit stappen. Zo ver kwam het bij mij nooit, gelukkig. Maar ik kan begrijpen dat het te veel wordt. Wees dan niet te groot, en ga met iemand praten. Er zijn mensen die je willen en kunnen begeleiden, het helpt echt. Al kunnen we misschien nooit helemaal begrijpen wat mensen drijft. De mens is uiteindelijk maar heel klein, heel nederig.”
Praten over zelfdoding kan gratis, anoniem en 24/7 bij de landelijke hulplijn 113 Zelfmoordpreventie. Telefoon: 0800-0113. Of chat op www.113.nl
Source: NRC