Home

Op deze dag in 2016: Alle peilingen wijzen erop dat ‘Remain’ gaat winnen bij het Brexit-referendum

Erik van den Berg deelt dagelijks een opmerkelijk fragment uit zijn verzameling historische dagboeken.

Het contrast tussen de alledaagsheid van een stembureau en de grote belangen die er op het spel staan, blijft me verbazen. Het mijne zit in het plaatselijke school­gebouw en ik zet mijn kruisje bij ‘Remain’ onder een verzameling tekeningen van 9-jarigen.

Het is vandaag haast tropisch vochtig, en door de herhaalde plensbuien zou je haast denken dat wie daarboven ook over het weer gaat vóór ‘Leave’ is, want ­regen leidt vaak tot een lagere opkomst en een lagere opkomst in Londen zou daarin resulteren.

Ik was om half zes wakker, vol zorgen over het referendum. Maar zelfs om vijf over zeven was het al een drukte van belang in het stemlokaal.

Gisteravond een groot zomerfeest in het Victoria and Albert. Stuart Rose, woordvoerder van de ondernemers die pro ‘Remain’ zijn, vertelde ik van mijn gesprek met een zakenman uit Hongkong, David Tang. Die zei dat hij voor ­‘Leave’ was. ‘Maar ik ga niet stemmen’, voegde hij er met zijn overbeschaafde accent aan toe, duidelijk meer geïnteresseerd in de entree van Gwyneth Paltrow. Goddank, dacht ik.

Stuart droeg een Remain-button Hij praat zo snel en terloops dat je de indruk krijgt dat hij hoopt dat je hem niet helemaal kunt volgen. Hij is er zeker van dat Remain gaat winnen, alle peilingen wijzen erop.

Alexandra Shulman (1957), van 1992 tot 2017 hoofdredacteur van de Britse Vogue. Ingekort fragment uit Inside Vogue. Penguin, 2017.

20 juni 1827: Goethes disgenoten hebben weinig op met christelijke kwezels

De familietafel was met vijf couverts gedekt, de kamers waren leeg en koel, wat bij de grote hitte weldadig was. Ik betrad het naast de eetkamer gelegen vertrek waar de kolossale buste van Juno staat.

Ik liep nog niet lang in de kamer op en neer of Goethe kwam het vertrek binnen. Hij ging op een stoel bij het raam zitten. ‘Neemt u ook een stoeltje’, zei hij, ‘en kom bij mij zitten.’

De heer en mevrouw Von Goethe (Goethe’s zoon en schoondochter, red.) waren intussen ook binnengekomen en we gingen aan tafel. Het gesprek kwam terug op de kwezels in een aantal Noord-Duitse steden. Er werd opgemerkt dat deze piëtistische sekten hele families uiteen hadden doen vallen.

Ik kon een soortgelijk geval vertellen waarbij ik bijna een goede vriend had verloren omdat het hem maar niet lukte mij tot zijn mening te bekeren. ‘Deze vriend’, zei ik, ‘was geheel doordrongen van het geloof dat alle goede werken niets betekenden en dat de mens alleen door de genade van Christus tot een goede verhouding met de godheid kon komen.’

‘Iets dergelijks’, zei mevrouw Von Goethe, ‘heeft een vriendin tegen me gezegd, maar ik weet nog steeds niet wat ik van deze genade moet denken.’

‘Zoals veel dingen’, zei Goethe, ‘waarvan men de mond vol heeft, is het niets dan smurrie.’

Johann Peter Eckermann (1792-1854). Ingekort fragment uit Gesprekken met Goethe. Vertaling Gerda Meijerink. De Arbeiderspers, 1990.

19 juni 1815: Engelse politicus kan het nieuws van de Slag bij Waterloo niet geloven

Toen ik om vier uur uit een diepe slaap ontwaakte, keek ik meteen uit het raam om te zien wat zich afspeelde in de Rue Namur. Tot mijn genoegen zag ik nog steeds soldaten in de richting van het slagveld gaan, wat me een gunstig teken leek.

Ik kleedde me aan en ging om zes uur naar markies Juarenais, om van hem het laatste nieuws te horen. Toen de grote poort voor mij werd geopend, was madame de Juarenais de eerste die ik zag, nog in haar nachtgoed, te midden van een massa gestalde paarden.

Ze vertelde me dat de Fransen verslagen waren en in grote consternatie op de vlucht waren geslagen. Toen ik opmerkte dat dit mij hoogst verwonderde, zei ze dat ik het maar van monsieur Juarenais zelf moest horen. Ze nam me mee naar zijn slaapkamer, waar hij nog lag te slapen.

Toen hij wakker werd en me vol ongeloof over het nieuws aan zijn bed zag, begon hij er zelf ook even aan te twijfelen, maar toen hernam hij zich en werd alles duidelijk.

’s Avonds laat was generaal Sir Charles Alten zwaargewond naar Juarenais gebracht. Hij had zijn staf opdracht gegeven om zodra de uitslag van de veldslag bekend was een koerier te sturen.

En inderdaad, een van zijn officieren was Alten en Juarenais om drie uur ’s nachts een gedetailleerd verslag komen brengen.

Thomas Creevey (1768-1838), Engelse politicus. Ingekort fragment uit The Creevey Papers. The Folio Society, 1970.

18 juni 1815: Hollands soldaat looft prins Willem in de Slag bij Waterloo

Ongeveer om negen uur ’s morgens sprak de prins (de latere koning Willem II, red.) ons allen aan: ‘Jongens, het is vannacht guur en koud weer geweest, ik zal zorgen dat jullie vlees, brood en brandewijn krijgen’, en dat deed hij.

‘Jongens’, zei hij verder, ‘het zal vandaag wel warm worden.’ En dat werd het ook. Tenminste: van kegels en kardoezen.

Ons brood en brandewijn verkwikten ons en redden velen die uitgeput waren van kou en nattigheid. Ons vlees moesten wij nog koken.

Ik zocht een paar takkenbossen en zag dat de prins van Oranje zich net zo moest behelpen als wij. Hij zat net als wij op de kale grond te eten, hij had evengoed honger als wij en hapte er goed in. O, wat doet het een soldaat goed, als hij ziet dat zijn overste gelijk op deelt met de soldaat.

Toen ons vlees bijna gaar was, zodat wij het konden eten, leek ­Napoleon niet al te goed te spreken. Zeker omdat bij onze rechtervleugel vandaan hem een stuk of wat zespondskogeltjes toegezonden waren.

Hij kwam rechttoe rechtaan op ons aanrennen met zijn volk. Wij gooiden onze kookketels omver, lieten ons vlees in de steek en ­grepen de wapens aan.

Het vuur was hevig, maar de ­vijand kon ons niet verdrijven.

Jan Rem (1793-1870), soldaat in het Hollandse bataljon bij de slag van Waterloo. Uit Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra: ‘Voor den troon wordt men niet ongestraft geboren.’ Bert Bakker, 2008.

17 juni 1976: dichteres op Poetry International wordt mooi als ze voorleest

Deze avond (op het festival Poetry International, red.) kwam een element naar voren dat in alle poëzie aanwezig is, maar dat we zelden te ­horen krijgen.

Taalmuziek heeft al gauw de betekenis van flauwekul. Maar zang en poëzie ontstonden misschien wel uit één bron, lang samen­gebleven en door de drang van tijd uit elkaar gedreven.

Een paar avonden geleden las ­Diane di Prima (Amerikaanse dichteres, red.). De teksten netjes uitgetikt in een boekje zeggen me net zoveel als een operalibretto, behalve dat verborgen in de woorden ook de partituur aan­wezig is, wat blijkt zodra zij begint te lezen.

Een mooie dwingende stem, vol stuwing, meeslepend zelfs. Toen ik haar voor het eerst zag, vond ik haar lelijk, een lange hangende neus en te lichte kleine ogen, gekleed in lappen van internationale folklore.

Maar toen ze haar gedichten las, was ze mooi, zoals iedereen die de ruimte veroverd heeft om zijn ­eigen gebied te zingen.

Deze avond leest de Sumatraan Ibrahim. Hij heeft voor politie­agent gestudeerd en schijnt gezegd te hebben dat poëzie het beste wapen tegen misdaad is. En dan komen er vreemde klanken, lang aangehouden oe’s, a’s, treurig aflopende i’s.

Ik vind het prachtig en kan me best voorstellen dat je zo misdadigers tot deemoed brengt.

Dick Hillenius (1927-1987), bioloog en schrijver. Ingekort fragment uit Het principe van nieuwsgierigheid. De Arbeiderspers, 1978.

16 juni 1859: Amerikaanse journalist spreekt opperhoofd Left Hand

Sinds ik de Missouri ben overgestoken, heb ik overal indianen gezien en ik heb geprobeerd met ze in gesprek te raken.

Het oosten van Kansas is bezaaid met hun reservaten: Delaware, Kaw, Ottawa, Osage, Kickapoo, Potawatomie en andere, terwijl de bizonprairies toebehoren aan de Cheyennes, de Arapaho’s en de Apachen – of misschien alleen aan de laatste twee, want de grenzen zijn hier niet scherp getrokken.

Hoe dan ook: we hebben groepen van deze drie stammen ontmoet, met incidentele afvaardigingen van de Sioux uit het noorden en de Comanches uit het zuiden. Al deze stammen hebben op dit moment een goede verstandhouding met elkaar.

De Ute, die in de bergen wonen en sterker en dapperder zijn dan de drie voornoemde stammen ­verkeren in oorlog met hen. Het opperhoofd van de Arapaho’s, Left Hand, zegt dat hij zich geen tijd kan herinneren dat er vrede tussen hen was.

Er zijn hier twee- tot driehonderd vestigingen van de Arapaho’s, die hopen dat de aanwezigheid van blanken enige bescherming biedt tegen de aanvallen van de Ute, terwijl zij zelf eropuit gaan om te gaan vechten – oftewel ­stelen.

Ze zijn van plan over een dag of twee weer op pad te gaan, en zijn al een paar dagen geheime incantaties aan het oefenen.

Horace Greeley (1811-1872), Amerikaanse journalist, uitgever en politicus. Ingekort fragment uit An Overland Journey. Knopf, 1963.

13 juni 1932: ‘We zijn absurd veel waarde gaan hechten aan een mensenleven’

Ik zei tegen Evelyn: ‘Weet je, een patriottische arts zou een paar van die lui met het pokkenvirus moeten injecteren. Dan maakt de rest vanzelf wel dat ze wegkomen uit Washington’ (twintigduizend oorlogsveteranen, zogeheten Bonus Marchers, demonstreerden in Washington D.C. voor uitbetaling van toegezegde gelden; de legerleiding noemde het een communistisch complot, red.).

Het is de eenvoud zelve, maar er is geen Amerikaan die het doet. We zijn absurd veel waarde gaan hechten aan een mensenleven. Als een dokter een geesteszieke tien minuten langer in leven kan houden, dan zal hij dat doen.

Van ons belastinggeld krijgen een half miljoen criminelen kost en inwoning in gevangenissen.

Een half miljoen debielen en imbecielen worden onderhouden in onze inrichtingen. Onze samen­leving zou er beter aan toe zijn als we de misdadigers ombrengen, al zouden er een paar onschuldigen bij geslachtofferd worden.

16 juni

Heb gisteravond naar het verslag van de Republikeinse Conventie in Chicago geluisterd. Een kleuterklasje had het er niet beter van afgebracht: bij elk onderwerp dat ertoe deed werd vermeden om de partij te steunen.

Alleen bij onderwerpen die niets uitmaakten voor de stembus werden er knopen doorgehakt.

Arthur Crew Inman (1895-1963), Amerikaanse kluizenaar. Ingekort fragment uit From a Darkened Room – The Inman Diary. Harvard University Press, 1996.

12 juni 1945: Overlevende van Auschwitz keert terug naar Amsterdam

Acht uur ’s ochtends komt er plotseling beweging in de boot en beginnen we te varen, maar al na korte tijd raakt de boot defect en moeten we overstappen. Ik merk dat er wel zes van die schepen ­varen, allemaal volgestouwd met mensen die terug zijn gekomen uit Duitsland.

Op het tweede schip – een groot vrachtschip – zit ik op dek. Op de hele boot is maar één wc en het is niet eenvoudig om die te bereiken. Vier uur ’s middags komen we eindelijk in Rotterdam aan. Daar staat een grote menigte te wachten die ons met gejuich ontvangt. Ook hier hangen van alle gebouwen vlaggen.

Deze ontvangst maakt grote indruk op me en ik begin te voelen wat het betekent bevrijd te zijn en terug te zijn in mijn dierbare vaderland. Bij het van boord gaan krijg ik chocolade en een pak biscuits. Ik begin meteen van de chocolade te eten. Voor het eerst dat ik weer chocolade proefde!

