Home

Moreno woonde in een ongebruikte kamer van het hotel waar hij werkte. ‘Uit schaamte vertelde ik het niemand’

Dakloosheid Steeds meer mensen hebben een baan, een sociaal netwerk, maar géén huis. Noodgedwongen slapen ze bij vrienden, in auto’s of vakantieparken. Een wet die deze woensdag in de Kamer wordt besproken moet vastleggen wie voorrang krijgt op een sociale huurwoning. Maar die wet helpt ‘economisch daklozen’ niet.

De economisch dakloze Moreno Fernandes in Rotterdam.

Een steile trap omhoog, huisnummer 42-B. Met een brede glimlach opent Moreno Fernandes (34) de voordeur. Sinds januari woont hij in een tijdelijke antikraakwoning in Rotterdam-Zuid. „Mijn woonsituatie is nog steeds onzeker, maar ik heb tenminste een dak boven mijn hoofd.” Vorig jaar juli liep Fernandes’ tijdelijke huurcontract af, sindsdien is de Rotterdammer zich blijven verplaatsen.

Sinds 2022 neemt volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) het aantal dakloze mensen in Nederland toe: van 26.600 in 2022 tot 33.000 in 2024. Een groeiende groep onder hen blijft grotendeels buiten beeld: de economisch dakloze mensen. Die kampen net als Fernandes niet met verslavingen of psychische problemen, hebben vaak een baan of sociaal netwerk, maar geen woning. Gezien ze geen zorgvraag hebben, vallen ze buiten de reguliere opvang en worden in veel gevallen niet meegeteld in de statistieken.

Economisch daklozen slapen bij vrienden, familie of op een camping – bijvoorbeeld na een scheiding. Ze leven buiten het zicht van instanties. „In Nederland is dakloosheid gereduceerd tot mensen met een psychische aandoening”, zegt Jan de Vries, co-directeur van het Straat Consulaat, dat opkomt voor dak- en thuisloze mensen in Den Haag. „Daardoor moeten we allerlei hobbels nemen om aan te tonen dat ook andere mensen écht dakloos zijn.”

Opgekocht

Tot juli vorig jaar woonde Fernandes in een eigen appartement in Rotterdam-Zuid. Toen hij daar in 2022 introk, werd hem mondeling verlenging beloofd, zolang hij de huur maar op tijd betaalde. Maar vier maanden voor het contract afliep, kreeg hij bericht dat de gemeente het pand had opgekocht.

„Vanaf dat moment heb ik alles gedaan om een nieuw appartement te vinden”, vertelt Fernandes. „Maar de wachtrij voor sociale huur was te lang en voor een vrijesectorwoning was mijn budget te laag. Ik ben uit wanhoop op de fiets gestapt met 25 brieven. Die heb ik onder meer bij bouwprojecten opgehangen. Er kwam geen enkele reactie.”

Fernandes kwam op de bank van een vriend terecht. „Ik lag daar als volwassen man midden in de woonkamer, het appartement was klein. Ik voelde me zo bezwaard.”

Fernandes werkt als woonbegeleider voor mensen met autisme bij een ggz-instelling. „Maar ik ben constant bezig met een nieuwe plek vinden: op werk, tijdens vrije dagen. Ik wil gewoon een keer een dag op de bank zitten en daar niet aan hoeven denken. Helaas werkt dat niet zo.”

Corine De Graaf: „Opeens stond ik met mijn kinderen op straat.” Foto Hedayatullah Amid / NRC

Onzekerheid

Fernandes laat zich op dit moment omscholen tot sociaal werker, voorheen stuurde hij keukenpersoneel aan bij een Rotterdams hotel. Daar kon hij – eigenlijk in strijd met de regels – tijdelijk terecht in een ongebruikte kamer. Zijn collega’s wisten van niets. „Uit schaamte vertelde ik het niemand. Na een tijdje werd ik goed in vragen ontwijken, zoals of ik plannen had voor het weekend. Die had ik nauwelijks, want ik sloot me meestal op in die kamer. Ik kon ook niks plannen, ik leefde in onzekerheid.”

Na zijn werk glipte hij vaak snel de kamer in, zodat niemand merkte wanneer hij ‘naar huis’ ging. De afgesproken twee maanden werden er vier. „Ik zat zo in de stress, het voelde alsof boven mijn hoofd constant donkere wolken hingen.”

Nu zit Fernandes op de bank in zijn antikraakwoning. „Hoewel het tijdelijk is, ben ik blij dat ik eindelijk een plek heb.” Wel is hij nog steeds gestrest. „Ik leef in onzekerheid, want ik heb geen grip op wanneer ik weer weg moet uit deze woning.”

„Dakloosheid heeft gigantische gevolgen”, vertelt Sander Heinsman, bestuursvoorzitter van woningcorporatie Portaal. „De stress die het niet hebben van een woning veroorzaakt, is bij veel mensen enorm.” Voor Fernandes herkenbaar: „Ik had heel veel stress. Ik zorgde slecht voor mezelf, vergat vaak te eten. Ik voelde me een mislukkeling, alsof ik had gefaald in de maatschappij.”

Beloond

De groeiende groep economisch daklozen is een vrijwel onzichtbaar symptoom van de vastgelopen woningmarkt. „Iedereen weet van het tekort aan woningen,” zegt Heinsman. „Maar we zitten ook met een systeem waarin de mensen die het hardst een woning nodig hebben, juist niet geholpen worden.”

In dat systeem wordt wachten beloond. „Van alle mensen die op Woningnet [platform voor sociale huurwoningen] staan ingeschreven, reageert slechts 16 procent één of twee keer per maand op een woning”, vertelt Heinsman. „De rest wacht – vaak omdat ze al een woning hebben – op een beter huis. Daardoor maken ouderen die al langer staan ingeschreven meer kans, terwijl de groep met acute nood buiten de boot valt.” Ook krijgen die lang ingeschreven mensen als eerste een woning aangeboden, wat de wachttijd voor de ‘acute groep’ verder verlengt.

En toch, benadrukt Heinsman, is het probleem in de kern overzichtelijk. „Voor Nijmegen hebben we doorgerekend hoeveel langer reguliere woningzoekenden moeten wachten als we dakloze jongeren wél een plek zouden geven: in totaal 47 dagen.”

Volgens het CBS telde Nederland in 2024 circa 33.000 dakloze mensen. Volgens Heinsman is dat slechts het topje van de ijsberg. „Veel mensen worden niet meegeteld. Denk aan degenen die tijdelijk bij vrienden verblijven, in een auto slapen of geen verblijfspapieren hebben.” Jongeren onder de 18 en ouderen boven de 65 komen daarnaast niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering en vallen daardoor ook automatisch buiten de statistieken.

Tachtigduizend

Steeds meer gemeenten stappen daarom over op een bredere manier van tellen. Die kijkt niet alleen naar mensen op straat of in de opvang, maar bijvoorbeeld ook naar mensen die noodgedwongen bij bekenden slapen of in een vakantiehuisje verblijven.

Uit lokale tellingen op basis van die nieuwe methode blijkt het werkelijk aantal dakloze mensen veel groter. Een op de vijf is minderjarig, 40 procent is jonger dan 28 en een derde is vrouw. Nienke Boesveldt, onderzoeker dakloosheid aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, schat op basis van die tellingen dat Nederland zo’n tachtigduizend dakloze mensen telt.

De Tweede Kamer nam op 19 december 2024 een motie aan die het kabinet opdraagt om deze manier van tellen in alle regio’s toe te passen. Het ministerie van Volksgezondheid werkt aan de uitvoering.

Moreno: „De wachtrij voor sociale huur was te lang, voor een vrijesectorwoning was mijn budget te laag.” Foto Hedayatullah Amid / NRC

Ambitie

Hoewel het probleem zo zichtbaarder wordt, komt daarmee niet automatisch meer hulp beschikbaar voor alle dakloze mensen. De Wet versterking regie volkshuisvesting, die aanstaande woensdag in de Tweede Kamer wordt besproken, moet duidelijk vastleggen wie voorrang krijgt op een sociale huurwoning. De wet komt voort uit het Nationaal Actieplan Dakloosheid (NAD), dat in 2022 werd aangenomen en beoogt dakloosheid in 2030 te beëindigen. Maar in het huidige wetsvoorstel krijgen alleen mensen in een maatschappelijke opvang voorrang op een sociale huurwoning. Dakloze mensen die bijvoorbeeld op de bank bij vrienden slapen, vallen daarbuiten.

Toegang tot die opvang is lastig. De Wet maatschappelijke ondersteuning biedt alleen hulp aan mensen met een duidelijke zorgvraag. Economisch daklozen vallen daardoor tussen wal en schip: ze krijgen geen plek in de opvang en hebben daardoor ook geen voorrang op een woning.

„Dat maakt de nieuwe wet op punten tegenstrijdig met het NAD”, stelt De Vries van het Straat Consulaat. Daarin wordt juist benadrukt dat minder moet worden gefocust op opvang: mensen moeten direct toegang krijgen tot een eigen woning. „We weten al jaren dat mensen pas echt geholpen kunnen worden als ze zo snel mogelijk een stabiele woonplek krijgen. Veel ernstige en langdurige zorgvragen vallen dan weg .”

‘Paradox’

Het wetsvoorstel verplicht gemeenten wel om urgentie toe te kennen aan mensen die via de opvang instromen. „Dat is een verbetering: in de huidige situatie bepalen gemeenten zelf wie voorrang krijgt, wat leidt tot grote verschillen tussen regio’s.” Maar de onderliggende logica blijft volgens de Vries problematisch: „We houden vast aan een systeem dat mensen eerst door een zorgtraject dwingt, voordat ze kans maken op een woning. Terwijl we juist hebben afgesproken dat we dat níét meer willen.”

Daar wringt de „paradox” van het huidige beleid. „We zeggen: eerst zelf oplossen, maar als dat niet lukt en iemand nergens meer terechtkan, zit het huidige systeem potdicht. Pas als je álles kwijt bent, komt er hulp.”

Toch beschouwt De Vries de wet als een historische kans. „Als we dit echt inzetten om alle vormen van dakloosheid aan te pakken, kunnen we een grote stap vooruit zetten.”

Fernandes hoopt dat zijn verhaal wordt meegewogen bij de behandeling van de wet. „Toen ik zei dat ik mijn huis kwijt was, kreeg ik te horen dat ik ‘niet urgent genoeg’ was. Je moet eerst grotere problemen hebben voordat je hulp krijgt.”

Corine: „Ik had pijn in mijn lichaam van de stress en kon niet meer werken.” Foto Hedayatullah Amid / NRC

Marte de Jager ‘Mijn spullen zijn nu mijn thuis’

„Mijn hele leven speelt zich af in Amsterdam. Maar vaak voelt het alsof voor mij in mijn eigen stad geen plek meer is.” Marte de Jager (26) verhuisde onlangs opnieuw naar een tijdelijke woning. Sinds ze vorig jaar terugkwam van een reis door Peru en Bolivia lukte het haar niet een vaste woning te vinden. Alleen onderhuur: „Daarvoor woonde ik in een krakkemikkig huis van een huisjesmelker, maar ik had tenminste iets wat voelde als een thuis.”

In het begin was ze kieskeurig, inmiddels heeft ze haar wensen bijgesteld. „Ik heb mijn budget verruimd, ben minder streng geworden op locatie, maar het maakt allemaal niets uit, op een gegeven moment wist ik: iets permanent ga ik niet vinden.” Nu verhuist ze bijna elke maand. „Ik zit obsessief op Facebook te scrollen naar kamers. Dat heeft invloed op mijn werk, mijn concentratie en vooral op mijn slaap.”

„Ik wil mijn sportlessen volgen, ben aan het solliciteren, speel dwarsfluit. Maar als je elke maand opnieuw je tas moet in- en uitpakken, voortdurend bezig bent met een volgende woning, dan schiet dat erbij in.”

Dat komt niet alleen door de tijd die het zoeken en verhuizen in beslag neemt. „Een huis waar je je kan terugtrekken, is een goede basis. En als die basis ineens wegvalt, wordt het leven heel moeilijk. Heb je heel veel discipline en steun nodig van alle kanten.”

Hoewel de ouders en vriend van Marte in Amsterdam wonen, voelt ze zich bij hen niet per se thuis. „Ik kan me daar niet terugtrekken, ik ben niet altijd sociaal, maar dat wordt wel van me verwacht. Soms wil je gewoon even met niemand praten en dat is moeilijk als je bij iemand inwoont.” In de tijdelijke woningen waar De Jager zich telkens opnieuw vestigt, voelt ze zich uiteindelijk wel thuis, „maar dan moet ik alweer weg. Ik neem wel altijd foto’s en andere spullen mee om me meer thuis te voelen. Mijn spullen zijn nu mijn thuis”.

Corine De Graaf ‘Met z’n drieën op een warme zolder’

Wanneer Corine De Graaf (47) eind 2022 in Dordrecht op straat komt te staan, gaat ze ervan uit dat ze urgentie op een woning krijgt. „Voor de mentale gezondheid van mijn kinderen.”

De Graaf besluit na de scheiding van haar man hun huis te verlaten. „We konden niet meer bij hem wonen, daardoor stond ik opeens met mijn kinderen op straat.” Na drie maanden logeren in een bed and breakfast kan Corine met haar kinderen bij vrienden terecht. „We zaten met z’n drieën op een warme zolder. We voelden ons niet thuis, zij hadden jonge kinderen en we voelden ons bezwaard.” Na vijf maanden gaven de vrienden van De Graaf aan dat het logeren niet langer houdbaar was.

De Graaf en haar kinderen verhuisden naar andere kennissen. Daar liepen ze tegen dezelfde problemen aan. „Mijn puberkinderen hebben een eigen plek nodig. We hadden geen ruimte om onze eigen dingen te verwerken. Ik schaamde me voor onze woonsituatie. Maar mijn puberzoon en dochter schaamden zich ook ten opzichte van elkaar.”

Omdat Corine niet als slechte moeder wilde weggezet worden, wist vrijwel niemand van haar woonsituatie. „Ik voelde me constant schuldig tegenover mijn kinderen. Ik had pijn in mijn lichaam van de stress en kon niet meer werken.”

Nu woont De Graaf in een vrijesectorwoning. Zelfs de zwart-witte kat kijkt tevreden voor zich uit. „We hebben eindelijk een eigen kamer. We kunnen ons terugtrekken, er is rust.” Maar: de woning is te duur en de spaarrekening van De Graaf loopt langzaam leeg. Uiteindelijk moet de familie dus weer vertrekken. „Misschien krijg ik net op tijd urgentie. Anders begint het allemaal weer opnieuw.”

Source: NRC

Previous

Next