Home

Wat een bevrijding: kunst waarbij je verstand even op nul kan

Je hoort vaak mensen zeggen: abstracte kunst, niks voor mij, ik begrijp er niets van. Nou, dat is dus precies de bedoeling: je mag je gewoon laten raken.

schrijft voor de Volkskrant over theater en human interest

Spreek de volgende woorden vooral even zonder context hardop uit. Uw partner, medereizigers, kind of hond zullen het niet begrijpen, maar dat is ook precies de bedoeling.
Aggnntarrr – nnjarrré – knntnirrr –
Hussa – juss – huss – jalamund –
Mund – avnurrr!
Narré – tnarrr– tarrr

Ik werd op deze woorden (klanken?) getrakteerd tijdens de voorstelling Mama Dada van Ludwig Bindervoet, over het werk en leven van Elsa von Freytag Loringhoven, een van de grondleggers van het dadaïsme. Actrice Elvis de Launay – rode maillot, ontbloot bovenlijf, bontkraag, weelderig scheve make-up – spuugde de klanken, afkomstig uit Freytags gedicht Duet, over het publiek uit:

Ornaksin – eigasing- lahilü!
Jalamund – mund arrrljö-i-tüüü!

Ik moest lachen, en die lach evolueerde langzaam in de slappe lach. Het was een andere lach dan het gniffelen bij The Office, of het grijnzen om een goedgelukte grap van een cabaretier. De lach was dieper, ongrijpbaarder, existentieel bijna. Hij was, zonder ironie, bevrijdend.

Het verbaasde me dat ik zoveel voelde bij zoveel onzin. Dat rijmde niet met mijn opvattingen over theater, opgedaan tijdens de regieopleiding van de Toneelacademie Maastricht: theater moet maatschappelijk geëngageerd zijn, iets zeggen over de wereld. Onbegrijpelijke performances van medestudenten vond ik al snel vervelend pretentieus. Als er weer eens iemand in een groen spotlicht in een microfoon stond te schreeuwen voelde ik me niet serieus genomen. Óf – omdat ik niet snapte waar ik naar keek – simpelweg dom.

In 2021 studeerde ik af, vol goede moed betekenisvolle voorstellingen te gaan maken. Nog geen twee jaar later begonnen alle pogingen daartoe steeds nuttelozer te voelen. De wereld stond in de fik en ik bedacht sprookjes. Wilders’ klinkende verkiezingsoverwinning was de druppel en ik schreef een open sollicitatiebrief aan de Volkskrant: ‘De fictie staat me in de weg. Ik verlang ernaar de wereld te begrijpen, te doorgronden en te analyseren, nu die complexer is dan ooit.’

Verlangen naar houvast

De Vlaamse filosoof Paul Verhaeghe sprak onlangs in een interview in Filosofie Magazine over het verlangen naar houvast, dat we denken te kunnen vinden in kennis en waarheid: ‘Kennis dient als geruststelling om ons te kunnen bewegen in een wereld die in eerste instantie vreemd, onkenbaar en bedreigend is. Door kennis kunnen we die wereld bevattelijk maken, waardoor we weten hoe we ons erin moeten gedragen.’

Ik mocht stage komen lopen. Nog nooit had ik de krant zo aandachtig gelezen, en in eerste instantie waren de vele gesprekken over de staat van de wereld inderdaad een geestelijk medicijn. Maar al snel bracht de overkill aan crises, met bijbehorende analyses over wat, hoe en waarom het misging in de wereld, mijn hoofd op hol.

Ja, ik begon de wereld beter te begrijpen, maar ik begon eigenlijk vooral te begrijpen dat ik er geen hol van begreep. Kennis is macht – ja, mooi! – maar wanneer we elke dag kennisnemen van instortende democratieën, een uitzichtloze klimaatcrisis, aanhoudend genocidaal geweld – om maar wat te noemen – levert kennis toch vooral een verlammend gevoel van machteloosheid op.

Mijn lachbui bij Mama Dada bracht iets in herinnering. Vorig jaar zomer. Aan de vooravond van mijn stage liep ik met steeds groter wordende ogen door het H’Art Museum in Amsterdam, bij de tentoonstelling van de Russische expressionist en medegrondlegger van de abstracte kunst, Wassily Kandinsky.

In de chronologisch opgebouwde tentoonstelling zag je allereerst zijn vroege werk. Kleine schilderijen zoals Die Zuschauer (1903-1904), die nog duidelijk verwijzen naar een bekende werkelijkheid: een plein met mooi geklede mensen en daarachter wat bomen. Niet helemaal realistisch, maar goed te volgen.

Een paar zalen verder kwam je terecht in de hoogtijdagen van Kandinsky’s studie naar abstractie. Van ‘goed te volgen’ was geen sprake meer. Ik probeerde nog in de chaotische, overvolle, kleurrijke composities een boom, mens of ander materieel herkenningspunt te ontwaren – tevergeefs. De moed zakte me in de schoenen: waar kíj́k ik naar, hoorde ik mezelf denken.

Grote rode vlek

Ik sloeg een hoek om en stond oog in oog met Bild mit rotem Fleck (1914), een explosief samenspel van strepen, lijnen en vlakken in alle soorten kleuren, met inderdaad, ergens linksboven een grote rode vlek. Ineens zag ik ook daadwerkelijk elke stip, elke lijn, elke kleur, en leek er, zonder dat ik begreep waarom, een schitterende volmaaktheid te zitten in de chaotische compositie.

De rest van de expositie heb ik lichtelijk high door de zalen gezweefd. Vervuld, maar ook verward, liep ik het museum uit. Ik begreep niks van wat ik gezien had; toch kwam ik als een ander mens naar buiten. Wat was hier gebeurd?

In zijn essay Abstraktion und Einfühlung (1908) stelt de Duitse kunsthistoricus Wilhelm Worringer dat de kunst bestaat uit twee vormen: Einfühlung, wat wij nu realistisch of naturalistisch zouden noemen, en Abstraktion, een kunstvorm waarin geen werkelijkheid meer te herkennen is.

De eerste komt voort uit een diepe vertrouwensrelatie tussen de mens en haar omgeving, waarbij de mens als het ware thuis is in de wereld. De tweede – de hang naar abstractie – is het gevolg van een grote innerlijke onrust bij de mens, teweeggebracht door een vervreemding van haar omgeving.

Aha! Naast verlangen naar kennis is er dus nog een manier om te dealen met een gebrek aan houvast: vluchten in een wereld die in niets meer doet denken aan de onze.

Bevrijdende lach

Hoewel ik geen werkelijkheid kon herkennen, zag ik in de abstracte schilderijen inderdaad mijn eigen innerlijke onrust terug. Een explosie van kleuren en vormen gevangen binnen de kaders van een canvas, als conflicterende emoties binnen één lichaam. Het effect was weliswaar anders dan de lach tijdens Mama Dada, toch was er sprake van eenzelfde uitwerking: een bevrijdende lichamelijke reactie.

In zijn theoretische studie naar abstractie, Über das Geistige in der Kunst (1911), zegt Kandinsky zelf dat de ultieme connectie tussen toeschouwer en kunstwerk er een is van ‘spirituele aard’, en dat het de taak van de kunstenaar is om ‘de menselijke ziel te doen vibreren’. Enigszins vaag, ja, maar ik lees daarin toch een pleidooi voor verbondenheid tussen kunst en toeschouwer voorbij het rationele.

Onlangs publiceerde de Volkskrant een liveblog over het Mahlerfestival. Na een uitvoering van Das Lied von der Erde werd aan Gijs en Hanneke Groenteman gevraagd wat ze ervan vonden. Gijs Groenteman: ‘Prachtig, maar we zijn te dom om daar iets zinnigs over te kunnen zeggen.’

Hanneke Groenteman vulde aan: ‘Alles wat je over muziek zegt, schiet gewoon tekort. Ik moest huilen.’

Slimme meningen

Dat! Dát is de kracht van onbegrijpelijke kunst: het is zo’n beetje het enige in deze wereld waar we niks zinnigs over hóéven te zeggen. Daar waar grillige politici ons dwingen onze kop erbij te houden, om alle bokkensprongen te kunnen verklaren en doorzien, daar waar we ons gedwongen voelen slimme meningen te vormen over ingewikkelde maatschappelijke dossiers, mogen we als we naar Mahler luisteren even op standje dom.

Hoewel Gijs Groenteman ‘dom’ waarschijnlijk bedoelt als eigenschap, zou ik het woord dom graag willen gebruiken als een zelfverkozen, tijdelijke staat van zijn, waarbij het verstand voor even uitgeschakeld wordt.

Sorry aan mijn schoolgenoten, bij wier diepste zielenroerselen ik heb gedacht: hè, wat pretentieus, ik snap er niks van. Ik had moeten denken: wat heerlijk, hier hoef ik niks intelligents over te bedenken, ik mag het lekker over me heen laten komen.

Of eigenlijk had ik helemaal niet moeten denken, alleen moeten voelen. Misschien was ik niet te dom, maar juist niet dom genoeg.

Het is, als je erover nadenkt, een jammerlijk misverstand – ironisch genoeg aangezwengeld door Kandinsky zelf – dat we abstracte kunst zijn gaan zien als iets voor intellectuelen, die heel lang heel moeilijk naar een schilderij kijken en het dan – bij wijze van eureka – begrijpen! Als we Kandinsky mogen geloven, gaat het daar helemaal niet om. Dat de kleur rood in Bild mit rotem Fleck ‘boordevol vitaliteit en kracht’ zit, hoeven we niet te begrijpen, dat moeten we ervaren.

En dus is abstracte kunst voor iedereen die met open blik en uitgeschakeld verstand durft te kijken. Dat vergt moed, want het betekent controleverlies. Doodeng en onhandig in een wereld die op knappen staat, maar bevrijdend binnen de veilige muren van onze kunsthuizen.

Je ziel laten vibreren

En ieder zo zijn ding, hè. Hanneke Groenteman huilt bij Mahler, ik spring – als het me tijdens het schrijven van de zinnen begint te duizelen – als een bezetene op en neer op het nummer Sex and Violence van The Exploited, een repetitief punknummer dat, om het met Kandinsky te zeggen, mijn ziel dusdanig doet vibreren dat ik niet meer nadenk en als een mafkees een paar minuten met mijn hoofd een denkbeeldig plankje doormidden sla.

Het eerdergenoemde dadaïsme – dat alle rede en logica afzwoer – ontstond als reactie op de onbevattelijke oorlogsgruwelen van de Eerste Wereldoorlog en was in zekere zin een protestbeweging. Maar in plaats van de barricaden op te gaan, creëerden ze onzinnige, absurde en onnavolgbare kunstwerken en performances, die een radicaal alternatief boden op de heersende moraal.

Zo wisten ze escapisme en activisme, ogenschijnlijk tegenpolen, aan elkaar te verbinden.

Neem het bekendste en invloedrijkste kunstwerk uit het dadaïsme, Fountain (1917): een wit urinoir, door Marcel Duchamp onder pseudoniem ingestuurd voor de openingstentoonstelling van de New Yorkse Society of Independent Artists. De Franse, genre-doorbrekende Duchamp ontketende er een debat mee over wat de definitie van kunst was, of moest zijn.

Mindfuck

Je kunt je voorstellen hoe mensen – in de jaren twintig van de vorige eeuw – nietsvermoedend een museum zijn binnengelopen, en naast alle schilderijen ineens een toiletpot zagen staan. Dat moet nogal een mindfuck zijn geweest. Een mindfuck die de (kunst)wereld voorgoed veranderde.

Zelf heb ik het als theatermaker nooit gewild, gekund en gedurfd: een kunstwerk maken dat de grenzen van ons begrip opzoekt en overgaat. Toch denk ik nu dat er behoefte aan is. In een wereld waarin we constant alle crises proberen te begrijpen, analyseren en duiden, laat onbegrijpelijke kunst ons – ergens tussen vlucht en protest in – zoeken naar een irrationele waarheid. Ze kan ons bevrijden van verstikkend cynisme.

In het nieuwe boek van Lieke Marsman, Op een andere planeet kunnen ze me redden (lees dat boek!), waarin ze een vurig pleidooi houdt voor het oprekken van ons rationele denken, voert ze het volgende gedicht van de Nederlandse dichter M. Vasalis op.

Eerlijk gezegd begrijp ik het niet helemaal, maar gevoelsmatig is het de juiste afsluiting van dit essay.

En áls er wijsheid is, die geen vermoeidheid is,
en helderheid, die geen versterving is
wil ik die zien, wil ik die horen.
En anders wil ik zot en troebel zijn.

Elvis de Launay is voor haar rol in Mama Dada genomineerd voor een Theo d’Or in de categorie ‘meest grensverleggende podiumprestatie’. De voorstelling op 11 en 12/9 te zien op het Nederlands Theater Festival.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next