Nadat we ons in het havengebouw hebben laten registreren, kunnen we zelf de tram nemen naar het station Delftse Poort. Voor het eerst weer in een tram! Te midden van gewone passagiers die natuurlijk dagelijks in de tram zitten.

Op het station staat de trein naar Amsterdam al gereed. Naar Amsterdam! Overal waar we langskomen, zien we kapotte huizen.

Jozef Hilel Borensztajn (1898-1985), overleefde Auschwitz. Ingekort fragment uit Dagboek 1943-1945. Ambo, 1998.

11 juni 1825: Schotse politicus heeft pech bij de oversteek naar Rotterdam

Met het stoomschip de Koning der Nederlanden van Engeland vertrokken. We waren nog geen tien minuten op weg toen een deel van de stoommachine defect raakte. We vreesden dat we op halve kracht verder zouden moeten, maar na vijf uur oponthoud was het defect verholpen en konden we doorvaren.

Een uitzonderlijk warme dag, tot we op open zee waren.

12 juni

Mooi, warm weer. Om twee uur zagen we de Hollandse kust. We werden lange tijd gevolgd door een school bruinvissen, die op slechts een paar meter afstand aan het spelen waren.

De kust is laag en in de smalle monding van de Maas is het moeilijk navigeren. We zagen ettelijke scheepswrakken op een zandplaat. Het land lijkt dicht bebost en toen we de Maas opvoeren, zagen we enkele fraaie dorpen. De inwoners stonden in groepjes naar het passerende schip te kijken. Aangezien het zondag was hadden ze hun beste kleren aan.

Om acht uur legden we aan in Rotterdam. We betrokken onze kamers in het Schippershuis en maakten een wandeling door de stad. Door alle straten lopen kanalen, die aan weerszijden met bomen zijn beplant.

De inwoners lijken het goed naar hun zin te hebben, veel meer dan het gewone volk in Engeland.

Robert Dale Owen (1801-1877), Schotse politicus en hervormer. Ingekort fragment uit To Holland and to New Harmony. Indiana Historical Society, 1969.

10 mei 1964: DDR-staatshoofd Ulbricht ervaart niets dan vriendschap in de Sovjet-Unie

Nu wordt het dan tijd om afscheid te nemen van Siberië en het is alsof het vertrek ons wordt vergemakkelijkt, want het is koud en het regent dat het giet.

Het heeft de inwoners van Omsk niet belet zich met tienduizenden tegelijk op straat te wagen om ons vanonder paraplu’s een hartelijk vaarwel toe te roepen.

De voorzitter van het regionale landbouwcomité wenst de gasten uit de Duitse Democratische Republiek een goede luchtreis toe, wij danken voor de ervaren vriendschap en er klinken luide bravo’s voor het Russische volk, de Communistische Partij en de Duits-Russische vriendschap.

Dan een laatste groet, het vliegtuig komt met draaiende motoren aanrollen, stijgt op en zet koers naar Moskou. Hoe zwaar het ons ook valt: onze gedachten maken zich los van hetgeen achter ons ligt. Ze snellen het vliegtuig vooruit, naar de laatste dagen van het staatsbezoek en wat die voor bijzonders zullen opleveren.

De tijd vliegt, zelfs als we onze horloges terug moeten zetten en de dag twee uur langer wordt.

Bij de landing op Vnoekovo worden we opgewacht door Anastas Mikojan, die ons tien dagen eerder had uitgezwaaid.

Bezorgd vraagt kameraad Mikojan aan kameraad Kirilenko of de reis wel naar wens is verlopen en hij is pas tevreden als deze bescheiden zegt: ‘Alles in orde.’

Walter Ulbricht (1893-1973), DDR-staatshoofd. Ingekort fragment uit Reise in die Zukunft. Brockhaus Verlag, 1964.

6 juni 1989: ook buitenlandse journalisten zijn niet veilig voor het Chinese leger

Dinsdagochtend ging ik even langs de Wangfujingstraat voor mijn dagelijkse kogelgatencontrole van de Toyota. Hij was verdwenen. Het was maar een auto en ook nog eens een ouwetje, maar ik was ontroostbaar.

Zeven weken lang had ik negentien uur per dag gewerkt. Radio en televisie in Canada en de VS hadden dag en nacht gebeld voor snelle informatie. Veel verslaggevers stonden op instorten. Zelfs nog voor het bloedbad (op het Tiananmenplein, red.) was Kathy Wiliams van Associated Press zo uitgeput geraakt dat ze in het ziekenhuis werd opgenomen.

Als gevolg van het Tiananmen-dieet – gemiste maaltijden en weinig slaap – was ik veertien pond afgevallen. Na de diefstal van de auto besloot ik mijzelf op te vrolijken met een echte maaltijd. Norman en ik kozen het Palace Hotel, dat het ondanks de staat van beleg voor elkaar kreeg een uitgebreid buffet op te dienen.

Norman en ik hadden net onze kamer verlaten, toen we het bekende gebulder van een konvooi hoorden. Ik dook achter een paar struiken om het aantal tanks te kunnen tellen. Waarschijnlijk stelden ze het niet op prijs dat ik dat deed: de soldaten openden het vuur. Maar een paar nietige struikjes scheidden ons van hen.

In het Palace negeerde de hoffelijke maître het feit dat we onder het vuil zaten.

Jan Wong (1952), Canadese journaliste. Ingekort fragment uit Red China Blues. Vertaling Netty Pasman. Poema, 2008.

5 juni 1989: Stasi-chef is voor perestrojka en glasnost

Eva Siao is in Berlijn aangekomen. Van alle kanten wordt ze belaagd met vragen over de vreselijke gebeurtenissen op het Plein van de Hemelse Vrede.

Eva Siao (Eva Sandberg, red.) is van Duits-Joodse afkomst. In de Sovjet-Unie had ze haar latere echtgenoot, de Chinese schrijver en communist Emi Siao (Xiao San, red.) leren kennen. Ze vergezelde hem tijdens de gevechten van het Chinese volksbevrijdingsleger.

Eva was een van de slachtoffers van de Culturele Revolutie. Zeven jaar bracht ze in eenzame opsluiting door. De buitenwereld had haar al opgegeven.

Door de aanwezigheid van Eva beleven we het brute geweld van de Chinese regering des te intenser. De oude stelling van Mao dat de klassenstrijd zich in het socialisme verscherpt, krijgt een nieuwe dimensie. Maar het machtsvertoon kan de crisis niet oplossen. Repressie en leugens evenmin.

Onze regering neemt op kortzichtige wijze de officiële Chinese versie van de gebeurtenissen over. Het betekent de bezegeling van het buitensluiten van glasnost en perestrojka.

De ervaringen bewijzen echter dat er voor het socialisme geen andere weg is dan die van Gorbatsjov: het volk onverbloemd de waarheid vertellen en de macht die aan de partij was voorbehouden teruggeven.

Markus Wolf (1923-2006), tweede man in het DDR-ministerie voor Staatsveiligheid. Ingekort fragment uit Naar eer en geweten. Vertaling Ger Peeters. M&P Document, 1992.

4 juni 1999: iedereen dacht dat het Chinese leger nooit op studenten zou schieten

Vandaag, tien jaar geleden... Gorbatsjov had door zijn politiek van perestrojka (openheid) een nieuw politiek klimaat geschapen, niet alleen in de Sovjet-Unie maar in geheel Oost-Europa.

De Chinese regering sloeg het nauwlettend gade, Chinese studenten keken met kloppend hart toe. Gorbatsjov stond op het punt een staatsbezoek aan China te brengen. Beijing was vol buitenlandse journalisten.

Bij het overlijden van een gematigde Chinese leider gingen studenten de straat op. Ze marcheerden naar het Tiananmenplein en eisten een gesprek met een van de leiders. De regering deed niets.

Het protest ging de volgende dag door en verspreidde zich als een virus. Al gauw waren er honderdduizenden demonstranten op het plein. Gorbatsjov kon het plein niet bezoeken. Het was een publieke afgang.

Een aantal studenten had een ontmoeting met premier Li Peng, live op tv. Ze lazen hem de les.

Op 4 juni 1989 stuurde de regering het leger het plein op. De soldaten waren al dagen in de omgeving verzameld. De studenten hadden bloemen in hun geweerlopen gestoken. Ze hadden liedjes voor de soldaten gezongen.

Iedereen wist honderd procent zeker dat het Volksbevrijdings­leger nooit en te nimmer op Chinese studenten zou schieten. Dat vertrouwen was misplaatst.

Ted Koppel (1940), Amerikaanse tv-journalist. Ingekort fragment uit Off Camera – Private Thoughts Made Public. Vintage, 2001.

3 juni 1856: ellendig klokgebeier in Kaapstad bij het einde van de Krimoorlog

Omstreeks 7 ure hedenavond begonnen de zes klokken van de Engelsche kerk, welke ieder een andere toon geven, te bengelen. Dat geeft eene voorproef van de elende die wij morgen zullen moeten uitstaan.

Het bengelen is een proefneeming of het luiden morgen, tot viering van de geslotenen vrede in Europa (de Vrede van Parijs, het einde van de Krimoorlog, red.), goed zal gaan.

4 juni

Van morgen reeds vóór 6 ure begon de Engelsche kerk haar hoogstvervelende gebengel aan te vangen. De stad viert heden den geslotenen vrede. De winkels zijn bijna alle, de openbare kantore alle digt.

Van avond was de gansche stad verlicht, geïllumineerd. De municipaliteit had bekend gemaakt, dat het stadhuis zou verlicht worden, en de burgerij uitgenoodigd hetzelfde te doen te aanzien hunner huizen.

Voor het gouvernementshuis waren de naamletters van de Koningin van Engeland en den Keizer van Frankrijk – V. en N. (Victoria en Napoleon III, red.) – met gas verlicht. Even zoo voor het stadhuis, waar tevens met gas verlicht was: Peace.

Die zijn huis hier bij eene illuminatie niet verlicht, loopt gevaar dat zijne glazen worden ingegooid.

H.A.L. Hamelberg (1826-1896), Nederlandse jurist in Oranje-Vrijstaat. Ingekort fragment uit Die dagboek van H.A.L. Hamelberg. Van Riebeeck-Vereniging, 1952.

Noord-Zweden, 2 juni 1732: de Zweedse natuuronderzoeker Carl Linnaeus wenste dat hij was thuisgebleven

Eindelijk kwamen we bij een baai, die een uitloper van de rivier was. Deze moesten we tot naveldiepte in het koude water doorwaden, toen we in het midden kwamen was er een geul die zo diep was dat de langste stok nauwelijks tot de bodem kwam. Ik vond dat ik me in een gevaarlijke situatie bevond.

Meteen daarna begon het hoogveen, dat grotendeels onder water stond. Bij elke stap stond het water ons tot de knieën. En als we niet op een pol stapten, was het nog dieper.

Op sommige plekken was de diepte bodemloos, zodat we om het hele gebied heen moesten ­lopen. Onze laarzen stonden vol koud water. Had ik dit moeten doorstaan voor een grof misdrijf, was dit een strenge straf geweest, maar wat zal ik nu zeggen.

Ik wenste toen nooit aan deze reis te zijn begonnen. En bovendien bleken alle elementen tegen ons te zijn. Het regende en het begon te waaien. Ik was zelf verbijsterd dat ik het overleefde, echter volkomen uitgeput.

Nadat we overal vergeefs naar de nieuwe Same (lid van het Sami-volk in Lapland, red.) hadden gezocht, gingen we om 6 uur ’s morgens zitten en wrongen onze natte kleren uit, hoewel de koude noordenwind ons aan de ene zijde net zo schaadde als het vuur ons aan de andere zijde verbrandde en de muggen ons van opzij staken.

Carl Linnaeus (1707-1778), Zweedse natuuronderzoeker. Ingekort fragment uit Reis door Lapland. Vertaling Ger Meesters. Uitgave KNNV, 2007.

Rome, 30 mei 1938: in Duitsland praat iedereen over een kleine personenwagen voor bijna elk gezin

De Duce keurt mijn toespraak goed en zegt dat hij de partij zal opdragen felle haatgevoelens in ons land jegens de Fransen aan te wakkeren.

Hij wil dat ik Perth (ambassadeur van Groot-Brittannië, red.) laat weten dat hij de onderhandelingen met Frankrijk als afgebroken dient te beschouwen – eens te meer daar de mallotige Parijse kranten de Italiaans-Franse overeenkomst van een anti-Duits ­accent wensen te voorzien.

’s Middags vergezel ik de Spaanse piloten bij hun bezoek aan de Duce. Ik verzeker hen van onze steun, tot eens onze nationale vlag van de hoogste torenspitsen van Barcelona, Valencia en Madrid zal waaien.

31 mei
In Duitsland praat iedereen over de kleine personenwagen (de Volkswagen, red. ). Er moeten er zeven miljoen gebouwd worden, zodat bijna elk gezin over een eigen auto zal beschikken.

Mussolini zei tegen Attolico dat dit de genotzucht, die de Duitsers aangeboren is, zal versterken en ze minder krijgshaftig zal maken. De bourgeoisie leidt onvermijdelijk tot pacifisme.

Japan wil een geheim verdrag met ons sluiten. Ik sta daar niet afwijzend tegenover. Historisch gezien zullen Italië en Japan gezamenlijk moeten oprukken.


Galeazzo Ciano (1903-1944), fascistisch politicus, gehuwd met Mussolini’s dochter, in opdracht van zijn schoonvader gefusilleerd. Ingekort fragment uit Ciano’s Diary 1937-1938. Methuen, 1952.

28 mei 1840: naar Rome voor de zegen. ‘We konden de paus heel goed verstaan’

Rome, 28 mei 1840
Hemelvaartsdag. Tegen elf uur ­reden we naar de Sint-Jan van ­Lateranen, om er de benedictie mee te maken. Het was schitterend, het plein vol landsvolk, de trappen naar de nis met het mozaïek vol vrouwen, de hemel daarboven, de bergen in de verte – de warmte en de geuren, alles fijn ­poëtisch. We zaten in de hitte in de open wagen, zonder er last van te hebben.

Dankzij de schilderachtige omgeving is het hier mooier dan bij de Sint-Pieter. De wind stond van de kerk af en we konden de paus (Gregorius XVI, red.) heel goed verstaan.

Wilhelm begaf zich onder het volk en maakte er een groot aantal schetsen, Soutzos kwam met zijn tekenmap en Dugasseau klom aan boord en reed met ons terug.

Toen doken de plattelandsmeisjes op die Wilhelm had geportretteerd, ze herkenden hem, lachten en liepen naast de wagen met ons mee, Wilhelm gaf ze geld en maakte nieuwe tekeningen.

Het was een groot succes, een perfecte ochtend al met al.

30 mei
Zaterdag, na half twee ’s nachts. De hele dag aan het pakken geweest, de grote kist en diverse koffers. Kaselowsky voegde zich bij ons galgenmaal: een voortreffelijke kreeft, die hij in bloemrijke ­bewoordingen prees, met een fles Orvieto erbij.

Fanny Mendelssohn (1805-1847), Duitse klavierspeler en componist. Ingekort fragment uit haar ­Italienisches Tagebuch. Luchterhand, 1985.

27 mei 1864: de vrouw van een senator piekert tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog: ‘Het is zo stil en somber’


Heb de lijst van doden en gewonden gezien. Een hele kranten­kolom was niet voldoende voor alle doden van South Carolina.

Ik lees dat Stanton (minister van Oorlog van de Noordelijke Staten, red.) zegt dat hij generaal Grant ogenblikkelijk versterkingen kan sturen, als die erom vraagt.

De oude Lincoln zegt ‘blijven buffelen’, in dat curieuze boerentaaltje van hem. Buffelen is het enige dat we kunnen. Hoe moeten we voldoen aan de oproep ‘te versterken waar er versterkt moet worden’? Onze soldaten zijn allemaal naar het front. Alleen de oude mannen en kinderen zijn nog thuis.

En de onvrede van Joe Johnston (generaal die zich gepasseerd voelde bij een promotie, red.) vreet aan onze verwarde natie. Rechter Withers zegt: ‘Jeff Davis drinkt!’ (Jefferson Davis, president van de Zuidelijke Staten, red.).

‘Nee, het is een serieuze man, rustig, beslist, toegewijd aan zijn taak en zonder zwakheden.’

‘Nou, dan drinkt hij niet. Maar zijn hoofd is een mistbank.’

Ze hebben van Davis hun zondebok gemaakt.

Ik kan onmogelijk slapen, het is zo stil en somber. Het maanlicht schijnt door mijn raam, bleek en droevig. En de wind, de zachte zuidenwind, waait over een veld met violen, lelies, rozen, oranjebloesems en magnolia.

Mary Chesnut (1823-1886), echtgenote van de senator van South Carolina. Ingekort fragment uit Mary Chesnut’s Civil War. Yale University Press, 1981.

26 mei 1932: schoten in Berlijn, schoten in Hamburg, schoten in Düsseldorf

Donderdagavond ben ik in de Müllerstrasse in Wedding. Bij het eindpunt van de ondergrondse zijn de Pharuszalen. In de ingang staat een Schupo. Handen op de rug, kaalgeschoren hoofd. Het vleesgeworden ‘Befehl ist Befehl’.

Een arbeider wil de poort door, maar wordt tegenhouden. ‘Communistische vergadering verboden’, snauwt hij. ‘Doorlopen.’ Meer arbeiders komen opdagen. Een Schupo-patrouille nadert met de hand op de gummistok. ‘Door­lopen.’ Protesten klinken op. ‘Als het maar een nazivergadering was’, wordt er geroepen.

De mannen lopen met gebalde vuisten. De verontwaardiging is algemeen. ‘In Hamburg hebben de zwijnen geschoten.’ ‘Onze vergaderingen verbieden ze, het fascisme hebben ze groot gefokt.’

Een overvalwagen komt aan in de Ostende Strasse en daarachter nog een en nog een. De Schupo’s springen van de banken op straat. Hun wapens kletteren.

In de etalages van de Lokal-Anzeiger hangen de Hugenberg­bladen (genoemd naar de mediabaron en Hitler-bewonderaar ­Alfred Hugenberg, red.). ‘Onlusten in het hele rijk. Schoten in Düsseldorf. Schoten in Berlijn. Schoten in Hamburg.’ ‘Politie schiet uit noodweer op communisten.’

‘Dat kennen we’, zegt een jonge arbeider. Overal hangen mensen nu uit de ramen en volgen het voorbijtrekkende onrecht.

Jacques Gans (1907-1972), schrijver en journalist. Ingekort fragment uit Berlijns dagboek 1931-1933. Uitgeverij Peter van der Velden, 1980.

23 mei 1823: dichteres reist door het land van de vele wateren

Weinig reizigers zullen tevredener zijn geweest dan wij gedurende ons tweedaagse verblijf in deze fraaie stad, waaruit wij inmiddels zijn vertrokken.

We brachten een bezoek aan de kathedraal, waar we hebben genoten van de schilderijen van Rubens en waar ons genot welhaast tot verrukking steeg toen het orgel op volle kracht begon te spelen en het statige bouwwerk tot in de verste hoeken met geluid werd gevuld...

De tweede kerk die ons bekoorde was de Sint-Jacobskerk, met het familiegraf van Rubens in een ­kapel of reces met een hek ervoor. Er hing een schilderij van de grote meester zelf in.

Dordrecht, 24 mei

Om negen uur zijn we met de postkoets uit Antwerpen vertrokken. Breda zag er fraai uit in het maanlicht. Met de stoomboot zijn we de Bies Bosch bij Dort overgestoken en om half zes ’s ochtends kwamen we aan in de stad. We zijn nu in het land van de vele wateren.

We hebben de toren beklommen, waarop het jaartal 1626 staat, met een boeiend uitzicht naar alle kanten – het stadhuis, de beurs, kronkelende straten, ­bomen en rivieren. De voetpaden, door bomen omzoomd, zien er koel uit.

Het oog volgt de loop van vijf ­waterwegen die alle van verschillende kanten van de stad een andere loop het land in nemen.

Dorothy Wordsworth (1771-1855), Engelse dichter en schrijver. Ingekort fragment uit Journals of Dorothy Wordsworth, vol. II. Mac­millan, 1897.

22 mei 1849: hoe kan zo’n domkop theaterdirecteur zijn?

Bezoek van Ferdinand Heine (kostuumontwerper, red.), met wie ik nog nauwelijks had besproken wat ons te doen staat, toen Lüttichau zich meldde (W.A. von Lüttichau, leider van het Königliches Hoftheater, red.).

Hij liet een lijst zien van de allermiddelmatigste opera’s en stukken waarmee hij het theater wil heropenen. De belangrijkste zaak op aarde lijkt hem daarbij een assortiment boerenkostuums, en ofschoon Heine zei dat je die overal in een handomdraai kunt krijgen en dat het er nu vooral om gaat lijn in het repertoire en de kostumering te brengen, bleef hij om de haverklap ‘de boerenkostuums’ zeggen.

Onvoorstelbaar. Hoe is het ­mogelijk dat zo’n domkop vijfentwintig jaar lang aan het hoofd van deze instelling staat, en dat deze instelling nog floreert ook!

Alles wil hij schrappen: de enige kleermaker die weet hoe je kostuums moet maken, een seniele kleermaakster daarentegen in dienst houden en weer andere ­leden van de kostuumafdeling eruit gooien, precies op het moment dat we tienvoudig dienen uit te breiden.

Toen we hem op de enorme hoeveel werk wezen die ons te wachten staat, werd hij bleek om de neus. Jammerend en klagend blies hij daarna de aftocht.

Eduard Devrient (1801-1877), Duitse theaterregisseur en -directeur. Uit Aus seinen Tagebüchern, Berlin-Dresden 1836-1852. Hermann Böhlaus Nachfolger, 1964.

21 mei 1811: een pijnlijk beleefdheidsbezoek van een oude vlam

Berlijn, 21 mei 1811
Gistermiddag was Finckenstein bij mij. Hij vroeg niets. Ook niet hoe het met mij gaat. Hij leek me niets veranderd, al is alles aan en in hem compacter geworden.

Hij zit er zo bezadigd bij alsof hij werkelijk de tempel van wijsheid en geluk heeft gevonden. Zijn gezicht was als vanouds; met enige rimpels onder de ogen die het leven er heeft achtergelaten.

Opeens zei hij: ‘Ik zou graag willen dat u mijn vrouw ontmoet, dan kunt u zien of zij u bevalt.’ Ik bleef zitten, hij bleef zitten, stil scheen de zon. Ik mag geen verschrikkelijke dingen denken, dingen die ongepast zijn.

Mijn ziel was ontsteld, mijn hart van slag – als twaalf jaar geleden, alsof er niets is veranderd.

‘Je moordenaar!’, dacht ik, en ik bleef rustig zitten. De tranen stonden in mijn ogen. Als een hem toebehorend wezen voelde ik mij. Hij had me mogen verslinden. Hij, mij!

Dat God hem vergeve – ik kan het hem niet vergeven! Niet als ik geen nieuw hart krijg – met dit hart gaat het niet. Geen ziekte, geen openbaring, geen innerlijke omwenteling is daartoe bij machte.

Misschien bestaan er mensen wier hart veranderen kan; mij is veel overkomen, ik heb veel doorstaan, doch telkens weer kwam het hart ongeschonden uit de vlammen tevoorschijn, louter ­levend voor zichzelf.

Rahel Varnhagen (1771-1833), Duitse filosofe en salonnière. Ingekort fragment uit Jeder Wunsch wird Frivolität genannt – Briefe und Tagebücher. Luchterhand, 1983.

20 mei 1856: paus laat de naakte lijven in Michelangelo’s meesterwerk kleden

Rome, 20 mei 1856
Veel heeft het grootsche tafereel (Het Laatste Oordeel in de Sixtijnse Kapel, red.) reeds geleden door den walm der toortsen en den damp des wierooks, die hier twee en een halve eeuw omhoog ­stegen.

Toch werd het Kunstwerk reeds bij het leven des Schilders bedreigd door het gevaar eener ­geheele vernieling, waaraan het echter gelukkig ontsnapt is.

Paus Paul IV namelijk, door zijn Ceremoniemeester Biagio van Siena daarop opmerkzaam gemaakt, ergerde zich aan de naaktheid der figuren en dacht er over, het gantsche Kunststuk te laten uitwisschen.

Hij liet echter Michaël-Angelo uitnoodigen, de ‘onkieschheid’ te verhelpen; maar de fiere Kunstenaar andwoordde, ‘dat wanneer Zijne Heiligheid maar eerst de waereld verbeterde, zijne schilderij daardoor van zelve verbeterd zou zijn,’ met andere woorden, dat den reine alles rein, den onreine daarentegen alles onrein is.

De Paus scheen den wenk niet te begrijpen en gaf zekeren Daniële da Volterra den eervollen last om de meest in ’t oog vallende figuren met draperiën te bekleeden, waardoor deze heer den onsterfelijken bijnaam van ‘bracchettone’ (‘den broekenmaker’) verwierf.

Michaël-Angelo wreekte zich door genoemden Biagio met Midas­ooren treffend gelijkend af te beelden.

J.J.L. ten Kate (1819-1889), dichter en dominee. Ingekort fragment uit Italië – reisherinneringen. J. Swaan, 1857.

Moskou, 19 mei 1935: De trots en roem van de Sovjet-Unie is neergestort

Gisteren is het reusachtige achtmotorige vliegtuig Maksim Gorki neergestort, de trots en roem niet alleen van onze Sovjet-Unie, maar veruit het grootste vliegtuig ter wereld. Trouwens, wat dit laatste betreft, weet ik niets met zekerheid, want onze kranten kun je niet geloven.

