Home

De beste investering is sociaal kapitaal, weet de SCP-directeur: ‘Als je huis overstroomt, zijn het je buren met wie je zandzakken legt’

Bij een ramp gaat een noodpakket je niet redden. Je buren misschien wel, daarom moet de overheid investeren in brede gemeenschappen, betoogt SCP-directeur en bijzonder hoogleraar Karen van Oudenhoven. ‘Sociale steun is een van de belangrijkste bronnen van veerkracht.’

Veelzeggend vond ze het, de oproep van de regering om een noodpakket in huis te halen met zo’n knijpkat, bonen en 3 liter water per dag zodat je als burger voorbereid bent op noodsituaties. Want veel te eenzijdig én wel erg individualistisch. Terwijl je het volgens Karen van Oudenhoven, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, veel meer over de veerkracht van mensen en gemeenschappen moet hebben als je een weerbare samenleving nastreeft. Dat was dan ook de boodschap van haar oratie deze vrijdagmiddag: ze is sinds 2023 ook bijzonder hoogleraar maatschappelijke veerkracht aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Stapels onderzoeken laten namelijk onmiskenbaar zien dat als de nood aan de man is, je het vooral van de mensen om je heen moet hebben; van buren en familie en andere sociale contacten. Maar óók: dat niet iedereen daar evenveel aanspraak op kan maken.

Zo bleek uit een van die onderzoeken naar de impact van een extreme hittegolf in Chicago dat er in de ene arme wijk veel minder ouderen stierven dan in een andere, even arme wijk. Puur omdat die buurt over meer plekken beschikte als winkeltjes, restaurants en parken waar mensen elkaar in het dagelijks leven tegenkwamen. Daardoor kenden ze elkaar en keken naar elkaar om. Sociaal kapitaal – de relaties van mensen en hun onderlinge vertrouwen – zorgt voor saamhorigheid en sociale cohesie.

Crisissituaties

‘Als je als overheid dus wilt benadrukken dat burgers ten tijde van hybride oorlogsvoering en klimaatrampen zelfredzamer moeten zijn, moeten ze ook weten dat die sociale cohesie van groot belang is in crisissituaties’, vindt Van Oudenhoven.

Temeer omdat veel Nederlanders het gevoel hebben dat die saamhorigheid ver te zoeken is in de samenleving en dat het ieder voor zich is. En de overheid de burger bovendien meer dan ooit nodig heeft.

Hoe maak je een samenleving dan veerkrachtig? En hoe krijg je Nederlanders, die de afgelopen decennia weinig te maken hadden met natuurrampen en andere calamiteiten, zover dat ze zich gaan voorbereiden op een toekomst waarin die zich zeker vaker zullen gaan voordoen?

Heeft u zelf eigenlijk een noodpakket?

‘Ik moet bekennen dat ik er niet heel actief mee bezig ben geweest, terwijl ik dat wel had moeten doen. Maar ik heb een soort lightversie gekregen met een waterfilter, als cadeautje toen ik meedeed aan een panelgesprek.’

Het is geen stil verzet?

‘Nee, het is zeker nuttig om voorbereid te zijn. Alleen kun je wel tot dit soort noodmaatregelen oproepen, maar als er een crisis is, hangt veel af van hoe mensen zich zullen gedragen. En dát moet je burgers ook vertellen.

‘Uit onderzoeken naar rampenbestrijding weten we dat de meeste mensen bijvoorbeeld gered worden door een buur of familielid, niet door een reddingswerker. Als je huis overstroomt, zijn het je buren met wie je zandzakken voor de deur legt en van wie je mentale steun krijgt.

‘Tegelijkertijd zien we ook dat als een crisis langer aanhoudt en de hulp traag op gang komt, mensen juist hun eigen hachje redden. Dan kan het zijn dat er supermarkten geplunderd worden en is de solidariteit ver te zoeken – logisch, want als er honger en gevaar dreigt, doe je alles om je kinderen te beschermen.

