Joan Didion, 1 meter 52, was de Grootste Amerikaanse Essayist van haar Tijd. En nu, vier jaar na haar overlijden, verschijnt er ineens een merkwaardig intiem boek met haar therapie-notities. Wat leren ze ons over Didion? (Veel.)
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Het was de sociaal werker. Toen was het niet meer te missen.
Vanaf het huis van Joan Didion naar New York-Presbyterian was het 1,5 kilometer. De sirenes herinnerde ze zich later niet meer, ook niet het verkeer.
Didion zat in ambulance nummer twee. In nummer één lag haar man, John Gregory Dunne. Didion had gezegd dat hij zich misschien had verslikt, maar met een veeg van een vinger had het ambulancepersoneel dat weggewuifd; zijn luchtweg was vrij. Ze hadden hem allerlei injecties toegediend, waren onafgebroken bezig met defibrillatorpaddels. Ze haastten hem de wachtende ambulance in.
Toen Didion op de oprit van het ziekenhuis uit de tweede ambulance stapte, stond er iemand te wachten. De enige persoon die geen ziekenhuiskleding droeg. ‘Is dat de echtgenote?’, vroeg hij de ambulancechauffeur.
Didion schrijft in haar memoir Het jaar van magisch denken (2005): ‘Ik ben uw sociaal werker’, zei hij, en ik denk dat ik het op dat moment geweten moet hebben.’ Laat alle hoop varen.
Wat hieraan voorafging, telt inmiddels als een van de beroemdste sterfscènes uit de Amerikaanse literatuur, en hij is niet eens verzonnen:
Op dinsdag 30 december 2003 komen Joan Didion en John Gregory Dunne thuis. New York. Een appartement vol boeken en kunst. Zij is eind zestig, hij begin zeventig. Schrijvers. Ze zijn bijna veertig jaar samen.
Die middag hebben ze hun enige kind bezocht, Quintana, eind dertig, die met een septische shock op de intensive care ligt. ‘We weten niet welke kant dit op gaat’, had de arts gezegd.
Hoe kom je thuis als je kind, dat al zo vaak in medische nood verkeerde, in een coma op de ic ligt? Moe, waarschijnlijk. Verslagen. Stil.
Didion steekt de haard aan. Schenkt een glas scotch in voor John, die in zijn gebruikelijke stoel zit te lezen. Zijn boek: David Fromkins Europe’s Last Summer – Who Started the Great War in 1914?
De haard stelt Didion gerust. Vroeger, toen ze nog in California woonden, staken ze ’s avonds thuis haarden aan. ‘Een haardvuur betekende dat we thuis waren, dat we een cirkel om ons heen hadden getrokken, veilig de nacht door konden.’
John heeft het over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. En ineens valt hij stil. Didion kijkt op. Hij zit met een hand in de lucht, roerloos voorovergezakt.
Hij maakt een grap, denkt ze. Iets om deze dag draaglijk te maken. ‘Niet doen’, zegt ze.
En dan valt hij met zijn volle gewicht uit zijn stoel, op de grond.
Dit is wat Didion kwalificeert als ‘magisch denken’; dat je gedachten in tijden van rouw zichzelf continu herscheppen, dat ze feiten vervormen en dat je die onlogica volkomen logisch vindt. Voor de neutrale toeschouwer zie ik eruit als iemand die snapt dat de dood onomkeerbaar is, schrijft ze in Het jaar van magisch denken. Maar wanneer ze John in het mortuarium ziet, denkt ze niet: hij is dood. Ze denkt: ik speel wel even mee.
Het hele boek kan ze één gedachte niet uit haar hoofd krijgen, met alles wat ze meemaakt, schrijft, alles wat ze onderzoekt over rouw. Ze denkt: dit moet ik echt aan John vertellen.
Joan Didion, 1 meter 52, was de Grootste Amerikaanse Essayist van de afgelopen halve eeuw.
Dat ‘grootste’ is geen hyperbool, het is niet eens een mening. Toen ze eind jaren zestig debuteerde, werd het veld van New Journalism, zoals het genoemd werd, bevolkt door flamboyante schrijvers met flamboyante ego’s. Gay Talese, Truman Capote, Norman Mailer, Hunter S. Thompson, Tom Wolfe. Mannen die verslag deden van de culturele, sociale en politieke ontwikkelingen van hun tijd alsof ze romans schreven. Strijdlustig proza, waarin ze geen journalistieke objectiviteit nastreefden, maar hun persoonlijke aanwezigheid centraal stelden.
Allemaal schreven ze iconische bestsellers, over allemaal verschenen de laatste jaren documentaires en biografieën.
