Home

Waar moest het heen, met dat schipperskind en die wind?

Alledaagse Wetenschap Karel Knip stuit in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze week: alles in de wind, alles in de wind… Waar slaat dat liedje op? En wat is er met Roza aan de hand?

Binnenschepen in de Rotterdamse Nieuwehaven, rond 1885.

‘Op een klein stationnetje’, roept de Google-app, blij dat hij een melodie herkent. Het had eigenlijk ‘Op een grote paddenstoel’ moeten zijn, maar hij kon natuurlijk niet weten wat er eerder was: de paddenstoel of het stationnetje. Het was al een mirakel dat de app uit wat los gefluit een liedje destilleerde.

Het gaat niet altijd goed, ‘Witte zwanen, zwarte zwanen’ bleef hij voor ‘Sinterklaas kapoentje’ verslijten. Anderzijds hield hij ‘Door de bossen, door de heide’ voor ‘Auf der Lüneburger Heide’ en dat klopt. Ons lied komt uit Duitsland. Voor de mosselman had hij daarom net zo goed ‘the muffin man’ kunnen kiezen, maar dat deed hij nu weer niet.

De Google-app had een deuntje op naam moeten brengen dat al dagen in het hoofd hing. Het bleek Alles in de wind, alles in de wind – ’t is maar een schipperskind, een liedje dat zich prettig onderscheidt van de meeste kinderliedjes. Het klinkt niet alleen heel vrolijk, het heeft ook een ongekend poëtische en mysterieuze tekst: Kom hier Roza, je bent mijn zusje. Er is geen lied dat Nederlandse dichters en schrijvers méér heeft geïnspireerd dan dit. Het loopt van Rein Bloem tot Ilja Pfeijffer. (Zoek ze bij Google Books en noteer en passant hoe ze ‘’t is maar een schipperskind’ ombogen naar: ik ben een schipperskind of jij bent een schipperskind.)

Waar sláát het liedje op? Wat was er mis met dat schipperskind en wat moest Roza ermee? Niemand die het weet. Wikipedia is er niet aan begonnen en beroemde negentiende-eeuwse verzamelaars als Van Vloten en Boekenoogen lijken het lied te hebben gemist. Ook de Nederlandse Liederenbank van het Meertens Instituut heeft er weinig over te melden. Uitgerekend het lemma dat het schipperskind behandelt is wat slordig en blijkt al jaren niet bijgewerkt. Het bevat maar drie min of meer complete teksten uit de periode vóór 1950, toen radio, tv en commercie nog geen doorslaggevende invloed hadden.

Een binnenschip aan de Westerkade in Schiedam, 1910.

Volkskundige verzamelaars

Gelukkig blijkt uit databanken als Google Books, Delpher en DBNL veel interessants over het schipperskind op te diepen. Afgelopen week konden twaalf min of meer complete teksten van vóór 1950 aan die van de Liederenbank worden toegevoegd. De meeste zijn van volkskundige verzamelaars en ze gaan terug tot 1896. Zoals te verwachten is van liedjes die op het schoolplein werden doorgegeven verschillen ze allemaal een beetje van elkaar.

In plaats van het bekende ‘Kom hier Roza’ vind je zó vaak ‘Rozie Roza’ of ‘Hoezee, hoezoa’ dat je je afvraagt of met Roza wel een meisje werd bedoeld. Voor ‘je bent mijn zusje’ lees je ook: ‘ik heb een zusje’, of ‘weer een ander’ of ‘alweer een ander’.

Dan is er die mysterieuze waarschuwing die op zes plaatsen opduikt: ‘nooit geen klein kind (je) in de wind’ met variaties als: ‘nooit een klein kindje in de wind’, ‘nog geen klein kind in de wind’ of juist: ‘nog een klein kind in de wind’.

Vijf verzamelaars brengen het lied, soms aarzelend, in verband met Pinksteren, te weten het wereldlijk deel daarvan dat voor een soort Germaans lentefeest werd versleten. Jonge meisjes traden dan alvast op als bruidjes, er werd een meisje gekozen dat het mooist was en zich ‘de fiere Pinksterblom’ mocht noemen (en later door de andere meisjes werd gewurgd), enzovoort. En er werd gedanst, onder meer onder het zingen van het lied van het schipperskind.

Binnenschepen in Amsterdam bij de Noordermarkt, 1890.

Maar ook als het niet Pinksteren was werd er op het schipperslied gedanst, want het was een speellied en speelliedjes waren, sinds de pedagoog Fröbel zich er rond 1840 een voorstander van had getoond, erg in de mode geraakt. Op meerdere plaatsen is de dans van het lied van het schipperskind beschreven. In de meeste gevallen waren de kinderen dan in een rij opgesteld en stond daar tegenover een kind dat na wat heen en weer gehuppel een kind uitkoos om er een apart dansje mee te maken. En dan weer een ander. De kinderen konden ook in een kring staan maar het kiezen was de essentie en je durft te zweren dat het bovengenoemde ‘weer een ander’ op dat herhaalde kiezen slaat.

Allemachtig, denkt de lezer, waar wil hij toch naartoe? Naar Noordbroek in Groningen. Daar beschreef hoofdonderwijzer A.J. Smith in 1896 een gezellig samenzijn tussen meisjes van een jaar of tien en de handwerkjuffrouwen van wie ze naailes hadden gekregen. De juffrouwen dronken aan het eind van de cursus anisette of curaçao of ook wel brandewijn met rozijnen en met z’n allen zongen ze liedjes. Stuk voor stuk liedjes waarin zingendeweg werd onderzocht wat later de beste vrijer voor de meisjes zou zijn. Steeds werden dan de voor- of nadelen van de keuze opgenoemd. Trouwde je met een apotheker, dan moest je pillen draaien, trouwde je met een kleermaker dan moest je naaien en trouwde je met een meester dan moest je kinderen slaan. Het wemelt van dat soort liedjes. Maar in Groningen draaide de kwestie eigenlijk altijd om: boer of schipper, noteerde Smith. Vandaag is van belang dat tijdens deze seances ook ‘Alles in de wind’ werd gezongen.

Gaat het in ‘Alles in de wind’ dan om een vrijer die per se geen schipper moest zijn (zoals Smith aannam)? Het is de journalist Isaak van Rennes (een pseudoniem) die het ingewikkeld maakt. Hij beschreef hoe het lied in 1887 ‘op het volksrepertoire’ stond en een kermislied was geworden. En toen opgeschoten jongens in 1888 een dronken straatmadelief in het water zagen vallen hieven ze hetzelfde lied aan. Er is dus méér, maar wat?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Source: NRC

Previous

Next