‘Het bijzondere is dat als er vóór de ramp een sterke gemeenschapszin aanwezig was, het ‘wij-gevoel’ tijdens rampspoed groter wordt en verder reikt dan het eigen ik of gezin. En dan is de kans groter dat mensen elkaar helpen en gezamenlijk een oplossing gaan zoeken, bijvoorbeeld voor die voedseltekorten. Het is dus zaak dat je op voorhand investeert in sociale samenhang en connecties tussen mensen. En daar is met dat noodpakket veel te weinig oog voor.’

Speelt geld niet een veel grotere rol dan gemeenschapszin? Zijn het niet gewoon de rijkste buurten die na een ramp het snelste opkrabbelen?

‘Dat is óók zo, maar vooral omdat rijke mensen kwalitatief betere netwerken hebben. In de eerste uren van een ramp ben je vooral aangewezen op je directe omgeving, je bonding social capital, zoals we dat in de sociologie noemen: je familie en buren. Maar naarmate de situatie langer duurt en je moet gaan beslissen of je blijft of wegtrekt, of hoe je de boel weer gaat opbouwen, heb je andersoortige contacten nodig, contacten buiten je eigen kringetje.

‘Rijke mensen hebben niet alleen meer geld, ze beschikken ook vaker over een netwerk met meer hulpbronnen. Ze hebben toegang tot iemand met een sleepwagen, zijn bevriend met een arts in het ziekenhuis, hebben het telefoonnummer van een politicus. Ze beschikken dus over meer informatie en kunnen zaken sneller regelen.

‘Als er connecties zijn tussen arme en rijke gemeenschappen, kunnen ook armere wijken daarvan profiteren en krabbelen ze sneller op – bridging capital genoemd. Een katholieke kerk in New Orleans vervulde die rol bijvoorbeeld na orkaan Katrina voor een arme Vietnamese gemeenschap, waardoor de wederopbouw van hun wijk zelfs sneller verliep dan in een minder beschadigde buurt verderop.’

In Nederland nemen de contacten tussen verschillende groepen juist af, blijkt uit onderzoek van het SCP. Dat is dus ook in het licht van rampenbestrijding slecht nieuws?

‘Nou, de sociale samenhang tussen Nederlanders is nog best hoog, ook al hebben veel mensen het gevoel dat de samenleving gepolariseerd is en mensen elkaar steeds minder vertrouwen. Zeker in vergelijking met andere Europese landen scoren we nog altijd goed: op Finland na het hoogst van allemaal. Maar dat zijn gemiddelden.

‘Kijk je naar specifieke groepen, dan zijn de verschillen groot. Dan zie je dat praktisch opgeleiden minder vertrouwen hebben in de medemens – logisch ook, want vaak wonen ze in buurten waar meer armoede is, en overlast en criminaliteit. Zorgelijker is dat theoretisch opgeleiden weliswaar veel vertrouwen hebben in hun eigen groep, maar met dedain kijken naar praktisch opgeleiden. Hun neus voor hen ophalen.’

Geldt dat ook voor etnische groepen?

‘Uit onze onderzoeken blijkt weliswaar dat Nederlanders een negatievere houding hebben ten opzichte van mensen met een Arabische achtergrond of een Oost-Europese, maar etnische verschillen bedreigen de sociale samenhang minder sterk dan de houding van theoretisch opgeleiden ten opzichte van praktisch opgeleiden. Iedereen denkt altijd dat diversiteit de grote boosdoener is, maar het opleidingsverschil is een veel grotere bedreiging. We moeten dus niet zo angstig zijn voor de multiculturele samenleving. Mensen moeten vooral uit hun bubbels komen.’

Hoe haal je mensen uit hun bubbels?

‘Als je constateert dat arm en rijk elkaar minder tegenkomen, moet de overheid plekken creëren waar dat wel gebeurt. Dat schept al een band, zoals het Chicago-onderzoek ook liet zien. Zelf woon ik vlakbij het Oosterpark in Amsterdam. En hoewel veel buurten daar inmiddels ook onbetaalbaar zijn, is het park een plek waar mensen komen uit alle sociale lagen en met allerlei culturele achtergronden: je eet er allemaal een ijsje, zit op de rand van de zandbak met je kind, gaat er allemaal picknicken. Dat gaat stereotypen tegen en benadrukt de gemeenschappelijkheid in plaats van de verschillen.’

Elkaar een ijsje zien eten, helpt ons nader tot elkaar te komen?

‘Het is een eerste stap. ‘Publieke familiariteit’, noemt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid dat: lichte, herhaalde contacten tussen mensen die het vertrouwen in elkaar bevorderen. De volgende stappen zijn bijvoorbeeld vrijwilligerswerk en sociale buurtinitiatieven, omdat ook die mensen van verschillend pluimage bij elkaar brengen. Zoals ‘taalmaatjes’ bijvoorbeeld: vrijwilligers die nieuwkomers helpen om Nederlands te leren. Of ‘voorzorgcirkels’: clubjes ouderen die elkaar helpen. De een kan geen auto rijden, maar wel goed koken en zo ondersteunen ze elkaar in het dagelijks leven. Maar dat kunnen ze ook doen in tijden van nood. Sociale steun is een van de belangrijkste bronnen van veerkracht. Daar komt bovenop dat groepen die betrokken zijn bij elkaar ook creatiever zijn in het oplossen van problemen.’

Hoe hangt die sociale cohesie samen met veerkracht?

‘Een meerderheid van de Nederlanders denkt dat hun kinderen en kleinkinderen het slechter gaan krijgen dan zijzelf. Dat heeft te maken met de geopolitieke situatie van dit moment, met de oorlogen in Gaza en Oekraïne, maar ook door de nu al merkbare gevolgen van de klimaatcrisis. Veerkracht gaat over het vermogen van individuen en gemeenschappen om met dat soort verstoringen van het gewone leven om te gaan.

‘Gaat het om een eenmalige verstoring, zoals een overstroming, dan moet je daar mentaal wel van herstellen en dan helpt het als je sociale steun krijgt van je omgeving, maar ben je bovenal bezig met het oplossen van het probleem. Lastiger wordt het als je weet dat het vaker gaat gebeuren en je je daarop moet voorbereiden. Of wanneer het hele systeem op de schop moet, zoals nu met de klimaatcrisis, en we anders zullen moeten gaan wonen, eten, verwarmen en ons verplaatsen. Technisch kunnen we veel, maar de mens is een gewoontedier, dus zo’n aanpassing roept weerstand op en vraagt een enorme veerkracht.’

Hoe vergroot je die?

‘Als je weet dat die veerkracht wordt bepaald door mensen zelf en de banden die ze met elkaar hebben, moet je daar als overheid gebruik van maken. Want als mensen gezamenlijk veranderen, veranderen ook de sociale normen en wordt een transitie makkelijker.

‘Kijk bijvoorbeeld naar de discussie die nu speelt over het telefoongebruik van kinderen. Wat als individuele ouder niet lukt, slaagt wel in schoolverband. We willen namelijk allemaal ergens bij horen en niet buiten de groep vallen.

‘Maak voor de energietransitie gebruik van al die buurtinitiatieven waarin mensen al gewend zijn elkaar te helpen en elkaar vertrouwen. Een gesprek in het buurthuis over warmtepompen werkt beter dan dat je als overheid binnenstapt en zegt: wij komen jullie even vertellen dat je van het gas af moet. Of: er komt een crisis aan – hier heb je het noodpakket.’

Er zullen mensen zijn die zeggen: calamiteiten opvangen, energieproblemen oplossen? Daar hebben we toch juist een overheid voor?

‘Om te beginnen kunnen overheid en crisisdiensten niet overal tegelijk zijn als er zich een ramp voltrekt. Maar ook los daarvan heeft de overheid de burger steeds meer nodig. Door vergrijzing, krapte op de arbeidsmarkt en forse investeringen in de energietransitie en defensie, kan die overheid niet meer alles betalen en doen.

‘Neem de zorg. Burgers zullen daar veel meer moeten gaan helpen. Het SCP is nu bezig met onderzoek naar zorgzame buurten. Als je wijken anders inricht, bijvoorbeeld met woongemeenschappen en hofjes, gaan mensen elkaar sneller helpen en nemen ze meer zorgtaken op zich. Dat gaat veel verder dan publieke familiariteit.’

Je kunt deze initiatieven ook uitleggen als reactie op een overheid die steken laat vallen. Het aantal energiecoöperaties groeide van 0 naar 330 in 2023. Er zijn steeds meer zorgcirkels, pluktuinen en buurtgezinnen die gezinnen ondersteunen die het moeilijk hebben.

‘Of vrijwilligers die nieuwkomers helpen met integreren – het zijn bijna substituten voor overheidsdiensten geworden. Ze springen in de gaten die ontstaan. Soms gewoon omdat mensen het leuk vinden om te doen. Maar ook omdat mensen geërgerd raken en denken: ja, hallo, we willen gewoon betaalbare biologische groenten van dichtbij.

‘Het is ook een mooie vorm van veerkracht die beter werkt dan hulpeloos afwachten tot de overheid het oplost omdat we toch in een verzorgingsstaat leven. Dat laatste leidt tot teleurstelling, want die is in zijn huidige vorm niet meer houdbaar. Als je zelf taken oppakt wordt het een vorm van coping: het geeft je een goed gevoel dat je iets bijdraagt. Er lijkt zo trouwens bijna een nieuwe vorm van verzuiling te ontstaan, want de burgers die bepaalde waarden delen, organiseren zich rond een bepaald thema. Dat is ook een manier om hun identiteit vorm te geven.’

Maar die buurtinitiatieven zijn wel weer eenvormig.

‘Dat kan, maar dat hoeft niet. Je ziet dat ze verder reiken dan een buurt of dat buurtinitiatieven via allerlei whatsappgroepen en bijeenkomsten contact hebben om van elkaar te leren. In die zin kunnen ze juist ook die brugfunctie vervullen. Want hoewel dit geen crisisorganisaties zijn, zijn het wel mensen die contact hebben met elkaar en de buurt die kunnen samenwerken, waardoor ze ook ten tijde van calamiteiten een netwerk hebben van mensen die elkaar weten te vinden en elkaar zullen helpen. Er is veel animo voor, maar het gedrag van de overheid is daar nog niet op ingesteld.’

Wat moet de overheid anders doen?

‘De overheid zit nog in de oude rol van bepalende opdrachtgever. Dus: je krijgt subsidie als je aan de voorwaarden van de gemeente voldoet. Veel burgers percipiëren de overheid als vijandig, niet als behulpzaam.

‘Als je dan als overheid tegelijkertijd moet erkennen dat je die burgers nodig hebt om de samenleving draaiende te houden, en je ziet ze overheidstaken oppakken en zelf vormgeven, dan is het tijd om je ontvankelijker op te stellen. Meer vanuit de gedachte: wat hebben jullie nodig? Als de overheid top-down blijft opereren, schept ze de verwachting dat ze het op gaat lossen. En dat kan de overheid niet waarmaken waardoor burgers teleurgesteld raken.

‘Ik pleit voor een receptieve en empathische overheid, zowel op gemeentelijk als landelijk niveau. Ook omdat ze in een steeds pluriformer wordende samenleving de taak heeft om als verbinder op gemeenschappelijke waarden te blijven wijzen.’

In welke situatie had de overheid die verbindende rol kunnen spelen?

‘De massale demonstraties tegen het geweld in Gaza waren een uitgelezen kans geweest. Hier liep een doorsnede van de Nederlandse bevolking: jong, oud, van verschillende culturele achtergronden, vaak mensen die nog nooit hadden gedemonstreerd. En die toonden hun ongerustheid en hun machteloosheid over wat er nu in Gaza gebeurt. Over allerlei groepsgrenzen heen. Benoem vooral dat laatste ook, want juist verbindingen over groepsgrenzen heen maken gemeenschappen veerkrachtiger.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next