De Maksim Gorki vloog onder begeleiding van twee tweedekkers, waarvan er een op te korte afstand loopings begon te draaien. De tweedekker raakte de Maksim Gorki en beschadigde hem. De vijfenzestig meter lange kolos maakte een buiteling, vloog omlaag en verloor onderdelen. Samen met de Maksim Gorki stortte ook de tweedekker neer.

Van de gracieuze gigant bleef een grijze hoop metaal over. Door een blunder vonden zevenenveertig mensen een afschuwelijke dood. En de prachtige Maksim Gorki die in stukken vloog.

Hij werd niet gebouwd om ergens dienst te doen, want hij vervoerde niets en had ook geen militaire betekenis, maar opdat onze Sovjet-Unie een van de eerste plaatsen in de wereld zou innemen, zodat je kon zeggen: ‘Kijk eens wat een vliegtuigindustrie we hebben! Wat een giganten we maken!’

Hoeveel is er bij ons niet voor de show, hoeveel opschepperij is er niet. En vanwege die opschepperij moeten we lijden.

Nina Loegovskaja (1918-1993). Ingekort fragment uit Ik wil leven – Geheim dagboek van een Russisch meisje tijdens het Stalin-bewind. Vertaling Anne Pries. Archipel, 2004.

Vrijdag 16 mei 1958: Europeanen lijken op hazen, Amerikanen op schapen

Het aantal schapen op het vliegveld van Wenen doet niet onder voor het aantal hazen op het vliegveld van Los Angeles. De schapen gaan gewoon door met grazen als er een vliegtuig landt, terwijl de hazen maken dat ze wegkomen.

De mensen in Europa lijken op de hazen in Los Angeles: ze zijn bang voor een kernoorlog. Amerikanen lijken op de schapen in Wenen: ze piekeren niet over de oorlog en laten zich geen hap ontgaan.

Twaalf jaar geleden was ik voor het laatst in Wenen. Generaal Mark Clark bestierde toen een deel van de stad. De Russen en de Britten elk een ander deel. Ze spraken niet met elkaar. Het ene incident volgde op het andere.

De opera was een ruïne. Overal werd puin geruimd. Zo zag Wenen eruit in 1946. Tegenwoordig is Wenen in goeden doen. De opera is weken tevoren uitverkocht. Alleen dankzij de portier van Hotel Bristol en diens connecties hebben we kaartjes voor La Bohème kunnen krijgen.

Wenen is welvarend, de inwoners zijn welgemoed, dankzij hun harde werken en dankzij de Amerikaanse hulp.

Maar ze blikken terug op de gevolgen van twee wereldoorlogen en op de enorme inspanning die het kostte om hun geliefde opera weer op te bouwen, en je snapt waarom ze op de hazen op het vliegveld van Los Angeles lijken.

Drew Pearson (1897-1969), Amerikaanse journalist. Ingekort fragment uit Diaries 1949-1959. Jonathan Cape, 1974.

15 mei 1981: Lord Porn bindt de strijd aan met porno

Indecent Displays Bill. De pornografie-commissie adviseerde een drievoudige aanpak: mildere vormen dienen niet te worden geëtaleerd, harde porno dient in het geheel niet verkocht te worden, het uitbuiten van seksacteurs dient strafrechtelijk te worden vervolgd.

Ik heb kort gesproken. Na enige aarzeling heb ik een al vaak aangehaald verhaal verteld: ‘Een taxichauffeur reed mij naar mijn flat en zei: ‘‘Neem me niet kwalijk dat ik uw naam vraag. Ik weet dat u Lord Porn heet, maar wat is uw andere naam?’’

The Guardian citeert het vanmorgen en ook The Times, die er ‘hilariteit’ aan toevoegt. Een goede grap kan kennelijk niet vaak genoeg herhaald worden. Maar ik vermijd de blikken van de gerespecteerde Lords, die dit al vaak genoeg hebben moeten aanhoren.

Een nicht van Elizabeth, die zich met genoegen lesbisch noemt, heeft me gevraagd haar groep toe te spreken. Mijn onderwerp was ‘outcasts’. Ik ben zelf beschreven als een ‘outcast onder de outcasts’, dus ik meen dat ik iets te melden heb over het onderwerp.

Mijn beste vriend in Eton vertelde me dat 75 procent van de jongens ervaring heeft met homoseksualiteit.

Ik zei dat mij dat niet was opgevallen, waarop hij zei: ‘Dat komt doordat je niet erg oplet, en je bent behoorlijk geremd ook.’

Lord Longford (1905-2001), schrijver en lid van het Britse Hogerhuis. Uit Diary Of a Year. Weidenfeld & Nicolson, 1982.

14 mei 1660: Kuierend door een kraakzindelijke stad

Den Haag, 14 mei 1660
Wakker wordend uit mijn poortje de kust in zicht; Den Haag duidelijk te zien. Al gauw enkele opdringerige Hollanders aan boord om vletten te verhuren. Twee heeren van mylord naar den wal om de koningin van Bohemen (tante van de Engelse koning Charles II, red.) de hand te kussen.

Na den middag de heeren terug, doch weer naar den wal gezonden om den prins van Oranje (de 10-jarige Willem III, red.) te complimenteeren. Het weer ruw en klets­nat gespat, met moeite geland.

Het land tussschen Scheveningen en den Haag één zandvlakte. Plaats gevonden in een diligence, waarin twee schatten van meisjes, zeer modieus en met mouches, die lustig gezongen en nogal vrijmoedig de twee grappenmakers gezoend, waar zij mee uit. Ik mijn fluit te voorschijn gehaald en gespeeld, maar daarbij mijn degenstok verloren. Mijn hutjongen teruggestuurd, die hem gevonden, met gebroken scheede.

Den Haag een keurige stad; de huizen kraakzindelijk. Wat gekuierd. Wilden den prins van Oranje zien, doch hij uit met zijn gouverneur. ’s Avonds 10 uur de prins thuisgekomen, vonden gemakkelijk toegang. Zijn hof erg sober voor een vorst, doch wel keurig en hijzelf een knappe jongen.

Daarna gesoupeerd, het met drie karbonades moeten stellen voor tien personen.

Samuel Pepys (1633-1703), ambtenaar van de Engelse admiraliteit. Ingekort fragment uit In woelige dagen. Vertaling J.C. Mollema. H.D. Tjeenk Willink, 1948.

13 mei 1999: de eerste Nederlandse vrouw op de top van Mount Everest

Het grootste gedeelte van de topklim heb ik achter de rug. Vanaf de Zuidtop kijk ik naar de Hillary Step, de beroemde twaalf meter hoge rotspassage. Technisch gezien is dit het lastigste onderdeel van de hele Everest-beklimming.

Ik draai de zuurstofregelaar van twee naar drieënhalve liter per minuut en verlaat de Zuidtop. De top van de wereld kan me bijna niet meer ontgaan. Ik ga de Moedergodin Chomolungma nu echt een hand geven.

Eerst een stukje omlaag. Hier viel de Amerikaanse Lauri een week geleden tien meter naar beneden. Blijven opletten. Mijn hand zoekt steun tegen de rots en ik spreid mijn voeten in de logge schoenen. Weer een stapje verder. Is dit alles? Me voor niks zenuwachtig gemaakt.

Ik kijk naar links. Meer dan twee kilometer lager ligt kamp 2. Nee, ik ga niet vallen. Geen sprake van. Ook niet naar rechts, want dan lig ik drie kilometer lager in Tibet.

Het laatste stukje topgraat. Geen touw, blijven concentreren. Ineens mist. Een rood pak, Dave Rodney. We lachen naar elkaar. Ga maar voor, gebaart hij. Slechts heel licht stijg je hier nog. De laatste corniche, flauw naar rechts en daar...

Hoever is het nog? Veertig meter? Ik weet dat ik de afstanden hier niet goed meer kan inschatten. Ik voel tranen opkomen. Wat jammer dat mijn vader dit niet meer kan meemaken.

Katja Staartjes (1963). Ingekort fragment uit Hoog spel – de eerste Nederlandse vrouw op de top van de Everest. Podium, 1999.

12 mei 1996: struikelen en sterven op Mount Everest

De hele groep is bij elkaar. Te oordelen naar hoe we eruitzien, heeft er iemand met een honkbalknuppel door het kamp gelopen: gezwollen ogen, boksersneuzen, zwarte wangen en lippen. Vlees dat loslaat.

Terwijl de werkelijkheid tot ons doordringt, wisselen lachen en huilen elkaar af. En we zijn nog niet eens beneden: we moeten nog door de Western Cwm. En door de IJsval – voor de laatste keer.

Berichten uit de kampen boven ons bevestigen steeds weer dat Scott dood is (expeditieleider Scott Fischer, red.). Lopsang is op weg naar beneden, en ik wacht vol ongeduld op hem. Ik wil horen wat hij te vertellen heeft, voordat ik Scott voor mijzelf doodverklaar.

Lopsang daalt de helling af. Wij wachten, de Sherpa’s wachten. Ik loop hem tegemoet, en hij valt me snikkend in de armen.

‘Scott is dood. Mijn vader ging naar boven om hem te halen. Scott lag in de sneeuw. Hij had zijn donspak half uitgetrokken en zijn hand was naar de hemel gestrekt.

‘Hij was al niet in orde op de top, Lene. Hij zei dat hij moe was, zo moe. Op weg naar beneden moest ik hem aan het touw nemen. Hij struikelde en viel en wilde niet meer verder. Op de sneeuwflank probeerde hij naar beneden te ­‘skiën’, naar Tibet.

‘Ik moest mezelf langs een touw naar beneden laten zakken om hem weer naar boven te krijgen.’

Lene Gammelgaard (1961), Deense bergbeklimmer. Ingekort fragment uit De laatste uitdaging. Vertaling Raymond Noë. Bzztôh, 1999.

9 mei 1920: in Amsterdam krijgt Willem Mengelberg bij het Mahlerfeest een kostbaar geschenk


Zondagmorgen was er een gigantisch feest bij Mengelberg thuis. Eerst onder zijn ramen een muzikale hulde door alle musici van zijn orkest. Mengelberg verscheen op het balkon. Boven en beneden zwaaien. Kleurige doeken.

Toen moest ik mij haasten om de Schönbergs van het station te halen. Met hen beiden weer naar huize Mengelberg. Ik had hem het manuscript van de partituur van de Zevende symfonie geschonken... die had hij waarlijk wel verdiend door zijn inzet voor Mahlers werk.

We logeren bij een oude, zeer adellijke dame: mevrouw Marez de Oyens. In een oud deftig huis. Omdat het vlak bij het Concertgebouw ligt (de weduwe de Marez Oyens – haar correcte naam – woonde op Museumplein 6, red.), gaan we steeds te voet heen en ­terug, wat met het oog op het miserabele weer hier niet tot de aangenaamste kanten van het leven behoort.

De oude dame heeft een hoge ­diamant-diadeem op, en we soppen beiden met elegante schoentjes en lange sleepjurken door de modder.

Menselijk had ik een sterke indruk van de schilder Toorop. Zijn geest licht op uit een prachtig, diepbruin gezicht met koolzwarte lokken.

Hij bewoog zich moeizaam voort aan de arm van de doofstomme Ambrosi, wiens snobgezicht ook straalde.

Alma Mahler (1879-1964), Oostenrijkse componist. Ingekort fragment uit Mijn leven. Vertaling Willem van Toorn. De Arbeiderspers, 1989.

8 mei 1747: vuurpijlen en flambouwen! Willem IV is de nieuwe stadhouder

Deeze morgen is het oranjevaendel boven op de tooren geplant; ook is een oranje vaendel boven op het hoffie van Staats, alsmeede voor alle brouwereijen geplaatst (door de benoeming van Willem IV tot stadhouder verkeerde het land in een oranjeroes, red.).

Heden is afgekondigt dat een ijder bedagt moest zijn zijn huis na zijn vermogen te illumineren, en verzogt zoveel vreugd als mogelijk was te bedrijven; hetwelk dan in volle order geschied is.

Man zag door de stad veele triumphboogen opgeregt, en de illuminatie begon te 8 uuren, wanneer men eenig ligt aan de tooren van de groote kerk gewaar wierd, waarop alle huizen de gantse stad door verligt waaren.

Doch de fraaiste vertoning, mijn’s bedunkens, gaf het huis van mevrouw de Raat, alwaar de kaarsen in een zeer cierlijk order geplaatst waaren, deeze verligting duurde tot smorgens vier uuren, wanneer de ligten op de tooren wierden uitgebluscht.

Somtijds zag men eenige vuurwerken, voornamentlijk bij den Heer Renst, alwaar de geheele nagt door 2 piktonne en 2 flambouwen brandden, en gedurig vuurpijlen, waterkaarsen en serpenten wierden afgeschoten, alsmeede 6 a 8 snaphaanen (handvuurwapens, red.) tegelijk.

Jacobus Barnaart jr. (1726-1780), koopman en mededirecteur Teylers Stichting. Ingekort fragment uit ed. Cécile van Boven-van Aerssen: Dagverhaal van merkwaardige voorvallen aangetekend door Jacobus Barnaart Junior. Bron: dbnl.org.

7 mei 1941: zevenentwintig doden in één straat bij bommen op Bath

Mensen uit Bristol komen hier boodschappen doen, nu veel winkels in Bristol verloren zijn gegaan. De stad wordt gedomineerd door de admiraliteit, die hier een hoge borst opzet. Voorrang in winkels en restaurants als ze ‘ik ben van de admiraliteit’ zeggen – tot ergernis van de lokale bevolking.

De restaurants zitten bomvol, je moet reserveren als je een tafel wilt. Hogere prijzen dan in Londen. Het zit zo vol dat twee dames bij ons aanschoven.

Na de lunch met de bus naar Bristol. Thee bij Kathleen en Eric Tucker, die wonen naast een huizenblok dat een voltreffer incasseerde bij de luchtaanval op Goede Vrijdag.

De taxichauffeur die ons erheen reed woonde er ook. In zijn vrije tijd assisteert hij een begrafenisondernemer en hij heeft al heel wat mensen uit de puinhopen opgegraven, in één straat 27 doden. Onder het werk rookt hij een pijp.

Kathy en hij vertelden hoe Churchill hier is ontvangen. Hij kwam voor een eredoctoraat aan de universiteit. In het Grand Hotel genoot hij van een stevig ontbijt, terwijl veel mensen in Bristol honger lijden.

Toen Churchill het net gebombardeerde huizenblok bezocht, werd hij opgewacht door demonstranten met een protestbord: ‘We hebben genoeg van Churchill met zijn sigaar, we willen vrede’.

Vera Brittain (1893-1970), Britse pacifist en feminist. Ingekort fragment uit Wartime Chronicle – Vera Brittain’s Diary. Gollancz, 1989. Mensen uit Bristol komen hier boodschappen doen, nu veel winkels in Bristol verloren zijn gegaan. De stad wordt gedomineerd door de admiraliteit, die hier een hoge borst opzet. Voorrang in winkels en restaurants als ze ‘ik ben van de admiraliteit’ zeggen – tot ergernis van de lokale bevolking.

De restaurants zitten bomvol, je moet reserveren als je een tafel wilt. Hogere prijzen dan in Londen. Het zit zo vol dat twee dames bij ons aanschoven.

Na de lunch met de bus naar Bristol. Thee bij Kathleen en Eric Tucker, die wonen naast een huizenblok dat een voltreffer incasseerde bij de luchtaanval op Goede Vrijdag.

De taxichauffeur die ons erheen reed woonde er ook. In zijn vrije tijd assisteert hij een begrafenisondernemer en hij heeft al heel wat mensen uit de puinhopen opgegraven, in één straat 27 doden. Onder het werk rookt hij een pijp.

Kathy en hij vertelden hoe Churchill hier is ontvangen. Hij kwam voor een eredoctoraat aan de universiteit. In het Grand Hotel genoot hij van een stevig ontbijt, terwijl veel mensen in Bristol honger lijden.

Toen Churchill het net gebombardeerde huizenblok bezocht, werd hij opgewacht door demonstranten met een protestbord: ‘We hebben genoeg van Churchill met zijn sigaar, we willen vrede’.

Vera Brittain (1893-1970), Britse pacifist en feminist. Ingekort fragment uit Wartime Chronicle – Vera Brittain’s Diary. Gollancz, 1989.

6 mei 2002: de briljante Pim Fortuyn is wel degelijk gedemoniseerd

Voor het eerst in eeuwen is er in Nederland een politicus vermoord: Pim Fortuyn.

Ik zette de radio aan en viel midden in een live-reportage, vlak na de aanslag. Hij was neergeschoten toen hij een televisiestudio verliet en lag op de parkeerplaats, met vijf kogels in zijn lichaam.

De verslaggever zei: ‘Het witte laken gaat over hem heen, het is afgelopen.’

Twee dagen tevoren had ik Fortuyn op televisie in een debat met drie zeer scherpe journalisten vol bewondering gadegeslagen. Hij was werkelijk briljant in het debat, dapper, een provocateur van jewelste, ijdel (vooral uit onzekerheid eigenlijk) en ook kwetsbaar.

Dit was geen racist, geen rechts-extremist. Eindelijk een ­politicus die zijn mond durft open te doen en dingen durft te zeggen. Fortuyn heeft het taboe op een debat over allochtonen doorbroken.

Het zijn de politici van de gevestigde orde en de media geweest die een stemming van haat en verachting rond Fortuyn hebben gecreëerd en deze aanslag mede mogelijk hebben gemaakt. Vanavond zullen deze politici deze beschuldiging van de hand wijzen.

Toch zal elke historicus die de kranten en televisieprogramma’s van de verkiezingsstrijd van de afgelopen maanden bekijkt tot deze conclusie komen: Fortuyn is gedemoniseerd.

Oek de Jong (1952), schrijver. Ingekort fragment uit De wonderen van de heilbot. Uitgeverij Augustus, 2006.

4 en 5 mei 1550: twijfel aan de maagdelijke geboorte kan je je leven kosten

Joan Bocher, bekend als Joan van Kent, is op de brandstapel verbrand omdat ze weigerde te geloven dat Christus uit de Heilige Maagd Maria is geboren.

Ze was een jaar eerder veroordeeld, maar er was hoop dat zij tot inkeer zou komen en op 30 april zouden de bisschop van Londen en de bisschop van Ely haar trachten te bekeren, maar ze verzette zich en beschimpte de predikant die in haar laatste uur voor haar bad.

4 mei
Lord Clinton, voormalig kapitein van Boulogne, bezocht het hof, waar hij na dankzeggingen tot admiraal van Engeland werd benoemd. Hij werd ook benoemd tot lid van de Privy Counsel, met meer beloningen in het vooruitzicht. Ook de kapiteins en officieren van de stad werden beloningen toegezegd.

Op weg naar Schotland bracht monsieur de Brisay een bezoek aan het hof. Hij bezocht de koning in Greenwich, waar hij verkondigde dat de koning van Frankrijk (Hendrik II, red.) erop zal toezien dat als hij ergens behoefte aan heeft, deze het hem zal schenken.

5 mei
De markies du Means vertrok met monsieur de Brisay naar Schotland om de koningin te condoleren met het overlijden van de hertog van Guise.

Eduard VI (1537-1553), zoon van Hendrik VIII en Jane Seymour, van 1547 tot zijn overlijden op 15-jarige leeftijd koning van Engeland. Ingekort fragment uit The Chronicle and Political Papers of Edward VI. Allen & Unwin, 1966.

1 mei 1937: ‘Viva la libertad’, roepen de boeren, ‘Viva!’

Voor de 1 mei-viering heeft Torija zich feestelijk opgemaakt. Bij de ingang van het dorp hangt een spandoek met de tekst ‘Saluut aan de XIde Brigade!’. Uit vele vensters waaien de vlaggen van de Republiek.

Boeren uit de omgeving zijn te gast bij het bataljon ‘André’ en bij de divisiestaf die in het dorp zijn ingekwartierd. De maaltijd waarvoor ze zijn uitgenodigd, is al begonnen. Men wijst ons de weg. In een groot vertrek van een verjaagde grootgrondbezitter zitten de boeren aan tafel met de staf­officieren.

Hans Kahle houdt de openingstoespraak. Hij zegt dat de Republiek een vriend van de boeren is, en meer nog: dat zij zélf de Republiek vormen en dat de strijd hún strijd is. ‘Het gaat om jullie vrijheid, om jullie grond, om jullie vrouwen en om de toekomst van jullie kinderen!

‘De soldaten van de Internationale Brigades die hier gekomen zijn om jullie in je strijd bij te staan, zijn geen huurlingen. Zij zijn hier omdat hun vijanden ook úw vijanden zijn: Hitler en Mussolini, die jullie willen uitbuiten en onderdrukken.

‘Omdat wij een gemeenschappelijke vijand hebben, vechten wij in het Spaanse volksleger mee voor uw en onze vrijheid. Viva la Republica Española!

‘Viva la libertad! Viva!’, roepen de boeren.

Alfred Kantorowicz (1899-1979), Duitse journalist. Ingekort fragment uit Spanisches Kriegstagebuch. Verlag Wissenschaft und Politik, 1966.

30 april 1994: zelfs een racist kan zien dat Mandela een goeie gast is

Toen ik rond het middaguur door Simonstad fietste, stapte ik af bij de marineclub, waar een Engels sprekende adelborst – een baardloze jongen met roze wangen, blauwe ogen en blonde krullen – vertelde hoe het hem speet dat hij tien maanden te jong was om te mogen stemmen.

‘Ik had graag iets bijgedragen aan de geschiedenis. Het was heus geen mysterie of mirakel, wat mensen ook beweren. Dat leek alleen maar zo, omdat mensen op voorhand in paniek raakten.’

‘Vooruit’, zei ik, ‘vertel op.’

‘Het is toch duidelijk? Ik heb niets bijzonders te melden. De meeste Zuid-Afrikanen willen gewoon vrede. En we hadden verkiezingen om dat te regelen. Dus waarom zou je dan herrie willen schoppen? Als dingen veranderen, gaan mensen daarin mee.

‘Vijf jaar geleden was mijn vader nog een racist, nu niet meer. Hij heeft nu vrede met een zwarte president. Misschien niet met elke zwarte president, maar Mandela maakt het ze makkelijk. Zelfs mensen die hem een communist noemen, vertrouwen hem. Je moet wel getikt zijn om niet te zien dat het een goeie gast is.’

Een goeie gast. Zeg dat wel. Toen ik verder fietste, bedacht ik dat Madiba geen gewone politicus is. Hij heeft de waardigheid en het zelfvertrouwen van iemand die niet naar autoriteit streeft, maar die geschonken heeft gekregen.

Dervla Murphy (1931-2022), Ierse reisschrijver. Ingekort fragment uit South from the Limpopo. Flamingo, 1997.

29 april 1910: in alle vroegte roept een koekoek duizendzesenvijftig keer koekoek

Vanochtend om kwart voor vier zette ik mijn raam open en vijf minuten later begon er een koekoek te zingen. Ik telde het aantal ­noten dat hij herhaalde, vanaf het moment dat hij er een dozijn of wat had gezongen.

Waarschijnlijk zat hij in de grote eikenboom op zo’n driehonderd meter van mijn huis, en terwijl ik bleef tellen, met mijn horloge in de hand, bleef hij wel vijfentwintig minuten doorgaan.

Hij begon met een reeks van 208, tot een andere koekoek hem in de verte onderbrak, maar na zo’n vijftien seconden begon hij opnieuw met een reeks van 368, gevolgd door een reeks van 71, een volgende van 354 en ten slotte 55.

Alles bij elkaar 1056 noten, met geen langere onderbreking dan een kwart minuut, en zonder te veranderen van de plek vanwaaraf hij zong. Aan de secondewijzer van mijn horloge kon ik afmeten dat hij 38 tot veertig noten per minuut haalde, hoewel hij in het begin sneller en regelmatiger zong.

Dit moet een recordprestatie zijn. Onderwijl heb ik het resultaat met potlood op een kaartje genoteerd. Om kwart over vier was het afgelopen.

6 mei

Naar Londen, waar ik alles in rep en roer vond door het nieuws van de plotselinge ziekte van de koning, die waarschijnlijk het einde van de dag niet zal halen.

Wilfrid Scawen Blunt (1840-1923), Engelse schrijver, paardenfokker en avonturier. Ingekort fragment uit My Diaries – Being a Personal Narrative of Events 1888-1914. Knopf, 1922.

28 april 1943: paniek, geschreeuw, hevig gekraak: een olifant breekt uit het bos

De weg was ellendig, steil klimmen. Half 10 ’s avonds bereikten we de pas. De Jappen hebben weer een jaagbui, veel te hoog tempo. Om 11 uur Junglekamp nummer 1, waar we drinkwater krijgen. Terwijl we staan te wachten, word ik misselijk en ga van mijn stokje. Dat ontbrak er nog maar aan.

De tocht wordt een marteling: stikdonker, geen maan. Je loopt met een hand op de veldzak van je voorman, om elkaar niet kwijt te raken. Door de bewolking en gietregen is het zo donker dat je net zo goed met dichte ogen kan lopen.

Struikelen, strompelen, gekreun en ijselijk gevloek. De achterste Jap, met lamp en bamboe, geeft zo nu en dan een gil, springt tussen de achterste groep en ranselt ter aanmoediging erop los.

Natuurlijk probeert ieder uit die laatste groep weg te komen, maar er moet tenslotte altijd iemand achteraan lopen, zodat dit een onzinnig opjagen van het tempo tot gevolg heeft.

Om 4 uur krijgen we een rustpauze! Je valt neer waar je staat, desnoods midden in de modder. We liggen nog een vijf minuten, of er gebeurt iets. Paniek! Geschreeuw!

Een olifant breekt onder hevig gekraak uit het bos en rent tussen ons door. Er wordt in alle ernst over gedacht de Japanse sadist aan te vallen.

Karoly Gludovacz (1910-1990), dienstplichtige in Nederlands-Indië. Ingekort fragment uit Mariska Heijmans-van Bruggen (samenstelling): De Japanse bezetting in dagboeken. Bert Bakker, 2001.

24 april 1879: Moskouse burgers sidderen en beven voor de nihilisten

Iedereen praat over de moordaanslag op de tsaar (Alexander II, red.) en over de arrestaties en pogingen de nihilisten te pakken te krijgen. In alle straten zie je in hun grote schapenvachten weggedoken mannen. Dit zijn de nieuwe bewakers die voor de huizen staan – het ziet er dwaas uit.

Een officier is deze week ter dood veroordeeld. Zijn kameraden dachten dat hij een stille, vrede­lievende man was, maar bij zijn arrestatie werd hij buitengewoon agressief. Hij schoot een man neer, trachtte enkele anderen neer te steken en kon slechts met moeite worden overmeesterd.

In de rechtszaal sprong hij over de balie en toen hij opnieuw was overmeesterd begon hij zo te brullen, dat ze hem in een kerker hebben gestopt. Tussen zijn papieren zijn instructies voor aanslagen gevonden.

Een jonge vrouw diende zich ongenood aan op een feest in Moskou en heeft er een man doodgeschoten. Het schijnt dat haar slachtoffer de opdracht had gekregen om de tsaar te vermoorden, maar dat hij zich had bedacht en Sint-Petersburg was ontvlucht. De vrouw zou hem achterna zijn gezonden om hem te straffen.

Deze verhalen, waaraan iedereen zijn commentaar en mening toevoegt, bepalen al onze gesprekken, aangevuld met lokale roddels.

Hariot Lady Dufferin (1844-1936), Ierse markiezin, echtgenote van de Britse ambassadeur Lord Dufferin. Ingekort fragment uit My Russian and Turkish Diaries. Murray, 1917.

23 april 1969: Praagse schrijver leest in de krant dat hij politiek onbetrouwbaar is

Na een jaar versloegen wij bij de wereldkampioenschappen de ijshockeyploeg van de Sovjet-Unie – en nog wel twee keer achter elkaar (op 21 en 28 maart 1969, red.). Mijn gebed dat het geen tweede keer zou gebeuren, werd niet verhoord.

In de nacht na de tweede overwinning vlogen er stenen naar sovjet-kazernes en in Praag werd het Aeroflotkantoor in brand gestoken.

De politie had blijkbaar een vrije dag. Pas de volgende dag begon men aan een onderzoek wie de vernielingen had aangericht.

Op de onlangs gehouden zitting van het Centraal Comité van de Communistische Partij verzocht Alexander Dubcek zijn ambt te mogen neerleggen (de premier was na de Russische inval in augustus 1968 gearresteerd en werd gedwongen af te treden, red.). Tot eerste secretaris van de CPC werd dr. Gustav Husak gekozen.

In de Rude Pravo van vandaag verscheen een merkwaardig artikel: ‘De doelstellingen en de tactiek van de reactionairen.’ Als All Stars werden met naam en toenaam ten tonele gevoerd: Jan Prochazka, A.J. Liehm en Pavel Kohout.

Ik heb het gevoel dat het de hoogste tijd is om op te houden met het schrijven van dit dagboek. Hopelijk niet voor altijd. Tot dan.

Pavel Kohout (1929), Tsjechische schrijver. Ingekort fragment uit Praag, augustus ’68 – Uit het dagboek van een contra-revolutionair. Vertaling J.F. A. Baars en J.W. M. Liefrink. Het Spectrum, 1970.

22 april 1886: Bismarck en de paus strijden zij aan zij tegen het socialisme

Sascha Schlippenbach is de eerste van deze maand op audiëntie geweest bij de paus (Leo XIII, red.), wat ze dankt aan het feit dat ze toegang heeft tot het hof van de vorst (de Duitse rijkskanselier Otto von Bismarck, red.).

Ze heeft me er een brief over gestuurd, die ik naar hem heb doorgezonden. De vorstin heeft hem de vorst voorgelezen, die er zeer over te spreken was. Ik geef hierbij de inhoud weer en ik voeg eraan toe dat Schlözer alles kan bevestigen wat daarin over de bewondering van de paus voor onze kanselier wordt gezegd:

‘Rome, 2/3 april 1886. Gisteren ben ik op audiëntie ontvangen door de paus. Hij heeft zo hoog van vorst Bismarck opgegeven, dat ik je dat wil laten weten, zodat je het kunt doorgeven aan zijn hof. De paus begon met een lofzang en ophemeling van de rijkskanselier, van zijn eminente intelligentie ‘et sa manière large de voir les choses’.

Hij kon niet genoeg benadrukken hoe gelukkig het hem stemt dat hij in een goede verstandhouding met de kanselier verkeert en hoezeer hij hem hoogschat.

Zelf zet hij zich in voor een vreedzame relatie met de Duitse regering en hij acht Bismarck onmisbaar om het land te vrijwaren van het socialisme en anarchisme, dat nu om zich heen grijpt in ­België en elk moment kan uitbreken in Frankrijk.’

Hildegard von Spitzemberg (1843-1914), Duitse barones. Ingekort fragment uit Am Hof der Hohenzollern. DTV Dokumente, 1965.

18 april 1949: in de muziek van Olivier Messiaen hoor je hoe de hel zich gapend wijd opent

Bezoek van pater Couturier. Hij heeft geen flauw vermoeden van de bijzondere indruk die hij op me maakte.

Hij straalt iets uit dat niet valt na te bootsen, een waarachtige nederigheid die onopgemerkt probeert te blijven, die geen aandacht zoekt, een zachtzinnigheid die de zachtzinnigheid is van een heftig mens.

Gedacht aan de dingen die ik schrijvers om het hardst hoor zeggen: ‘Mijn gebruikelijke goedgelovigheid...’, ‘Mijn eerlijkheid...’, ‘Mijn afschuwelijke bescheidenheid...’ De stumperds.

Naar een improvisatie van ­Messiaen op de radio geluisterd. Muziek die welhaast gecomponeerd lijkt ná het einde van de ­wereld, van een monsterlijke schoonheid. Ze laat onmetelijke spelonken zien waarin rivieren stromen, waarin juwelen in overvloed flonkeren.

De componist speelde op het orgel van de Trinité (de Église de la Sainte-Trinité in het 9de arrondissement van Parijs, waar Olivier Messiaen van 1931 tot 1992 organist was, red.).

Waarschijnlijk hebben de gewelven van dit foeilelijke gebouw nog nooit zulke verontrustende klanken gehoord. Soms heb je de indruk dat de hel zich plotseling ­gapend wijd opent. Stortvloeden van vreemde geluiden doen je oren duizelen.

Julien Green (1900-1998), Frans-Amerikaanse schrijver. Ingekort fragment uit Journaal 1946-1976. Vertaling Greetje van den Bergh. De Arbeiderspers, 1980.

17 april 2011: Duitse filosoof steunt Nederlandse collega die een moeilijk uur beleeft

In het mooiste voorjaarslicht verlaten we de woonboot aan de Meeuwenlaan voor een afscheidsfietstoer ten noorden van Amsterdam. René is voor het laatst op beide benen (bij de filosoof René Gude moest wegens botkanker een been worden afgezet, red.).

We volgen een weg langs de zee, waar de harde wind nerveuze, ­kleine golven veroorzaakt. Eendengezinnen met talrijke jongen zwemmen tegen de blikkerende stroom in.

Het moeilijkste deel van de beproeving kwam ’s avonds, toen we René, na een feest met vrienden op de boot, naar de Leidse universiteitskliniek begeleidden, waar morgen het onvermijdelijke moet gebeuren.

Karlsruhe, 18 april

Slaapwandelend naar de lucht­haven Schiphol, waar alles te vinden is wat wereldwijd aan vliegveldlelijkheid voorhanden is.

Een groot deel van het vliegtuig werd bezet door oeroude Japanse vrouwen, die hun tragische maskers ophieven naar het ochtendlicht.

Op weg naar de gate herhaalde de narcotische vrouwenstem haar mantra ‘Mind your step’ – een zin die me tot aan mijn huis achtervolgt. Graag zou ik mijn beide armen ten hemel heffen.

In de namiddag bericht uit ­Nederland: operatie geslaagd.

Van nu af aan loopt de zand­lopertijd.

Peter Sloterdijk (1947), Duitse cultuurfilosoof. Ingekort fragment uit Zeilen und Tage - Notizen 2008-2011. Suhrkamp, 2014.

16 april 1966: oudere schrijver begrijpt het protest van de provo’s wel


Ik geloof dat je altijd weer uit moet gaan van verwondering over het bestaan.

En dan moet je je niet méér verwonderen over het bestaan van een vlinder als over het bestaan van een straatsteen, niet meer over het simpele feit dat je stof­wisseling functioneert, je moet er niet te dichterlijk over worden, omdat er in wezen niets is, dat niet verwonderlijk en geheel en al ­onverklaarbaar is.

En het feit, dat het allemaal geen zin heeft moet je niet doen schrikken en je moet je niet troosten met het existentialisme, dat je nog een zekere vrijheid voorspiegelt. Een hele kleine weliswaar, maar ook die hele kleine bestaat niet.

Dat kan je je hele leven lang hels maken of het kan je achtervolgen en daarom kan ik me het machteloze protest van de nozems of de provo’s of hoe men ze wil noemen zo goed voorstellen.

Ook ik ben een nozem of een ­provo maar ik ben te kortademig geworden om nog hard te schreeuwen en ik kan niet hard genoeg meer lopen om de knuppels van de politie te ontgaan.

De tegenstelling tussen jong en oud zit hem gewoon, meen ik, in ademnood en de benen, waardoor de ouderen niet meer instemmen met een koor, dat eigenlijk ook hun gedachten vertolkt.

Je zou dat openlijk moeten verklaren, maar als ze dan zeggen: man, waar bemoei je je mee?

Reinder Blijstra (1901-1975), schrijver, journalist en stedenbouwkundige. Ingekort fragment uit Mijn tijd is beperkt. De Beuk, 1975.

15 april 1881: Nederlandse toerist beleeft de ene na de andere verrukking in Italië

Het weer was zo smetteloos mooi dat het zonder meer gebruikt kon worden voor uitstapjes naar plaatsen met uitzicht.

Dus beklom mijn reisgenoot de Vesuvius en ik besloot het klooster San Martino en Camaldoli te bezoeken, aangezien de arts mij streng verboden had de Vesuvius te beklimmen.

Ik reed om negen uur met een wagen naar het klooster. Eerst bekeek ik de kerk en de kruisgangen; daarna kwam het heerlijke uitzicht van een achthoekige toren af, het zogenoemde Belvedere.

Het was de eerste keer dat ik de stad, de Golf en de Vesuvius tegelijkertijd kon zien en ik was verrukt en mokte niet eens, toen de koetsier mij een oor aannaaide.

Aangezien ik mij nog heel fris voelde, begaf ik mij in de middag op een ezel naar Camaldoli. Het pad was nauw, met stenen overladen en oneven.

De dieren werden buiten voor de poort gelaten en wij gingen naar binnen in de tuin van het opgeheven klooster. Na een paar stappen waren wij aangekomen op het uitzichtpunt.

Toen uitte ik een kreet van verrukking; zowel de stad als de Baai van Pozzuoli en Napels lag aan mijn voeten, als ook de hele kust met de rokende Vesuvius, de heerlijk blauwe zee, alles kon je zien en alles schitterde in een onbeschrijflijk zuiver zonlicht.

Gerlach Ribbius Peletier (1856-1930), Nederlandse reiziger. Ingekort fragment uit Dagboeken 1872-1886. Stichting Landgoed Linschoten/Thoth, 2016.

14 april 1640: Engelse koopman bestudeert de heitechniek in Holland

’s Ochtends kwam ik aan in Amsterdam, waar ik onderdak vond op de Nieuwmarkt. Om een huis te bouwen dient men hier tot 12 meter diep een hoeveelheid houten masten de bodem in te drijven, tot de vaste grond is bereikt, dat wil zeggen het zand waarop de fundering komt te rusten.

De palen worden door een mechaniek de grond in gedreven; een zwaar gewicht aan een touw, waar tot veertig kleinere touwen aan vastzitten, zoveel als het aantal mannen die het gewicht optrekken, op dezelfde manier als men een klok laat luiden.

Het gewicht wordt via een katrol opgehesen en als het valt slaat het een paal de grond in, tot die de zandlaag bereikt.

Wat handel en overzeese negotie betreft is er geen tweede plaats op aarde. Bij mijn aankomst lagen er 26 schepen voor de rede van Texel: acht uit Oost-Indië, negen uit West-Indië, negen uit Guinée.

Het aantal schepen dat af en aan vaart is onafzienbaar, waardoor het land, dat van nature weinig opbrengt, met vlijt en vindingrijkheid is veranderd in een plaats waar men leeft in welstand, genoegen en gemak.

Want hoewel het land slechts als weidegrond wordt benut, is men rijkelijk voorzien van graan, pek, vlas en hennep uit Danzig en Konigsberg; masten, timmerhout en vis uit Noorwegen; vee uit Denemarken.

Peter Mundy (1597-1667), Engelse koopman. Ingekort fragment uit The Travels of Peter Mundy in Europe and Asia. Hakluyt Society, 1925.

11 april 1954: in een touringcar door Frankrijk, met een Amerikaanse die niet houdt van ‘oewain’

De touringcar naar Barcelona arriveerde om kwart over een. Ik had een goede plaats voorin, die ik evenwel verruilde voor een verderop, aangezien het bij het open raam niet te harden was.

De reis was snel: in één run via Arles, Nîmes, Montpellier, Perpignan, La Jonquera.

Je kunt je niet voorstellen dat er zoveel honderden kilometers dikke, loden luchten bestaan. Blijkbaar in heel Frankrijk zijn alle platanen tot op de tragisch verwrongen stammen besnoeid, met Dali-achtige effecten; verder veel wijnbouw, knoesten waaraan nog geen spruitsel te ontdekken valt.

Vóór mij een Amerikaans stel: Moe deed het woord. Pa zat er bij als J.L. Zo nu en dan vroeg hij of we al in Spanje waren, waarop de Fransman met wie Moe een gesprek voerde en die goed Engels sprak, hem uitlegde dat dat nog zoveel uur duren zou.

Hij legde verder uit dat we links de Mediterranean hadden en rechts, ja, die knoesten in de gaarden, dat waren wijnstokken, eindeloos veel kilometers lang.

Moe bekende, alsof ze er een brevet van deugdzaamheid voor verwachtte: ‘I don’t like wine’ – het juiste effect wordt verkregen door de i’s goed als ai uit te spreken en wijn dus als oewain – waarop de Fransman beide handen ter hoogte van zijn opgetrokken schouders hief en het gesprek merkbaar aan animo inboette.

Jacques den Haan (1908-1982), schrijver en criticus. Ingekort fragment uit Bevindelijk reisboek. Bert Bakker, 1958.

10 april 1814: Napoleon treedt af, Londen ontsteekt de feestverlichting

Paaszondag. Het publiek hongerde zo naar nieuws uit Frankrijk dat enkele redactielokalen werden bezet door lieden die om kranten riepen. De schaarste aan kranten was dusdanig dat er geen krantenjongens op straat te horen waren, zoals anders wel het geval is bij minder interessante tijdingen.

Bonapartes abdicatie werd bekend gemaakt. Om 8 uur ’s avonds werden extra edities verspreid.

Lord Bathurst heeft de Lord Mayor laten weten dat maandag 11 april de publieke gebouwen geïllumineerd zullen worden.

En zo komt de heerschappij ten einde van een van de kwaadaardigste en wreedste tirannen die ooit hebben geleefd.

11 april

Bij vele panden werden voorbereidingen getroffen voor de feestverlichting, die ’s avonds tussen 8 en 9 uur werd ontstoken. Ik bracht de avond zonder gezelschap door.

12 april

Na het ontbijt kwam Lady Beaumont op bezoek, vol van het goede nieuws uit Frankrijk, al zit het haar dwars dat Napoleon het zo naar de zin gemaakt wordt in zijn ballingsoord en dat het nu aan Talleyrand en soortgelijke figuren wordt overgelaten orde op zaken te stellen in Frankrijk, mannen die geen enkele hoge positie waardig zijn.

’s Avonds brandde weer overal de feestverlichting.

Joseph Farington (1747-1821), Engelse landschapschilder. Uit The Farington Diary. Hutchinson & Co, 1928.

9 april 1976: toneelcriticus vermoedt dat de vrouw van de farao eigenlijk diens vriendje was

Verleidelijke droom over Egypte en de heerlijke maand die ik er lang geleden heb doorgebracht; de laatste keer dat ik lange tijd achtereen gelukkig ben geweest. Karnak en de tempel van Hatsjepoet zijn voor mij zinnebeelden van het geluk.

En mijn theorie over Achnaton, een figuur die me sinds mijn kindertijd heeft gefascineerd: de ketterse farao die de zon verafgoodde en trouwde met Nefertiti.

Waarom besloot hij zijn hofhouding op stel en sprong van Thebe naar El Amarna te transporteren, waarmee het hart van een complete beschaving van plaats verschoof?

Mijn veronderstelling: omdat hij homoseksueel of androgyn was (de wonderlijk realistische standbeelden en reliëfs van hem wijzen in die richting: hij maakt een vrouwelijke indruk, met welvingen op de verkeerde plaatsen) en omdat Nefertiti geen vrouw was, maar zijn vriendje.

(Waarom draagt ze in haar borstbeeld in Berlijn, als enige Egyptische vrouw, dat merkwaardige hoofddeksel dat als een kalot op haar hoofd zit geklemd? Omdat ‘ze’ het korte kapsel had van een jongen.)

Achnaton moest Thebe verlaten om een potentieel reusachtig schandaal te voorkomen, dat wil zeggen: toen hij zijn vaste voornemen bekend maakte om te trouwen met zijn vriendje.

Kenneth Tynan (1927-1980), Engelse toneelcriticus en schrijver. Ingekort fragment uit The Diaries of Kenneth Tynan. Bloomsbury, 2001.

8 april 1819: het is weer fijn mensen kijken in Parijs

Vanuit Senlis was de weg bezaaid met wilde narcissen, vooral in de bossen: daar leek het wel een siertapijt. Nog voor we onze tussenstop bereikten, zagen we de heuvel van Montmartre al, en tegen het middaguur kwamen we aan in de stad. We verbleven in Hotel d’Europe, in de rue Richelieu.

Niet veel later begaven we ons over de boulevard Italien in de richting van de Champs-Élysées, alwaar een enorme menigte was uitgelopen voor het feest van Longchamp.

Bij dit feest trekt een stoet rijtuigen van de boulevard du Temple naar het Bois de Boulogne. De middelste rijbaan is voor de ruiters, de rechterbaan voor de gaande rijtuigen, de linker voor de terugkerende; aan weerszijden lopen er mensen langs de stoet, of zitten op de stoeltjes die je er kunt huren. Hier en daar zijn gendarmes te paard geposteerd om het geheel in goede banen te leiden, wat ze vaak flinke moeite kost.

Vooral op de Champs-Élysées kun je, gezeten onder de mooie ­bomen langs de weg, deze luisterrijke stoet op je gemak bekijken.

Onder de diverse lieden met hun gevolg ontwaarde ik de Spaanse en de Deense minister, en meerdere Engelsen. De hertog van Orléans en de zijnen wisten alle ogen op zich gericht met hun grote praalwagen met Chinees dak.

Onvoorstelbaar wat een menigte op een dag als deze op de been is.

Hendrika Rees van Tets (1788-1833). Ingekort fragment uit Voyage d’une Hollandaise en France en 1819. Jean-Jacques Pauvert, 1966.

7 april 1923: De courtisane en de man die het graf van Toetanchamon opende

Lord Carnarvon, de archeoloog, is dood (Carnarvon was verantwoordelijk voor de opening van het graf van Toetanchamon op 16 februari 1923 en stierf op 5 april in Caïro, wat leidde tot verhalen over ‘de vloek van de farao’, red.). Ik zag hem voor het eerst hier in Nice, in het restaurant Français. Hij was zo knap, welgemanierd, adellijk en chic, dat ik als een blok voor hem viel.

Hetzelfde jaar werd ik aan hem voorgesteld bij het kleiduivenschieten in Monte Carlo. Mijn hart ging woest tekeer, ik had ter plekke kunnen sterven. Een dag later was hij vertrokken! Ach, wat een domme gans was ik.

Een paar maanden later zag ik hem in Londen in Covent Garden. Lady Dudley had de mazelen en verkocht de sleutel van haar loge aan de hoogste bieder – ik was de gelukkige.

In de pauze kwam Carnarvon verstrooid de loge in; schutterigheden, lachjes, verontschuldigingen, complimenten, bekentenissen. Hij was doortrapt, werd er van hem gezegd, een nicht. Toch hield hij van me... en hij was een heerlijke minnaar, kwellend, charmant en vol wrede elegantie.

En zo werd ik de rivale van Lady de Grey, Gladys. En ik won.

Hij maakte me niet erg gelukkig. Hij was een voortvluchtige, een globetrotter, altijd onderweg, naar India, de Baltische staten, Schotland.

Liane de Pougy (1869-1950), Franse danseres, schrijfster en courtisane. Ingekort fragment uit Mes Cahiers Bleus. Plon, 1977.

4 april 1943: Generaal Patton ruziet in Tunesië met een Britse luchtmachtadmiraal

Arthur Coningham vroeg of hij me om 12 uur kon bezoeken. Omdat ik geen zin had om samen met hem te eten, heb ik vroeg geluncht. Hij was er om kwart over 12. Ik vroeg hem om binnen te komen, maar maakte geen aanstalten hem de hand te drukken.

Coningham opende het gesprek: ‘Ik heb spijt van dat afschuwelijke bericht. Ik wil u mijn excuses aanbieden.’ (De Britse luchtmachtadmiraal had Pattons verzoek om luchtsteun afgewezen, met het argument dat Patton zijn manschappen niet hard genoeg liet vechten, red.)

Ik zei: ‘Dat u mij een oen heeft genoemd, wil ik u wel vergeven. Maar u heeft zestigduizend Amerikaanse soldaten ervan beticht dat zij tekortschieten in hun plicht, en daarvoor volstaan geen mondelinge excuses.’

Hij zei: ‘Het was nooit in mij opgekomen, maar ik werd die dag bedolven onder de verzoeken. Ik ben trots op mijn luchtmacht en die laat ik niet zomaar beledigen.’

Hij praatte behoorlijk luid en ik antwoordde, net zo luid, dat mijn mannen door zijn fout de hele dag onder vuur hadden gelegen. Ik voegde eraan toe: ‘Sorry dat ik schreeuw, maar ook ik heb mijn trots en ik kan niet accepteren dat Amerikanen voor lafbekken worden uitgemaakt.’

Toen kalmeerde hij. ‘Het spijt me echt. Wat kan ik doen om het goed te maken?’

George Patton (1885-1945), Amerikaanse generaal. Ingekort fragment uit The Patton Papers 1940-45. Da Capo Press, 1996.

3 april 1978: Michael Palin háát de New Yorkse club Studio 54

De party (in de Studio 54-club, red.) had een dubbel doel: we zouden naar de live-uitzending van de uitreiking van de Academy Awards kijken, terwijl de firma ­Polaroid een nieuwe vorm van ­videoprojectie zou demonstreren.

Er werd gejoeld bij de Academy Awards, vooral bij de toespraak van Vanessa Redgrave over antisemitisme en fascisme, en er werd gejuicht bij de drie onderscheidingen voor Annie Hall.

De gebronsde West Coast-torso’s met hun showbizz-grijnzen en opzichtige rijkdom legden het af tegen de East Coast, tegen de kritische, introspectieve, stijlvolle Woody Allen.

Woody was er niet bij in Hollywood, maar speelde op dat moment klarinet in Michael’s Pub in Greenwich Village. Lorne Michaels zei: ‘Niet bij de uitreiking zijn is het summum van goede smaak.’

Na de uitreiking repte iedereen zich naar de bar of naar de dansvloer. Bij de bar vertoonden de androgyne barjongens hun kunsten. Ze trokken hun strakke zwarte T-shirts uit, zwierden en zwaaiden en leefden zich uit.

Het was hard en agressief en verre van aangenaam. De hang naar decadentie nam zienderogen toe – alsof dit publiek werd geacht buitensporig, wild en manisch te zijn. Ik vond het afschuwelijk, een nachtmerrie haast, en ik was blij dat we even voor 1 uur konden vertrekken.

Michael Palin (1943), Britse acteur en schrijver. Ingekort fragment uit Diaries 1969-1979 – The Python Years. Weidenfeld & Nicolson, 2006.

2 april 1938: erotisch dansen in Parijs

Zaterdag heb ik in mijn eentje het Casino bezocht, zonder er te eten, in mijn aangename, dure stoel nummer 9, als een vermoeide ­zakenman. Sceptisch, schertsend, vol baldadige verwachting, bewust onbezonnen.

Het begint meteen met Tito’s act (de danser Tito Valdez, ware naam Juan Ruben Garcia, red.). Het toneel is een bebladerde alkoof waarin twee grote witte draaimolenzwanen hun niet al te vrolijke rondjes draaien, terwijl enige dansers met aan hun tuniek bevestigde zwarte zwanen wat onhandige danspassen uitvoeren.

Dan komt er een derde zwaan bij. Tito’s partner ontkleedt zich: een bleek meisje met een haakneus en delicate borsten. Tito duikt op vanachter de derde zwaan, naakt op een schaamlap na, en danst met haar: gestileerde omhelzingen, suggestieve bewegingen van de schaamlap, tot hij haar languit en gracieus, onder timide doch doorvoeld applaus, op het toneel bestijgt.

Ik genoot er volop van, en ik genoot vooral van het geestige van de situatie: dat ik daar in mijn eentje duur zat te wezen, wellustig geprikkeld, heet en koud, glimlachend, zuchten slakend, open en bloot begerend.

Wat je in je stoel verondersteld wordt te voelen, wat vóór jou myriaden oude vrijgezellen voor myriaden inmiddels lang dode ballerina’s hebben gevoeld.

Glenway Wescott (1901-1987), Amerikaanse schrijver. Ingekort fragment uit Continual Lessons. Farrar Straus Giroux, 1990.

1 april 1910: Frederik van Eeden filosofeert bij een vlinder

Dor en somber. Het afstooten van een deel van het lichaam door de insecten is meer dan een symbool. Het is een analogie. Het insectenras staat veel verder van ons, en is veel meer begaafd met ons onbekende eigenschappen dan andere diersoorten.

Het is niet onmogelijk dat wij bij de insecten waarnemen wat wij in ons eigen ras niet zien, en wat de insecten zelve ook niet kunnen waarnemen.

Zeer zeker heeft de rups geen verwantschapsgevoel met den vlinder. Voor de rups sterft het individu in de cocon. Al wat rups is, gaat verloren. Wij zien niet wat er van de vlinder overblijft als die sterft. Maar dat is een kwestie van waarnemingsvermogen.

Het meest materieele zien we bij de rups afsterven. Wat overblijft is fijner, en ook werkelijk geestelijker. De vlinder is veel fijner begaafd, ook geestelijk, dan de larve. Er is in waarheid geen scherpe scheiding tusschen stoffelijk en geestelijk. De scheiding wordt alleen gemaakt door ons waar­nemingsvermogen.

We noemen iets ‘weg’, ‘verdwenen’, als we het niet meer zintuigelijk, direct of indirect, kunnen waarnemen.

Niets geeft ons het recht aan te nemen dat de geheele vlinder verdwijnt, bij zijn sterven, evenmin als de geheele larve verdwijnt – en evenmin als de geheele mensch verdwijnt bij de desintegratie.

Frederik van Eeden (1860-1932), arts en literator. Fragment uit Dagboek 1878-1923 (ed. H.W. van Tricht). Tjeenk Willink/ Noorduijn, 1971.

31 maart 1819: Toneelschrijver overweldigd door Venetië

Ik was op de klokkentoren van het San Marcoplein. Schitterend uitzicht. De stad ligt onder je als een opengewerkte bijenkorf vol zoemende bijen (darren?). De Rialtobrug. Niet echt mooi, ook al is ze van marmer, maar wel indrukwekkend, zoals alles in Venetië.

Zolang ik hier ben, draaien mijn gedachten om het Dogepaleis. Ik ben het gaan bezichtigen. Ambtenaren van Justitie houden er nu kantoor, alsof het niets bijzonders is. Ze moeten niet bang voor spoken zijn, anders zouden ze niet in deze ruimten kunnen werken.

In de Sala dei Dieci houdt het gerechtshof zijn zittingen en de dode doges kijken er vanaf de wanden op je neer, levendiger dan de levende magistraten.

De Sala dei Pregadi is heel indrukwekkend, met zijn zwarte zetels en tribunes. Hier werd de ondergang van de Republiek bezegeld, tussen verdorven edelen en een handvol adjudanten van Napoleon.

Al deze zalen worden door ongelooflijke schilderijen verfraaid, voornamelijk Veronese, Titiaan en Tintoretto, met taferelen die deels uit de Venetiaanse, deels uit de Bijbelse geschiedenis putten. Ik dank God dat ik geen Venetiaan ben, want de aanblik van deze zalen en dit paleis kan je geest grondig ontregelen.

Ik betwijfel of ik ooit iets zal zien dat zich met Venetië kan meten.

Franz Grillparzer (1791-1872), Oostenrijkse toneelschrijver. Ingekort fragment uit Tagebuch auf der Reise nach Italien. Rütten & Loening, 1984.

28 maart 1975: Alle natuurrampen in Indonesië zijn gebeurd nadat ik ben gearresteerd

Pasen. De ijzeren poorten zijn weer tussen 8 en 12 uur open. Hariman heeft van zijn moeder gehoord dat het buiten gonst van de geruchten over Pertamina en Ibnu Sutowo.

Er wordt gezegd dat hij naar Zwitserland is gevlucht (Sutowo, president-directeur van het olie- en gasconglomeraat Pertamina, werd wegens corruptie ontslagen, red.).

De waarzeggers hier verklaren dat de Gunung Merapi (vulkaan, red.) op West-Sumatra actief is, en dat dit een zeer slecht voorteken is.

Alle natuurrampen zijn begonnen nadat ik werd gearresteerd. Een week na mijn arrestatie was er een aardbeving in Soekabumi, gevolgd door een overstroming in Midden-Java; vervolgens waren er grondverzakkingen bij Cirebon.

De Bengawan Solo is buiten haar oevers getreden en een rijstziekte heerst in geheel Indonesië. Nu de Gunung Merapi en daarvóór al had Rudy Hartono (bandmintonkampioen, red.) in Londen verloren. Daarna weer werd het bekend dat de Pertamina zijn rente en schulden niet kon betalen.

Hmmmm. Wat kunnen we toch fraaie sprookjes verzinnen, nietwaar?

Gevangenen zijn grappig: de poorten zijn nu open, maar de meesten hebben geen zin uit hun blok te gaan.

Mochtar Lubis (1922-2004), Indonesische journalist en politiek gevangene. Ingekort fragment uit Kampdagboek. Vertaling Cees van Dijk. A.W. Sijthoff, 1979.

27 maart 1999: Het is dus echt oorlog in Belgrado

De vraag naar authenticiteit is in ons virtuele tijdperk uiterst moeilijk geworden. Soms is het haast onmogelijk om een verschil te maken tussen echt en namaak. Maar woensdagavond omstreeks 20.35 uur waren al mijn twijfels omtrent echtheid eensklaps verdwenen: DIT IS ECHT OORLOG!

Mijn ogen staan nu nog wijd­open van schrik vanwege de onvervalstheid van dat geluid. Sinds dat moment ben ik op zoek naar woorden om het te beschrijven, alsof ik daarmee iemand zou kunnen helpen om het gevaar bijtijds te herkennen.

Alsof niet iedereen het meteen zou weten als de poorten van de hel openbarsten en het Kwaad zich schaterlachend openbaart. Tekenfilms liggen misschien nog het dichtst bij de verschrikking die je voelt bij zoveel gezichtsloze overmacht.

BAAAAMMMMM!!! De oerknal, het laatste Oordeel, de Apocalyps.

Zo klonk het, en de tweede inslag volgde als de bezegeling van dat vonnis.De sirenes die van alle kanten oploeiden, herleidden dit mythische tafereel tot wat er in wezen gebeurde: de Navo-vliegtuigen waren opgestegen om te bombarderen.

Mijn jongste zoon rende ademloos de woning binnen en wierp zich in mijn armen. Dezelfde angst, dezelfde paniek overviel ons.

Jelica Novakovic (1955), vertaler en docent Nederlands in Belgrado. Ingekort fragment uit Gelukkig is wie bijtijds waanzinnig wordt. Lannoo/ Contact, 1999.

26 maart 1511: Aardbeving in Venetië, historicus is getuige

Vandaag, woensdag 26 maart, om kwart voor negen, bij enigszins onbestendig weer, is Venetië onverwacht getroffen door een aardbeving. Deze was zo krachtig, dat de huizen leken in te storten. De schoorstenen zwaaiden heen en weer, de muren spleten, voorwerpen stortten van grote hoogte neer en het water in de kanalen kolkte alsof er een vuur onder werd gestookt.

De aardbeving duurde zo lang als een miserere en was angstaanjagend, gezien het gevaar dat zij opleverde voor de inwoners van deze stad, die niet gewend zijn aan aardbevingen omdat die zich hier lange tijd niet hebben voorgedaan.

Door het zwaaien van de klokkentorens begonnen de klokken vanzelf te luiden, vooral op het San Marcoplein, wat bijzonder huiveringwekkend was.

Het toeval wilde dat de senatoren net in vergadering waren. Ze waren nog maar nauwelijks bijeen toen ze de zaal voelden schudden.

Iedereen kwam overeind en haastte zich zo snel hij kon over de houten trappen naar beneden, wat zoveel gedrang opleverde, dat velen in het gewoel werden voortgesleept en de begane grond bereikten zonder dat hun voeten ook maar een enkele traptrede hadden aangeraakt.

Marin Sanudo (1466 - 1536), Venetiaans historicus. Ingekort fragment uit Cità Excelentissima – Selections from the Renaissance Diaries of Marin Sanudo. Vertaling Linda L. Carroll. Johns Hopkins University Press, 2008.

25 maart 1964: Ierse toneelschrijver overlijdt, Cees Nooteboom herinnert hem zich

Eind vorige week stierf in een ziekenhuis in Dublin de Ierse toneelschrijver Brendan Behan, 41 jaar oud. Doodsoorzaak: drank.

De Engelse kranten stonden er vol van, want de dikke, vloekende, opscheppende, drinkende, vertederende Ier had acht jaar van zijn leven in Engelse gevangenissen doorgebracht wegens zijn aandeel in de Ierse vrijheidsstrijd, en de ­Engelsen hebben nu eenmaal de grootste achting voor hun politieke ex-gevangenen.

Maar dat was niet de enige reden voor zijn populariteit: twee van zijn toneelstukken werden enorme successen. De Nederlandse ­Comedie speelde met groot succes zijn Gijzelaar, een wilde komedie vol liedjes en improvisaties.

De eerste keer dat ik Behan zag was op het eiland Ibiza, nu zeven jaar geleden, en ik herinner me die ontmoeting heel goed. Ik had toen geen flauw idee wie hij was. Hij zat op een bank onder de platanen voor het plaatselijke postkantoor in een wit overhemd en schreeuwde wat onverstaanbare woorden in het rond.

Hij had een groot, nogal rood ­gezicht met een loodrechte neus boven een kleine mond, was niet erg goed geschoren, en had een hoofd vol krullen. Voor mezelf had ik vastgesteld dat dit een Belgische slager met vakantie was.

Hij zat daar wat vrolijk voor zich uit te schetteren, stond op en verdween in een café.

Cees Nooteboom (1933), Nederlandse schrijver. Ingekort fragment uit Waar je gevallen bent, blijf je. De Arbeiderspers, 1983.

24 maart 1856: Dame van stand zorgt dat kind naar school kan

Ach hemel – mijn arme dagboek! Wat heb ik je slecht behandeld. Je was mijn trooster als ik het moeilijk had, een houvast in eenzame, donkere tijden.

Maar bij de eerste de beste afleiding heb ik je in de steek gelaten. Schuldbewust en bestraft keer ik nu naar je terug.

Het is vandaag 24 maart en laten we vanaf dit moment ons dagelijkse gesprek hernemen – zonder ­terug te blikken, want terugblikken is niet wat de natuur heeft ­bedoeld, onze ogen zitten niet voor niets in ons gezicht en niet in ons achterhoofd.

Kijk dus vóór je, Jane Carlyle, zie wat je meest nabije taak is en dóé het! Ach, de geest is gewillig maar het vlees is zwak en het mijne is waterig slap geworden.

Vandaag heb ik iets gedaan wat ik veel eerder had kunnen doen: ik heb ervoor gezorgd dat een kind naar school gaat. Het is een daad van liefdadigheid die elke dame van stand kan opbrengen, het kost geen moeite en het doet de betrokkenen zonder twijfel goed.

Het is raar dat ik er nooit eerder aan heb gedacht, tot ik hoorde dat de kleine jongen van Hanah Freeman een plaag voor de buurt begint te worden en dat Hanah te arm is om hem naar school te ­laten gaan.

De lerares bij wie ik hem heb ondergebracht is 74 jaar en zo fit als een hoentje – veel fitter dan ik.

Jane Welsh Carlyle (1801-1866), Schots schrijver, echtgenote van de historicus Thomas Carlyle. Ingekort fragment uit Letters and Memorials. Scribner’s, 1883.

Klaar? Vergeet de doorleessuggesties niet

Source: Volkskrant

Previous

Next