Thomas Erdbrink doet opnieuw verslag uit Teheran, waar hij jarenlang werkte als correspondent voor Nederlandse en internationale media.
Het is rond 3 uur in de ochtend als de grootste klap valt. Onze katten miauwen, de ramen trillen. Ik ren de tuin in en zie de rode strepen van het afweergeschut door de lucht schieten. Een straaljager vliegt over, of is het een drone? In de verte klinken nog meer doffe dreunen.
De stad waar ik sinds 2001 woon, is maandagavond veranderd in een oorlogszone. Normaal zijn dit de laatste weken voor de zomervakantie begint. Studenten doen hun laatste tentamens, het is warm maar net niet te heet, de laatste sneeuw verdwijnt van de bergen die Teheran omarmen.
Ondanks het feit dat de oorlog al meer dan een week bezig is, kom ik met het gevoel van dit seizoen eerder die dag aan in Teheran. Het was een lange reis. Vanuit Nederland zijn er al jaren geen directe vluchten meer naar Iran, maar sinds de bombardementen zijn alle luchthavens gesloten.
We reizen daarom per vliegtuig naar Oost-Turkije, naar de stad Igdir, vlak bij de berg Ararat. Daar nemen we een bus met een handjevol andere Iraniërs die ook naar hun land terug willen. De een was op vakantie, de ander wil bij haar man zijn, wij willen terug omdat het voelt alsof dit een keerpunt in de geschiedenis is. En omdat mijn schoonmoeder alleen is.
Voorbij de kuddes schapen en aan het einde van een lange, lege weg ligt de grens. Iedereen klimt met zijn koffers uit de bus, loopt door een grote plas water en voorbij de Turkse soldaten, richting Iran. Ik sleep onze twee koffers honderden meters de berg op, over een stoffig pad. Het is 30 graden, ik zweet, en bedenk dat niets veranderlijker is dan het leven. Normaal vliegen we zonder na te denken op 30 duizend voet over deze grens heen.
Bij de grens het gebruikelijke wantrouwen van de Iraanse beambten, wat moet die Europeaan hier? Hij moet wel een spion zijn! Sinds ik in 2019 een werkverbod heb gekregen, toen ik voor The New York Times werkte, heb ik een hele serie rode vlaggen achter mijn naam. Ik begrijp in dit geval hun wantrouwen, de Israëlische geheime dienst heeft verschillende succesvolle operaties in Iran gedaan de afgelopen dagen.
We rijden met een taxi zo ver we kunnen, slapen in een hotel en komen uiteindelijk maandagochtend in Teheran aan. De stad is leeg en gespannen. Samen met mijn zwager ga ik boodschappen doen. Net als ik aan het afrekenen ben, beginnen de deuren te klapperen, voel ik een schokgolf en hoor een enorme dreun. Het licht valt uit. Iedereen rent in paniek naar buiten, ik vergeet de kaarsen en de verse vijgen waar ik zo’n trek in had.
Buiten zijn grote zwarte rookwolken, nog meer ontploffingen en allemaal mensen die net nog probeerden iets van hun leven te maken. Nu rennen ze in paniek rond. Een jongetje omarmt zijn moeder. Ze staan tegen een muur aangedrukt. Ik zie de angst in hun ogen.
De Israëliërs hebben de Evin-gevangenis gebombardeerd, 600 meter verderop. Het ontvangstgebouw, waar de ondervragingen van politieke gevangenen plaatsvinden, ligt in puin. Mijn zwager Hamidreza, normaal een charmante ladies man, is helemaal over zijn toeren. ‘Ik word gek hier!’, roept hij.
We zijn de sla ook vergeten.
We weten dan nog niet dat die nacht, de laatste voor een staakt-het-vuren dat dinsdag gelukkig inging, de zwaarste zal worden. Bommen regenen neer op een stad van twaalf miljoen mensen. Vrienden komen midden in de nacht bij ons schuilen nadat hun wijk is geraakt.
Politici maken beslissingen. Oorlog, vrede. Vijand, bondgenoot. Wie maandagavond in Teheran was, voelde de gevolgen daarvan.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant