Schrijver Ali Smith geldt sinds haar ‘seizoenenboeken’ als een lichtend baken van medemenselijkheid in tijden van xenofobie. Nu worden haar seizoenen naar het Nederlandse toneel gebracht. ‘De waarheid is nog steeds de waarheid, ook al worden er leugens verteld.’
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Het is begin juni, het kabinet is net gevallen, en Ali Smith is in Den Haag.
Dat is een uitermate logische plek voor Smith om te zijn – niet vanwege de val van het kabinet, al heeft ze uitgesproken ideeën over Wilders. Ze is in Den Haag omdat, tot haar eigen verrassing, haar boeken op het Nederlandse toneel staan.
Al bijna een jaar werkt regisseur Eric de Vroedt aan een bewerking van Smiths beroemde ‘seizoenenromans’. Vier boeken, één toneelstuk. Gelijktijdig werkt het dansgezelschap New European Ensemble aan een dansvoorstelling gebaseerd op de seizoenen.
Zulke bewerkingen liggen niet voor de hand. Elk boek heeft andere hoofdpersonen. Geen van de romans is echt plotgedreven; ze meanderen. Smith speelt met taal, zoekt nieuwe betekenissen in symbolen, herinterpreteert klassieke toneelstukken.
Een jonge vrouw zorgt voor een oude migrant, terwijl ze zich in een lang geleden overleden feministische kunstenares verdiept. Een kerstdiner wordt bezocht door een zwevend hoofd. Drie wat verloren mensen stappen, redelijk willekeurig, op een trein richting Schotland. Et cetera.
Overigens zitten we in een klassiek Haags café, in het verlengde van de Lange Voorhout. Smith bestelt een hamburger – ‘zonder brood, alsjeblieft’.
De ‘seizoenen’ – met die prachtige covers, ontworpen door David Hockney – waren een experiment: kon Smith in een paar maanden een roman schrijven, zodat de politieke actualiteit op een niet te missen manier resoneerde? En die actualiteit – dat is wat. Zelden noemt ze letterlijk de actualiteit, die van het Brexit-referendum, Boris Johnson of Trump, of van Frontex of Meta, van klimaatrapporten en covid en verkiezingsuitslagen.
Maar figuurlijk is de politiek niet te missen. De romans gaan over mensen en mensenlevens zijn politiek – wie laten we toe, wie houden we op afstand, wat is een huis, wat is verbondenheid, waar maken we ons zorgen om en wat willen we niet weten, hoe stellen we ons de toekomst voor, hoe herinneren we ons het verleden.
Uw seizoenenboeken beginnen met de zin: ‘It was the worst of times, it was the worst of times.’ Wat dacht u toen u dat schreef?
‘Ik had mijn uitgever een boek beloofd. Ik zou het snel schrijven, hij zou het snel uitgeven – en het zou over actuele thema’s gaan. Het was het voorjaar van 2016. Mijn partner Sarah en ik zaten in de trein terug naar Cambridge, we kwamen van een kustplaatsje waar Sarah, op een festival, een film had vertoond over migranten die aankwamen op de kust. Vanuit de trein zag ik overal posters over de Brexit hangen.
‘Je moet je voorstellen: in Cambridge had je niet het gevoel dat het Brexit-referendum eraan kwam. De mensen daar leunden achterover in hun zachte stoelen en dachten dat het wel zou loslopen. Maar in die trein zag ik de posters, de woede, het oplaaiende debat. Hier moet dus mijn boek over gaan, dacht ik.
‘Ik hing onderuit in mijn treinstoel, ik had nog maar drie maanden om het boek te schrijven. Wat moest ik doen? Ondertussen zat Daniel in mijn hoofd. Een oude man, 100. Jij hoort thuis in een ander boek, dacht ik.
‘Maar ik lag in die treinstoel en Daniel drong zich op en opeens hoorde ik in mijn hoofd die zin: ‘It was the worst of times, it was the worst of times.’ Zo letterlijk ging het.’
Daniel is een van de hoofdpersonen in Herfst. Aan het begin spoelt hij, stokoud, aan op een strand. Een jonge vrouw ontfermt zich over hem.
‘Ik las de Odyssee van Homerus, de passage waarin Odysseus aanspoelt. Hij heeft geen kleren aan en verstopt zich in de bosjes. Daar spelende, dansende meisjes zien hem en willen hem helpen; ze geven hem kleren, wassen zijn voeten. Ik dacht: wat zijn we aan het doen? Het anti-migratiedebat. Het neerkijken op mensen die onze hulp nodig hebben. Waar zijn we mee bezig?’
Uw beginzin is een variatie op de beroemde beginzin van Charles Dickens uit A Tale of Two Cities: ‘It was the best of times, it was the worst of times.’
‘Wat een beginzin, hè? Briljant, hè?’
Dickens zet beste en slechtste tegenover elkaar, u maakt er twee keer slechtste van. Dat is grappiger natuurlijk, maar...
‘Het was niet grappig! Ik deed het niet om grappig te zijn! Zo voelde het; dit waren de slechtste tijden, en waar zijn de goede tijden gebleven?’
Met Dickens plaatst u het boek in deze tijd. Moeten we dat ook zien als een manier waarop u uzelf als schrijver een opdracht geeft?
‘Je zegt: ik verbind me aan de tijd. Ik verbind me aan het idee van een roman, ik verbind me aan de traditie van literatuur, ik weet dat wat ik maak een plek inneemt, zoals kunst altijd een plek inneemt in onze geschiedenis.
‘Op dit moment ben ik veel met Katherine Anne Porter bezig, een Amerikaanse schrijver uit de vorige eeuw. Ze schrijft: ‘The thing about art is that it outlives civilizations.’ Dat is het. Wij zijn niks – we are bones! Dictators en autocratische leiders kunnen niet inzien dat het leven tijdelijk is. Er zijn geen keizerrijken die millennia overeind zijn gebleven, ze verkruimelen altijd. Maar de kunst uit die beschavingen is er nog wel. Ze bestaat op een ander niveau.
‘Sarah en ik debatteren graag over mensenrechten. Ze bestaan niet, zegt Sarah. We hebben ze opgetuigd, en daarom zijn ze kwetsbaar. Ik zeg: ze bestaan wel, alleen op een ander niveau. Gerechtigheid is nog steeds gerechtigheid, ook al wordt die door leiders niet erkend. De waarheid is nog steeds de waarheid, ook al worden er leugens verteld.’
Maksim Gorki schreef ooit over Tsjechov dat iedereen in zijn aanwezigheid ‘het onbewuste verlangen voelt om simpeler, eerlijker, meer zichzelf te zijn’. Je kunt je voorstellen dat zoiets ook gebeurt bij Ali Smith. Ze heeft in de Engelstalige letteren inmiddels een iconische status. Ze is klein, heeft heldere ogen, praat heel Schots, stelt veel vragen, maakt vaak oogcontact met je.
Ze praat over grote thema’s. Over rechtvaardigheid en de waarheid. Ze is bescheiden, maar niet op een zichzelf wegcijferende manier: ze neemt literatuur en kunst serieus en veronderstelt dat jij dat ook doet.
Je krijgt het gevoel dat ze goed weet wat ze belangrijk vindt, en wat haar niet interesseert. Ik at eens twee avonden op rij met haar in hetzelfde restaurant en beide avonden bestelde ze dezelfde voor- en hoofdgerechten.
Ze is, dat moet ook gezegd, echt heel aardig.
Ze stuurt lijstjes met welke schrijvers je echt eens moet lezen en neemt uit zichzelf boeken voor je mee. Ze houdt van Beyoncé. Ze is gek op Taylor Swift. ‘Wat was het beste nummer?’, vraagt ze over het concert waar ik naartoe ben geweest. Love story, zeg ik. ‘Natuurlijk’, zegt ze, alsof het een feit is. ‘Daar kunnen we niet omheen.’
Smith: ‘Ik zat in een restaurant in Parijs en iets verderop zaten een man en een vrouw die duidelijk een affaire met elkaar hadden. Love story was op de radio. Terwijl we allebei zachtjes meezongen, kruisten haar blik en de mijne elkaar. We hadden meteen een onuitgesproken verstandhouding. Een gevoel van: jij bent oké. Door Taylor.’
2016 is nu negen jaar geleden – bijna een decennium. Hoe is het om nu voor de toneelbewerking van Het Nationale Theater terug te keren naar die boeken?
Smith lacht.
‘Ik vroeg eens aan een bevriende schilder hoe het was als een van haar doeken werd verkocht. Kijk, boeken kunnen eindeloos worden bijgedrukt, maar een schilderij is uniek. ‘O’, zei ze, ‘ik denk: well, goodbye, and thank you for the money!’
‘Begrijp me niet verkeerd. Maar je kent vast de sensatie dat wanneer je aan een boek werkt, dat boek intens persoonlijk aanvoelt. Maar zodra het gedrukt is en in de winkel ligt, is het weg. Zoef! Het heeft niks meer met jou te maken. Daarna kun je je eigen boek nooit meer herlezen. Als je het probeert, denk je bij elke zin: daar staat een woord te veel, daar staat een verkeerde komma.
‘Maar in Eric de Vroedts toneelversie worden mijn zinnen verbeeld, ze worden fysiek, en dus krijg ik nu mijn eigen verhaal als het ware aan mezelf terugverteld zonder dat ik aan die kromme zinnen denk. Zo heb ik dat nog nooit meegemaakt. Het is niets minder dan een geschenk.’
Het verhaal beviel u?
‘Het schrijven van die seizoenenboeken was een experiment, om snel te schrijven, boven op de tijd waarin we leefden. Er bestond een kans dat ze nooit overeind zouden blijven. Dat ze na een half jaar stof waren. As. Gras. Maar in de bewerking van Eric zie ik alleen maar continuïteit.’
U bedoelt: de politieke thema’s bestaan nog?
‘De thema’s. Maar vooral: het leven. Ik spreek geen Nederlands, maar in de regie zie ik verbinding. In de choreografie reiken mensen naar elkaar, komen ze samen. Dat is het leven, dat verandert niet. Mensen zijn gek op mensen. We willen elkaar kennen, willen gekend worden. Willen ‘hé, hoe gaat het?’ zeggen.
Heeft u zich met het toneelstuk bemoeid?
‘Toen ik Eric voor het eerst ontmoette, had ik het heel druk. Ik geloof dat mijn agent zei: hij krijgt vijftien minuten. Uiteindelijk heb ik twee uur met hem gesproken. Van die twee uur hebben we het maar een paar minuten over mijn boeken gehad. Ik wist meteen: deze man vertrouw ik. Hij vertelde me over zijn leven, ik vertelde hem over mijn leven – we zitten op hetzelfde pad.’
In Smiths nieuwste roman, Gliff, wordt een moeder door de staat weggehaald bij haar twee kinderen – wat ze precies heeft misdaan, is niet duidelijk. De kinderen snappen het niet en blijven achter. Tot een machine een rode lijn om hun huis trekt – ze zijn niet gewenst, snappen ze, en gaan op goed geluk op pad.
Ze belanden ergens buiten de stad, bij een huis met een eenzaam paard. Het ene kind doopt het paard Gliff. Meerdere recensenten noemden het boek dystopisch.
‘Gliff is het soort boek dat ik las toen ik jong was. Twee kinderen en een paard. Ik was benieuwd hoe het zou werken om zo’n verhaal in een donkere wereld te plaatsen. Is dat dystopisch? Er bestaat niet zoiets als een historische roman, zoals er ook niet zoiets bestaat als een futuristische roman. De tijden waarin we leven komen altijd tot uiting in wat we schrijven.
‘Bovendien is er nagenoeg niets verzonnen. Het enige dat ik heb verzonnen is de machine die rode lijnen om huizen verft. Alle andere vormen van uitsluiting die de kinderen meemaken, komen in de echte wereld voor.’
Een beetje zoals Margaret Atwood ooit vertelde over The Handmaid’s Tale; het was geen dystopie, want al het misogyne geweld en de onderdrukking in het boek was wel ergens ter wereld voorgekomen.
‘Wist je dat Margaret Atwood de Verenigde Staten niet in kan? Dit najaar verschijnen haar memoires en ze kan niet naar de VS voor promotie. De kans is te groot dat de douane haar vasthoudt, omdat ze politiek te activistisch is. Margaret Atwood! Dat is pas dystopisch. En het is echt.’
Nu is het natuurlijk gevaarlijk om aan een schrijver uit te leggen waar haar boeken over gaan.
‘Ha! Go for it!’
Maar zou u het met me eens zijn dat veel van uw personages niet weten waar ze naartoe gaan, of zelfs wie ze echt zijn?
‘Weet ik niet!’ (Lacht).
‘Kijk. Iedereen is ‘in formatie’. Iedereen is bezig dingen tot zich te nemen, ouder te worden, te veranderen. Zelfs als we denken dat wij niet veranderen, verandert de wereld om ons heen. En wij leven in relatie tot die veranderende wereld, toch? Dat is trouwens een interessante manier om naar het woord ‘informatie’ te kijken – als iets dat wordt geformeerd, door kennis, door observaties. En dat dus nooit helemaal af is – want er is altijd meer kennis te vergaren, meer ervaring op te doen. Informatie is tijdelijk.’
Is die tijdelijkheid, dat niet-weten, dat wat ons leven tekent?
‘Dat weet ik ook niet! (Lacht weer). Maar feit is: we verhouden ons continu tot het verhaal dat we ons over onszelf wijsmaken, het verhaal dat andere mensen over ons vertellen, en hoe die twee verhalen samenkomen. Het is mensen eigen om in verhalen te denken. Dat verhaal is veilig, het beschermt ons, het stelt ons in staat ons te verhouden tot anderen. En het punt waar ons verhaal ophoudt en het verhaal van een ander begint – dat is waar samenleven zich afspeelt. Dat is het leven.’
In de Volkskrant staat vandaag een recensie van het laatste boek van Joan Didion. Ik moet nu even denken aan haar oneliner: ‘We tell ourselves stories in order to live.’
‘Precies. We leven in verhalen, maar moeten beseffen dat een verhaal een verhaal is, een vorm. Het is niet de definitieve waarheid, want de waarheid is niet definitief. Een verhaal is taal, en zie eens hoe taal steeds verandert, hoe woorden soms per week van betekenis veranderen. Dat is politiek. Maar taal is ook een heerlijk organisme.’
Kende u het woord ‘gliff’?
‘Nee.’
Was u niet geweldig blij toen u het tegenkwam?
‘Ik zocht een ander woord op, kwam gliff tegen en dacht: dit kan niet waar zijn.’
In het Engelse woordenboek wordt gliff wonderlijk vaag omschreven als een ogenblik, een korte waarneming, iets tijdelijks. Het kan zonlicht betekenen en het kan angst betekenen. Maar het kan ook worden gebruikt als ‘een suggestie’, als een woord dat gebruikt kan worden voor een ander woord.
Smith: ‘Bij het New European Ensemble kwam iemand naar me toe die vertelde dat hij net Kidnapped had gelezen, een 19de-eeuwse avonturenroman van Robert Louis Stevenson, en dat hij daarin het woord gliff was tegengekomen. Ik heb Stevenson stukgelezen toen ik jong was, dus ergens moet dat woord in mijn hoofd zijn blijven hangen.’
De kinderen in Gliff zoeken een thuis. Waar denkt u aan bij het woord thuis?
‘Ik moet nu meteen aan William McIlvanney denken. Hij wordt gezien als de vader van Schotse crimefictie – de tartan noir. Toen ik eerstejaars was aan de universiteit van Aberdeen liep hij daar rond, als gastschrijver. Een duivels knappe man. Een Schotse George Clooney. Ik was betrokken bij het literaire studentenblad. Hij gaf eerlijke feedback op onze stukken. Hij was de eerste die ooit tegen me zei: ‘Alison, you can do this.’
‘Het is zo belangrijk dat iemand dat op het juiste moment tegen je zegt. Zie je, in Schotland is ons nationale geschenk een aangeboren wantrouwen in ons eigen kunnen. Echt, dat is een geschenk! Dat zorgt ervoor dat Schotten zelden hun eigen ik als vanzelfsprekend naar voren schuiven.
‘Onlangs las ik de memoires van Nicola Sturgeon, voormalig premier van Schotland. Ze citeert McIlvanney: hij had het er ooit over dat Schotland een mongrel nation was. Een bastaardland. Hij bedoelde dat positief. Zo zie ik het ook. Schotland is een land waarin talloze identiteiten, regio’s en culturen door elkaar heen lopen. Ik voel me thuis in die verscheidenheid.’
Waaruit put u hoop?
Smith glimlacht: ‘Laatst zat ik met Sarah in de auto toen op de radio ineens People Have the Power klonk, van Patti Smith (geen familie, uiteraard). Die tekst! ‘I was dreaming in my dreaming/ of an aspect bright and fair/ and my sleeping, it was broken/ but my dream, it lingered near.’ We misten bijna onze afslag omdat we zo hard aan het meezingen waren. People have the power!
‘Dat hebben we nodig. Mensen als Patti Smith, die hun stem gebruiken om ons eraan te herinneren dat wij onze stem moeten gebruiken.’
Vrijdag 27 juni beleeft De seizoenen van Het Nationale Theater zijn internationale première op het Holland Festival in Amsterdam. Van september tot en met november toert het stuk door het land.
De dansvoorstelling naar The Seasonal Quartet van The New European Ensemble is donderdag 25 september te zien in het Muziekgebouw aan ’t IJ.
Ali Smith: Gliff. Uit het Engels vertaald door Karina van Santen. Prometheus; 284 pagina’s; € 22,99.
CV Ali Smith
1962 Geboren in Inverness, de officieuze hoofdstad van de Schotse Hooglanden. Haar ouders zijn arbeidersklasse, ze groeit op in de sociale woningbouw.
1984 Studeert als beste van haar jaar af aan de universiteit van Aberdeen.
1985-1990 Gaat op voor haar dissertatie in Cambridge – in Amerikaans en Iers modernisme – maar is te druk met het schrijven van toneelstukken om haar titel te halen.
1992 Krijgt de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom en stopt als academica. Haar armen deden pijn, haar hele lichaam deed pijn, vertelde ze eens aan het literaire tijdschrift The Paris Review, maar met de hand schrijven ging nog net. Dus bleef ze schrijven.
2001 Met haar debuut, Hotel World, haalt ze de shortlist van de Booker Prize. Daarna is ze nog drie keer geshortlist voor de Booker: met The Accidental (2005), How to Be Both (2014) en Autumn (2016).
2016 Publiceert met Herfst de eerste van haar vier ‘seizoenenboeken’. Herfst is direct een bestseller en wordt gezien als de eerste ‘post-Brexit-roman’. Winter (2017), Lente (2019) en Zomer (2020) volgen.
2020 Wint in Nederland met de vertaling van Lente – door Karina van Santen en Martine Vosmaer – de Europese Literatuurprijs.
2024 Publiceert haar meest recente roman, Gliff.
Ali Smith woont met haar partner, de filmmaakster Sarah Wood, in Cambridge.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant