Home

De boeroes dachten dat in Suriname grote boerderijen op hen wachtten. Dat bleken gammele junglehutten

Boeroes Een groep van een paar honderd arme Nederlandse boeren kwam 180 jaar geleden naar Suriname. Hun nazaten maken met andere groepen deel uit van de huidige, multi-etnische Surinaamse samenleving.

Familie Loor, Lelydorp. Drie broers met twee zonen.

Afgelopen week was in Suriname de aftrap van een speciaal herdenkingsjaar, dat in het teken staat van een groep van 384 arme Nederlandse boeren en hun gezinnen die 180 jaar geleden naar Suriname kwamen. Boeroes worden ze genoemd, boeren in het Sranantongo, en hun nazaten maken met andere groepen deel uit van de huidige, multi-etnische Surinaamse samenleving.

Albertus Loor en Steyntje Rijsdijk met hun kinderen, 1893.

Matthew Loor

David Loor

Het huis van André Loor en zijn vrouw Judith Lie Kwie Sjoe aan de Henderijkus Loorweg in Paramaribo.

Het oude, leegstaande huis van de familie Loor in Lelydorp.

De komst van de boeren wordt elk jaar herdacht, bij een monument in het dorpje Groningen – maar dit jubileumjaar is er extra aandacht. Op 20 juni, de dag dat de Nederlandse boeren aankwamen, was er een eenmalige vrije dag; er is een speciale herdenkingsmunt geslagen, en er zijn het hele jaar door activiteiten. Zo is er tot 18 juli in het Nationaal Archief in Paramaribo een tentoonstelling van werk van de Nederlandse fotograaf Ton Groot Haar, die zo’n honderd nakomelingen van boeroes en hun families fotografeerde en daar een bijzonder boek van maakte. Hij dook in familiegeschiedenissen, tekende verhalen op en maakte ook gebruik van historische foto’s van de Surinaamse fotograaf Julius Muller (1846-1902). Ook brengt Groot Haar de gebieden in beeld waar de boeren zich vestigden en waar sommigen nog steeds landbouwbedrijven hebben.

Wilhelmina van Brussel-Rozenberg met een jonge panter. Vrouw van landboer Cornelis Anthonie van Brussel, die bekend stond als ‘beestenboer’. Hij handelde in dieren, ook met Artis in Amsterdam.

Op 20 juni 1845 zetten de boerenfamilies uit voornamelijk Overijssel en Gelderland voet aan wal in Suriname, met als doel daar een landbouwkolonie te stichten. In Nederland waren ze, na meerdere mislukte oogsten, in armoede terechtgekomen. De Nederlandse dominee Arend van den Brandhof uit Veenendaal spiegelde hun een prachtige toekomst voor: in het nieuwe land zouden mooie grote boerderijen op hen wachten, een veestapel, vruchtbare grond.

Vier eerste generaties Boeroes, 1893. Van links naar rechts: Vlnr: Cornelis Antonie van Brussel, Gijsbert Rijsdijk, Teunis Veldhuizen en Reinbertus Aloysius Tammenga.

Het varkensbedrijf van Lex van Dijk. Hij kocht op zijn 26ste dertien biggetjes en heeft nu achtduizend varkens. Hij is zesde generatie en stamt af van Gijsbert van Dijk, die aankwam in 1845 met zijn vrouw en kinderen. Alle Van Dijk’s in Suriname met een Boeroe-achtergrond stammen van hen af.

In Suriname begon op dat moment de discussie over de afschaffing van de slavernij op gang te komen. Dat zou nog tot 1863 zou duren, maar er werd al wel gezocht naar oplossingen: de hele economie draaide immers op het verbouwen van producten op de plantages en op slavenarbeid. Uit angst voor een instortende economie ontstond het plan om de boeren uit Nederland te laten komen.Daar was ook kritiek op: zou er geen verkeerd signaal worden afgegeven aan de duizenden Afrikaanse-Surinamers die in slavernij leefden en werkten op de plantages, als ze straks de witte boeren met hun handen in de grond zagen ploeteren? Tot dan toe werd zware arbeid in de kolonie uitsluitend door zwarte mensen gedaan. De komst van de Nederlandse boeren zou de autoriteit van de witte koloniale heersers kunnen ondermijnen, was de angst.

Bij aankomst bleken er geen mooie boerderijen op de boeren te wachten. Ze kwamen terecht in de jungle, in een moerasgebied in het district Saramacca, waar gammele hutten waren opgezet. Vrij snel braken er ziektes en epidemieën uit, in nog geen zes maanden was de helft van de Nederlandse boeren overleden aan dysenterie en gele koorts. De rest vestigde zich elders, waar de grond beter was, en probeerde daar een bestaan op te bouwen. Pas tien jaar na aankomst kwam er enige hulp van de toenmalige gouverneur, die hen stukken grond verpachtte aan de rand van Paramaribo, in wat nu de wijk Uitvlugt is. De boeroes waren dus geen kolonisten en geen slavendrijvers, en ook geen contractarbeiders, zoals die in de jaren 50, 60 en 70 van de 19de eeuw uit China, India en Java zouden komen.

Vraag een boeroe hoe hij zich identificeert, en je zult vaak genoeg horen: „We zijn dan misschien wit van buiten, we voelen ons puur Surinaams van binnen.” Vaak zijn ze alleen nog te herkennen aan hun van oorsprong Overijsselse en Gelderse achternamen als Van Dijk, Loor, Veldhuizen of Van Ravenswaaij. Volgens een van de laatste volkstellingen zouden er nu in Suriname nog zo’n 1.000 tot 1.500 boeroes leven.

De bekende ‘Grote Boom’ in Paramaribo. Rond 1915 plantte Karel van Brussel een boom naast zijn boerderij aan de Verlengde Gemenelandsweg in Paramaribo. De boom groeide uit tot een speelplek van kinderen, hoogtijdagen en familiefeesten speelden zich rondom de boom af. Inmiddels is er een winkelcentrum rondom de boom gebouwd en een parkeerplaats met auto’s.

Grootouders Veldkamp-Stok met hun zoon Bryan Veldkamp, zijn echtgenote Wendy Pawiro-oelomo en hun twee kinderen.

Tony van Dijk met zijn echtgenote Latoya van Dijk-Alimoenadi en dochter Cathaleya.

Boerderij familie Loor, Kasabaholo.

Rijstveld van Martin Veldkamp

Martin Veldkamp. „Ik heb 32 jaar gevlogen als landbouwpiloot, totdat ik een paar jaar geleden besloot om voor mezelf te beginnen als rijstboer. In de Kaaimankreek bij Wageningen huur ik nu zeshonderd hectare grond, waarvan ik voorlopig tweehonderd hectare ga inzaaien. Ik heb alles zelf moeten ontbossen. Natuurlijk is de rijstbouw niet zonder risico’s. Door de klimaatverandering is er veel regen gevallen. Het overtollige water moeten we nu eerst wegpompen. Ik heb alles goed voorbereid. Meten is weten. Gelukkig ben ik een aanpakker, anders zou ik hier niet zitten. Waar een wil is, is een weg.”

Slachtvee van de familie Van Ravenswaay.

Familie van Dijk-Beavers, Saramacca.

Drieke van Ravenswaay. „Eigenlijk zijn we altijd bezig. Dat hebben we van huis uit meegekregen. M’n vader had vroeger melkkoeien, maar de melkprijs was destijds zo laag dat we overgestapt zijn op slachtvee. De zeboe’s lopen hier vrij rond, achter ons huis en aan de overkant van de weg. Ik ben veel op het land. Ik voel me dan heerlijk. Als ik werk vergeet ik alles en ben ik 100 procent bezig met wat ik doe. Toen ik jong was, gingen we naar een soort zwartekousenkerk. Twee of drie keer per week hadden we een samenkomst bij mensen thuis. Je mocht daar niets. Geen make-up, geen lange broek en geen feesten. Mijn moeder had een keer lippenstift op. Daar werd ze flink op aangesproken. Ik was blij dat ze er toen uit is gegaan. Ik bid elke avond voor het slapen, maar ik ga niet meer naar de kerk.”

Johan Tammenga woont in de Tijgerkreek in Saramacca. Hij groef een acht kilometer lange sloot, mensen kunnen tegen betaling daar een boot huren of met hun eigen boot naar Coesewijne varen om te gaan jagen.

Het boek De Grote Boom. Het vergeten verhaal van de Boeroes in Suriname van Ton Groot Haar verschijnt op 7 juli bij Lecturis, 272 blz, € 35.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC In Beeld

De mooiste fotografie en de beste tips geselecteerd door de fotoredactie

Source: NRC

Previous

Next