Maar ze zijn geen Joan Didion.
Joan Didion: 1934-2021. Al haar boeken beleven editie op nieuwe editie, in een paar dozijn talen – ook het Nederlands. Het jaar van magisch denken werd vorig jaar nog door The New York Times op de twaalfde plek gezet in de lijst met Beste Boeken van de Eeuw. Tien jaar terug werd ze, op haar 82ste, het gezicht van het modehuis Celine.
De laatste jaren is er een biografie-industrie rond haar opgetuigd, boeken over haar huwelijk, boeken over haar leven als scriptschrijver in Hollywood, over haar vriendschappen en rivaliteiten met andere schrijvers. Er is een Netflix-documentaire, ze staat op tote bags, telkens een foto waarop ze staat te roken, of een zonnebril draagt. Très cool.
In 2022 was de veiling van haar persoonlijke inboedel een regelrechte hype in New York. Haar favoriete zonnebril leverde 27 duizend dollar op, een verzameling door haar geraapte schelpen 7 duizend dollar, haar gebruikte Le Creuset-pannen 8 duizend dollar, een stapeltje notieboekjes – ongebruikt, Didion zal hooguit op ze geademd hebben – 11 duizend dollar. Mensen willen haar niet alleen lezen, mensen willen haar zijn.
Dat is het objectieve criterium voor ‘Groots’: dat iemand zo’n centrale plek in onze cultuur inneemt, dat je niet om die persoon heen kan. Oftewel: je kunt Harry Mulisch een ijdele pannenkoek vinden, hij blijft Harry Mulisch, schrijver van De aanslag.
Nu moet je goed zoeken wil je een criticus vinden die Didion des pannenkoeks vond. De Brit Martin Amis was geen fan. Hij oordeelde eens dat ‘her style bespeaks celebrity’. Haar stijl getuigt van beroemdheid.
Amis bedoelde dat ze zo terughoudend haar persoon in haar essays opvoerde, dat het iets majesteitelijks had; alsof wij lezers al dankbaar mochten zijn met een glimpje van haar koninklijke aanwezigheid.
Die terughoudendheid was inderdaad een kenmerk. Didions aanwezigheid in haar essays zat hem meer in haar blik. Die blik was donkerder, of meer afstandelijk. Haar mannelijke collega’s plaatsten zichzelf pontificaal voorop in de tegencultuur van die tijd; zij zag de schaduwkanten van de protestgeneratie voordat die überhaupt tot een piek was gekomen.
In haar eerste essaybundel, Slouching Towards Bethlehem (1968), beschrijft ze haar bezoek aan de bloemenkinderen in San Francisco, en terwijl de media zich storten op hun vrije liefde, ziet Didion hoe de hippies in alle vrijheid en blijheid vergeten hun liefdesbaby’s te verzorgen.
In Slouching beschrijft ze huiselijk te zijn, ze kookt, ze doet de was. Ze durft de telefoon niet op te nemen. Ze woog amper 40 kilo. Je kon haar zo in je weekendtas stoppen en met je meenemen.
Twee zinnen uit haar tweede essaybundel, The White Album (1979), zijn iconisch geworden. De eerste is de beginzin: ‘We vertellen onszelf verhalen om te kunnen overleven.’ Onthoud deze zin even: daarover later meer.
De tweede komt wanneer ze beschrijft hoe, op 9 augustus 1969, haar telefoon roodgloeiend staat na de Manson-moorden. Duivelse hippies hebben toegeslagen, geruchten vliegen door de stad. En dan schrijft Didion: ‘Ik herinner me ook het volgende, al zou ik willen dat dat niet het geval was: ik herinner me dat niemand verbaasd was.’
Het is zo’n zin die opnieuw en opnieuw wordt aangehaald door historici, sociologen en politicologen die de mentaliteit van de jaren zestig willen samenvatten. Ja, er was protest, er was rockmuziek, er was seks, er waren jongeren die experimenteerden met vrijheid, maar iedereen zat te wachten tot dat experiment in hun gezicht ontplofte. De conservatieve backlash zat er altijd aan te komen.
En ondertussen was ze dus getrouwd. John Gregory Dunne. Stoere vent, uit een groot katholiek gezin. Ze verstopte zich graag achter hem. Een biograaf beschreef dat als je Didion belde, John als vanzelfsprekend ook aan de lijn hing en niet alleen haar zinnen afmaakte, maar vrijwel namens haar het gesprek voerde.
Zij en John deden alles samen; schreven filmscripts, schreven een column. Ze adopteerden een meisje, Quintana. Ze woonden in Los Angeles, op Hawaï, in New York. Ze reden rond in een banaankleurige Corvette.
John overleed onverwacht op 30 december 2003. Quintana overleed in augustus 2005. Ze was vaak ziek geweest, dronk te veel. 39 jaar. In Het jaar van magisch denken en de opvolger, Blauwe nachten (2011), deed Didion op de haar tekenende klinische, gestileerde manier verslag van verdriet, van onze afscheidsrituelen. Na al die decennia een coole afstand te houden tot de lezer, trok Didion die nu haar intieme wereld in.
Binnen een jaar verkocht ze van Het jaar van magisch denken een miljoen exemplaren in de VS. Van de vrouw die de jaren zestig duidde, werd ze de weduwe die rouw duidde.
Nu is er dus een nieuw boek, dat aansluit bij die rouw: Notities voor John.
Het is een boek dat geen boek is. Rond de millenniumwisseling bezocht Didion een therapeut, met wie ze sprak over haar relatie met Quintana. Quintana was zo’n kind dat nooit echt kon aarden, thuis niet, op de universiteit niet, baantjes glipten door haar handen, ze dronk te veel, raakte depressief. Didion, anno 2000, raakte hier op haar beurt depressief van.
Wanneer Didion thuiskwam van therapie, schreef ze haar herinneringen aan het gesprek op – voor John. Alsof ze samen een geheugen deelden. Na Didions dood werden deze aantekeningen keurig uitgetypt gevonden in een mapje en besloot haar uitgever ze uit te brengen.
Wat zeggen ze ons over Didion?
Ze praat over haar jeugd. Over hoe ze opgroeide in de Tweede Wereldoorlog en elk moment het bericht verwachtte dat haar vader was overleden. Dat ze die angst haar hele leven met zich meedroeg. Dat ze zich als moeder schuldig voelde dat ze emotioneel te veel op afstand stond. Dat ze zich tijdens feestjes thuis in haar eentje terugtrok in haar werkkamer. Dat ze ervan uitging dat Quintana dezelfde behoefte had om alleen te zijn, en haar dus ook vaak alleen liet.
Didion vertelt dat Quintana de symbiose van haar ouders ook afschrikkend kon vinden. Meer dan eens verweet ze haar ouders één persoon te zijn, en dat ze nooit een standpunt wilden innemen dat onafhankelijk van de ander was.
Didion probeerde het wel. Ze vertelt over ‘het roerei-incident’, waarbij zij na afloop Quintana’s haar waste en Quintana riep dat ze haar vader haatte. Oké, zei Didion, dan gaan we bij hem weg en gaan we ergens anders wonen.
Ze dacht dat ze daarmee Quintana troostte. Maar die ging er alleen maar harder van huilen: je kan niet bij hem weggaan, zei ze, want dat kun je helemaal niet aan.
Dit is het probleem, zegt Didion: Quintana dacht altijd dat zij als kind verantwoordelijk voor ons was.
Overigens wordt het roerei-incident verder niet uitgelegd, maar het lijkt te suggereren dat Quintana roerei in haar haar kreeg. Gegooid? Gesmeerd? Door haar vader?
Zijn deze Notities voor John intiem? Ja. Was Didion iemand die haar privéleven zorgvuldig afschermde? Zeer zeker. En was het de bedoeling dat ze postuum gepubliceerd zouden worden? Zeer zeker niet. Heeft het dan niet iets immoreels dat ze nu openbaar worden? Honderd procent.
Is het heerlijk om te lezen? O, absoluut.
Of: heerlijk is niet het juiste woord. Het is ontroerend. Wie Het jaar van magisch denken heeft gelezen, kent de contouren van dit gezin. Notities voor John kleurt die contouren verder in. De sessies zijn opvallend helder uitgeschreven, in dialoogvorm. Didion moet een goed geheugen hebben gehad. Meerdere keren noteert ze dat ze in huilen uitbarst.
In een van de sessies laat Didion de therapeut een gedicht van Quintana lezen, dat ze schreef toen ze 6 was. De therapeut leest het en zegt: ze was een geboren schrijver. Dat is niet wat zij leest, zegt Didion. Uit het gedicht spreekt zo’n eenzaamheid, terwijl Quintana zo’n vrolijk kind leek. Dus toen al verborg ze haar emoties, zegt Didion.
Er is iets in je dat denkt dat je geen goede dingen verdient, zegt hij tegen haar. Continu denkt ze dat ze zichzelf niet waarmaakt, tekortschiet. Hij legt haar uit dat geadopteerde kinderen vaak met de angst leven dat ze op een dag opnieuw worden weggegeven. Maar adoptieouders, zegt hij, vrezen vaak dat hun kind wordt weggenomen.
