Henk Wieringa is 100 jaar. Hoe kijkt deze selfmade man terug op de eeuw die achter hem ligt?
Henk Wieringa is de oudste van een gezin met veertien kinderen. Dat bracht hoge verwachtingen met zich mee, waartegen hij zich verzette. ‘Volhouden!’ is het devies van de Groninger.
Hoe was het om de oudste te zijn in zo’n groot gezin?
‘Niet best. Ik zal je vertellen waarom. In alles moest ik het voorbeeldkind zijn, zoals netjes aan tafel zitten en netjes eten, terwijl ik helemaal niet zo’n rustige jongen was. Daar kwam een tweede probleem bij. Ik was 12 jaar toen mijn vader zei: ‘Jij moet schoenmaker worden.’ Hij was zelf schoenmaker en veel ooms aan beide kanten van de familie waren het. Onder geen beding wilde ik het beroep van mijn vader uitoefenen – elke dag hetzelfde, ik zag er geen muziek in.
‘Ik knutselde graag met lampjes en wilde elektricien worden. Daarvoor moest ik naar de ambachtsschool in de stad, in Groningen. ‘Dat kan niet’, zei mijn vader, zonder uitleg. Ik moest en zou schoenmaker worden, bleef hij herhalen. Grootvader Wieringa steunde mij. Hij grapte: ‘Schoenmakers zijn geen mensen, want in de krant stond dat er bij een brand vijf mensen waren omgekomen, én een schoenmaker’.
‘Het was een heel vervelende tijd, de verhouding met mijn vader werd slecht en is nooit meer beter geworden. Als het maar even kon, was ik bij een vriend thuis. Ik hield voet bij stuk. Dat is de aard van het beestje: volhouden! In de plaatselijke krant van ons dorp Grootegast las ik dat een elektricien een leerling zocht. Ik stopte met de mulo en ging voor hem werken, 3,5 jaar lang. De drie zoons van de elektricien mochten wel naar de ambachtsschool, daar was ik best jaloers op.
‘Op mijn 18de werd ik opgeroepen voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. Ik kwam terecht in een gloednieuwe fabriek in Künsebeck, in de deelstaat Noordrijn-Westfalen, waar luchtafweergeschut werd geproduceerd. Daar viel ik met mijn neus in de boter. De baas, Otto Krone, vroeg mij bij zich en zei: ‘Wij hebben Hitler, jullie Mussert – voor wie ben jij?’ Ik antwoordde: ‘Nee! Geen van beiden!’ Hij bleek fel anti-nazi en wilde weten waar ik stond. Krone zette mij aan een ingewikkelde machine en legde uit hoe die werkte. Ik bleek het in de vingers te hebben.
‘Het klikte zo goed tussen ons, dat de baas mij geregeld uitnodigde bij hem thuis en zijn gezin. Dat was prettig, want ik verbleef in een kamp met zo’n twaalfhonderd dwangarbeiders, vooral Oekraïeners. Ook kocht Krone leerboekjes elektrotechniek voor mij. In feite ben ik door hem opgeleid tot elektrotechnicus, precies wat ik wilde. Hij was als een zorgzame vader, wat ik zo gemist had in mijn jeugd. Tot zijn dood in 1971 hebben we contact gehouden. Tijdens vakanties met mijn gezin zochten we hem op.
‘Zodra de Duitsers verslagen waren, voelden wij dwangarbeiders ons heer en meester. We maakten er misbruik van dat de Duitsers niet meer de baas waren. Met een groep van zo’n veertien man ging ik lopend richting huis. Na de eerste 25 kilometer hadden we eten en onderdak nodig. We gingen een boerderij binnen en vroegen de boerenvrouw een maaltijd voor ons te koken en een slaapplek te bieden. Zo deden we dat de dagen daarna ook. Sommigen weigerden, dan namen we onze maatregelen.’
Wat voor maatregelen?
‘Dat vertel ik niet. Laat ik het zo zeggen: het ging niet op een nette manier.’
Hoe was het weerzien met uw vader, had hij u gemist?
‘Ik weet niet meer hoe hij reageerde. Mijn moeder was blij, dat herinner ik mij wel. Ik was twee jaar weggeweest. Mannen die in Duitsland hadden moeten werken, werden met de nek aangekeken. Dat kon mij niks schelen, ik ga niet af op praatjes van anderen. Ik wilde er ook niet over praten, zoals ik nu doe. Ik had ervaren dat er ook andere Duitsers rondliepen dan die rotmoffen. Met zulke verhalen hoefde je toen niet aan te komen.’
Aan welke periode in uw leven denkt u het vaakst terug?
‘Aan mijn jaren in Nederlands-Indië. Een prachtig land, waar ik mij zo vrij voelde als een vogeltje. Als dienstplichtig militair werd ik in 1946 opgeroepen om die kant op te gaan. Eerst moest ik een kaderopleiding volgen in Weert, waar ik werd opgeleid tot sergeant. In Indië kwam ik bij een infanteriebataljon op Celebes en later op Sumatra, waar ik tot commandant werd bevorderd. We moesten touwbruggen maken en mijnen opruimen. Op sawa’s hebben we een vliegveld aangelegd.
‘In die jaren heb ik ook moeilijke dingen meegemaakt, waarover ik liever niet vertel. Dat zijn gedane zaken. Na de soevereiniteitsoverdracht wilde ik graag in Indonesië blijven, ik voelde me er senang: het klimaat, de natuur, de mensen. President Soekarno wilde alle Nederlanders weg hebben en ik werd gewaarschuwd zo snel mogelijk te vertrekken. Bij aankomst in de haven van Rotterdam zag ik mijn broertje Hylke rondvaren in een bootje dat hij had gehuurd om mij te verwelkomen.
‘Na terugkomst uit Indië was ik op één ding gericht: mijn toekomst veiligstellen. Ik ben direct elektrotechniek gaan studeren en kon drie jaar de bedrijfsleider vervangen van een elektrotechnisch bedrijf hier in Veendam. Na zijn terugkeer ben ik voor mezelf begonnen: Wieringa technisch adviesbureau. Vanwege een concurrentiebeding kon ik niet ook een elektrotechnisch bedrijf beginnen. Er werd geen schroefje door ons ingedraaid, we gaven alleen advies bij nieuwe bouwwerken, zoals de plaatsing van liften.
‘Als monteur miste ik natuurlijk het handwerk, maar ik kreeg er veel voor terug. Het bureau groeide uit tot 27 werknemers – achteraf vind ik dat best knap. We deden kantoren en bejaardenhuizen door het hele land. En later over de hele wereld, ook fabrieksinstallaties in het Midden-Oosten en Afrika.’
Vond u het lastig na uw noeste arbeid met pensioen te gaan?
‘Ik ben niet bang voor een beetje werken, ik ben er 100 jaar mee geworden, maar op een gegeven moment was ik er flauw van. Het harde werken begon mij tegen te staan. Een paar keer heb ik tegen overspannenheid aan gezeten.
‘Na mijn pensioen ben ik niet gaan stilzitten, ik wilde graag een eigen appartement bouwen, in samenwerking met een architect. Ik vond er een die mij inspraak wilde geven, dat willen de meesten niet. Daar ben ik de eerste jaren na mijn pensioen zoet mee geweest. De gemeente vroeg het complex twee keer zo groot te maken. Het heeft vier woonlagen gekregen. Veendam was toen, zo’n 35 jaar geleden, nog niet zo flat-minded, het hele platteland eigenlijk niet. Ik heb hier nog jaren met mijn vrouw kunnen wonen, en haar verzorgd toen ze kanker kreeg, totdat ze in 2002 overleed.’
Leven er nog broers en zussen uit het gezin van veertien kinderen?
‘Vijf zussen en ik zijn nog over. De jongste is 81 jaar. En ik heb nog maar één vriend, die ken ik van Probus, een mooie club met ondernemers en mensen uit het onderwijs en zo. We organiseren lezingen en lunchen met elkaar. Ooit waren we een mannenclub. Een aantal jaren geleden stelde iemand voor om ook vrouwen uit te nodigen. Daar was ik niet voor; het was goed zoals het was en goede dingen moet je niet veranderen. Besloten werd het een keer te proberen. De aanwezigheid van vrouwen bleek een verrijking, ze hadden een andere kijk op de zaak. Eén had een fantastisch verhaal over emigratie van Nederlanders naar Brazilië. De ander had in de Tweede Kamer gezeten voor de PvdA en vertelde over de werking van het parlement. Weer een ander was bioloog en vertelde over haar beroep. Op een gegeven moment werd ik ziek – de dames kwamen allemaal langs.’
Is er iets wat u verbaast aan de tijd waarin we nu leven?
‘Ja, de politiek. Ik begrijp er soms niets meer van. Wat zitten politici elkaar toch af te kammen en te krabben. Ik ben blij dat het kabinet is gevallen. Wat mij betreft was het hoe eerder hoe beter.’
Welk belangrijk levensinzicht heeft u opgedaan?
‘Dat je niet iedereen klakkeloos moet vertrouwen. Bij de verkoop van mijn bedrijf is iets misgegaan, wat precies, daarop ga ik niet in. Als je zelf eerlijk en oprecht bent, kun je het niet hebben als een ander dat niet is.
‘Het belangrijkste inzicht deed ik op tijdens de kaderopleiding in Weert, in 1946. We kregen drie lessen van een burgerdocent, een zeer vriendelijke man die alles wist van de verbinding tussen je ogen en hersenen. Hij leerde ons hoe je jezelf kunt trainen om iets wat je waarneemt op te slaan in je geheugen, zodat je een gebeurtenis of situatie kunt onthouden en herkennen. Dat is natuurlijk belangrijk voor een militair. Je doet dat door heel bewust te besluiten om datgene wat je waarneemt, op te slaan. Dat ben ik mijn hele leven blijven doen.
‘Bij alles wat mij opvalt, denk ik: bewaar ik dit in mijn geheugen of niet? Als ik bijvoorbeeld iemand op de achterbank van een rijdende auto zie liggen, sla ik meteen het kentekennummer op. Stel dat later blijkt dat er een misdrijf is gepleegd, dan kan ik de politie dat nummer doorgeven. Het is een gewoonte geworden. Daardoor weet ik denk ik nog zoveel op mijn 100ste.’
De levensverhalen van veertig 100-jarigen uit de Volkskrant zijn gebundeld in het boek ‘Levenslessen van 100-jarigen, deel 2’, uitgeverij Spectrum
geboren: 11 maart 1925 in Grootegast
woont: zelfstandig, in Veendam
beroep: elektrotechnicus en ondernemer
familie: nog 5 zussen, 2 kinderen, 5 kleinkinderen, 2 achterkleinkinderen
weduwnaar sinds 2002
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant