Home

Eerst probeerde mevrouw Schreiber (86) me aan haar 14-jarige kleindochter te koppelen, nu aan mijn collega Shanaya

Meneer Boots (80) en ik overladen elkaar met complimenten. Hij is halfzijdig verlamd, maar kan toch nog goed staan, en dat vind ik knap. Hij hijst zich met één hand soepel omhoog en balanceert op één been. Dat hij dat kan, maakt mijn werk ook makkelijker: ik hoef hem niet met een tillift uit de rolstoel te takelen. Meneer Boots verdient dus alle lof, vind ik. En hij prijst mij op zijn beurt weer omdat ik hem zo veel complimenten geef.

‘Jij bent zó lief’, zegt meneer Boots. ‘Ik snap niet dat je nog geen vriendin hebt.’

‘Ik hoef geen vriendin.’

‘Waarom niet? Het is heerlijk als er een bord eten voor je klaarstaat als je thuiskomt.’

‘Dat klinkt inderdaad heel aanlokkelijk’, zeg ik. ‘Maar ik weet niet of dat opweegt tegen de nadelen van het hebben van een vriendin. Ik zou het eens op een rijtje moeten zetten.’

Na meneer Boots help ik mevrouw Schreiber (86) naar bed. Eerst probeerde ze me te koppelen aan haar veertienjarige kleindochter, nu probeert ze me aan mijn collega Shanaya te koppelen. Ik zie het als een compliment dat ze denkt dat ik kans maak bij Shanaya, maar verder heb ik er niets aan.

‘Misschien wil ik helemaal geen vriendin. Misschien wil ik een vriend.’

‘Ben je een…’, zegt mevrouw Schreiber, en dan, fluisterend: ‘homofiel?’ Ze slaat haar hand voor de mond. ‘O, jongen toch.’

‘Stel u niet zo aan, alstublieft’, zeg ik, en ik houd de trui omhoog die ze net heeft uitgetrokken. ‘Trekt u deze morgen weer aan of moet-ie in de was?’

Aan het einde van mijn dienst help ik mevrouw Jagersma (98) naar bed. Ze zit op de rand van haar bed en kijkt met glinsterende oogjes op me neer, terwijl ik gehurkt voor haar zit om haar schoenen uit te trekken.

‘Ga jij zo naar huis?’, vraagt ze.

‘Ja.’

‘En zit er thuis iemand op jou te wachten?’

‘Ja, mijn vriendin. Als ik thuiskom staat er een bord eten voor mij klaar.’

‘Vertel eens.’

‘Curry, hoop ik. Of een lekkere pasta.’

‘Niet over dat eten. Over je vriendin.’

‘O.’ Even denken. Wat voor vriendin heb ik? ‘Mijn vriendin is architect en stemt op de Partij voor de Dieren. Ze heeft geen kinderwens. Ze kan heel goed koken en ook goed stuken, ze verdient drie keer zo veel als ik en heeft een vakantiehuis in Italië.’

‘Stuken?’

‘Ja. Ik ben zelf ook best handig, maar ik kan niet stuken. Niet veel mensen kunnen dat; het is echt een vak apart. Het is handig om iemand in huis te hebben die kan stuken.’

‘Zijn jullie getrouwd?’

‘Nee.’

‘Jullie zijn niet getrouwd, maar wonen wel samen’, zegt mevrouw Jagersma op een afkeurende toon.

Mevrouw Jagersma heeft me in de val gelokt. Morgen zal ze dit aan de ontbijttafel aan iedereen vertellen. Maar dat geeft niet, want mevrouw Schreiber zal ertegenin brengen dat ik homo ben en dan weet niemand meer wat-ie moet geloven.

Intussen ligt mevrouw Jagersma in bed. Omdat ze altijd bang is dat ik iets ben vergeten, som ik alles op wat we hebben gedaan. ‘U heeft uw haarnetje op, uw steunkousen uit en uw gebit is gepoetst. Het raam staat op een kier en ik heb een glas water op uw nachtkastje gezet. Welterusten.’

‘Wel thuis’, zegt ze. ‘En de groeten aan je stuukvriendin.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant columns

Previous

Next