Ze spreekt hem niet tegen, ze moedigt hem ook niet aan. Je bent depressief, zegt de therapeut. Dat is niet onlogisch, want er is ook iets mis in het leven van je kind. Dat verzin je niet. Maar mensen met een depressie denken vaak dat zij het probleem veroorzaken, en dat zij het probleem dus ook moeten oplossen. Maar Quintana’s depressie is niet jouw schuld. Dus jij kunt het niet oplossen.
Natuurlijk is Notities aan John om nog een reden zo’n ontroerend boek voor wie Het jaar heeft gelezen. Omdat je weet dat ze amper tijd meer hebben om het goed te laten komen.
Om nog terug te komen op de beginzin van The White Album: ‘We vertellen onszelf verhalen om te kunnen overleven.’
In het lange essay zet Didion de late jaren zestig op een rij. Ze heeft het over de moord op Robert Kennedy, over de protestacties van de Black Panthers, ze bezoekt een feestje bij Janis Joplin thuis, ze gaat bij The Doors in een opnamestudie langs, ze helpt Linda Kasabian – betrokken bij de Mansonmoorden – een jurk uit te zoeken voor een hoorzitting.
En ondertussen beschrijft ze haar mysterieuze fysieke en mentale inzinking, waar artsen onderzoek naar doen. Een inzinking waarvan ze zegt dat die ‘achteraf bezien geen ongepaste reactie op de zomer van 1968 lijkt’.
Het lijkt, kortom, alsof ze in haar essay de chaos van de jaren zestig aan elkaar schrijft, coherent maakt. Didion schrijft: ‘Ons leven bestaat, althans als we schrijver zijn, uit het leggen van verhaallijnen over als los zand aan elkaar hangende beelden, uit het plakken van ‘ideeën’ op het ongrijpbare schimmenspel van wat we meemaken.’
Vandaar dat voor veel beginnende of autofictionele schrijvers die beginzin als een mantra is gaan gelden, of als een geloofsovertuiging. Schrijven als noodzaak, lijkt de zin te suggereren. Ons leven als materiaal. Door een verhaal te vertellen, scheppen we orde in de chaos van het bestaan.
Maar, denk ik: zo vaak als de zin wordt geciteerd, bijna net zo vaak wordt hij verkeerd begrepen.
Een contrapunt in haar essay is Gary Fleischman, de vrolijke, opportunistische advocaat van Linda Kasabian. Hij vraagt Didion hoeveel mensen in India wonen. ‘Doe eens een gok.’ Haar gok is absurd laag. Didion legt niet uit wat de vraag betekent, maar het lijkt duidelijk. Schrijvers zoals zij hebben honderd-en-een theorieën over de wereld. Maar de wereld is ook de wereld zonder theorieën. Oftewel: een miljard mensen in India.
(Al waren het er in 1969 een stuk minder.)
Aan het einde van het essay krijgt ze van haar dokter te horen wat ze mankeert. Multiple sclerose. Dat lijkt een conclusie, maar in feite betekent ‘multiple sclerose’ niks concreets. Letterlijk betekent het ‘meerdere littekens’, verwijzend naar de schade die het kan aanrichten in je hersenen. Het is een ziekte die heel veel verschillende vormen kan aannemen. In het geval van Didion stuurt de arts haar naar huis met een ‘doe maar even rustig aan’.
Wat ze in The White Album leert, is niet dat schrijven ons grip op de wereld geeft. Maar dat het in feite een futiliteit is. Schrijven is hooguit een manier om jezelf wijs te maken dat iets iets betekent.
Die blik zit ook in Het jaar van magisch denken – want magisch denken is betekenis zoeken in je man die zomaar dood neervalt. Terwijl het niets meer is dan een hart dat ermee stopt. En die blik zit ook in de fascinerende Notities voor John. Haar therapeut geeft haar tal van theorieën over de psychologie van haar en haar dochter, maar voor Didion veranderen die theorieën niks aan de pijn, niks aan de wereld. Oftewel: een miljard mensen in India.
Er is geen verhaal, er is geen orde. Die conclusie is geen cynisme van Didion; ze wijst troostende woorden af en heeft de moed te leven in de wereld zoals die is.
Of zoals haar therapeut tegen haar zegt (ik parafraseer): veel mensen lijken stoer van buiten, maar zijn van binnen een zacht ei. Bij jou is het andersom.
Joan Didion: Notities voor John. Uit het Engels vertaald door Koos Mebius. De Arbeiderspers; 256 pagina’s; € 23,99.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant