Home

Vakbondsprofessor Paul de Beer: ‘De FNV is de kalkoen die ontkent dat het Kerstmis wordt’

Uitgerekend nu de FNV in diepe crisis verkeert, publiceert vakbondsprofessor Paul de Beer zijn boek Polderen en strijden, over de hoogte- en dieptepunt van de vakbond in de afgelopen 25 jaar. Hoe duidt hij de machtsstrijd binnen FNV? En is er nog wel een toekomst voor de bond?

‘Hoe is dit in godsnaam mogelijk?’, dacht Paul de Beer toen hij vorig weekend de uitspraak las van de Ondernemingskamer. Op verzoek van het personeel van de FNV besloot die afdeling van het Amsterdamse hof in te grijpen bij de in crisis verkerende vakbond. ’s Lands grootste bond zou niet langer in staat zijn zijn eigen ‘pokkenbende’ op te ruimen. Twee externe toezichthouders, door de Ondernemingskamer benoemd, moeten nu orde op zaken stellen.

‘Onthutsend’, vindt De Beer, die toch wel wat gewend is als het om vakbondsstrijd gaat. Een kwarteeuw lang vervulde hij de rol van ‘vakbondsprofessor’ aan de Universiteit van Amsterdam, een post die wordt gefinancierd door de FNV, en volgde hij die vakbond op de voet. Daarnaast deed De Beer, van huis uit econoom, talloze onderzoeken naar de arbeidsmarkt.

Ter ere van zijn afscheid, De Beer werd eind vorig jaar 67, verscheen deze week het boek dat hij mede samenstelde met de toepasselijke titel Polderen en strijden, een bundeling van interviews en analyses over de FNV in de afgelopen 25 jaar.

En? Wat is uw antwoord? Hoe is het in godsnaam mogelijk dat de interne strijd bij de FNV zo hoog is opgelopen?

‘Opvallend is dat nog altijd onduidelijk is waar het conflict inhoudelijk precies over gaat. Maar in essentie is het probleem dat er in de vakbeweging altijd een enorme spanning zit tussen, zoals ons boek heet, polderen en strijden. En die spanning bestaat al sinds Henri Polak, de voorzitter van de Diamantwerksbond, de basis legde voor ‘de moderne Nederlandse vakbeweging’.

‘Polak verzette zich tegen de syndicalistische bonden die eind 19de eeuw voortdurend stakingen uitriepen en niet vies waren van een stevige knokpartij als dat nodig was. Hij constateerde dat die acties misschien begrijpelijk waren vanuit onvrede van arbeiders, maar dat het er uiteindelijk om gaat dat je resultaten boekt. En daarvoor moet je als vakbond strak en hiërarchisch georganiseerd zijn en aan tafel met de patronen om akkoorden te sluiten.’

En waarom ziet u dat terug in het huidige conflict?

‘De werkorganisatie – de professionals die vinden dat je compromissen moet sluiten – staan tegenover het ledenparlement, wat toch in belangrijke mate de vertegenwoordiging is van de meer activistische leden. Die willen liever actievoeren en zijn vaak ontevreden met akkoorden die in Den Haag worden gesloten.’

Dat ledenparlement bestaat pas sinds 2015 jaar en had juist de oplossing moeten zijn voor de crises die de FNV in de jaren daarvoor bijna verscheurden. Zeven bonden werden opgeheven en gingen op in één ‘ongedeelde FNV’, waarbij dat ledenparlement het laatste woord kreeg. Was die reorganisatie een fout?

‘Ik denk dat het een fundamentele fout was. Het idee was om een soort vlucht naar voren te kiezen door de bonden die toen met elkaar rollend over straat gingen, gewoon bij elkaar te stoppen zodat ze niet meer met elkaar konden strijden, althans: niet op straat.

‘Maar als je het diep met elkaar oneens bent, is die tegenstelling niet ineens verdwenen wanneer je nauwer gaat samenwerken. Ik werd destijds ook om advies gevraagd en heb gezegd dat een scheuring in twee kampen met twee verschillende benaderingen misschien niet leuk is, maar misschien wel de beste optie.’

En wat zouden de twee kampen dan zijn?

‘In die tijd zou je waarschijnlijk zeggen dat er een PvdA-vleugel was en een SP-vleugel. Zo’n intern verschil leidt binnen de vakbond niet tot open en veilige discussies, omdat strijden – volgens mijn psychologie van de koude grond – in het DNA zit van de vakbeweging. Uiteraard is dat goed als het gaat om strijden met de tegenpartij, de werkgevers, maar het zit zo diep dat interne meningsverschillen heel snel tot ruzies leiden, waarbij mensen met een andere mening direct als verraders worden gezien.’

Zijn strijden en polderen wel tegenovergesteld? Heb je ze niet allebei nodig?

‘Ja, je moet af en toe staken om te laten zien dat je het nog kan. Maar uiteindelijk moeten partijen om de tafel gaan zitten om tot een compromis te komen. Dat weten de mensen die nu staken bij de spoorwegen ook. Als je dat niet doet en te veel strijdt, loop je het risico dat werkgevers of organisaties met andere bonden cao’s afsluiten.’

Voor staken heeft een vakbond leden nodig. Daarvan zijn er sinds het begin van de eeuw steeds minder. Toen De Beer bij zijn leerstoel begon, in 2003, was een kwart van de werkenden nog vakbondslid, inmiddels is dat nog maar 15 procent. Nog slechts drie op de vijf werkenden valt onder een cao. En dat terwijl het belang van de vakbond volgens De Beer alleen maar groter is geworden.

‘De afgelopen twintig jaar hebben we gezien dat de wettelijke regulering van de arbeidsmarkt is ingeperkt. Werkgevers kregen veel vrijheid om zelf te kiezen hoe ze werk willen organiseren, wat leidde tot de groei van flexwerk en zzp’ers. Tegelijkertijd biedt de sociale zekerheid minder bescherming, en door de open Europese grenzen hebben werkgevers nu een groot potentieel van goedkope arbeidskrachten, waardoor er aan de onderkant meer druk is.

‘Eigenlijk lijkt de arbeidsmarkt nu in aantal opzichten meer op de 19de-eeuwse arbeidsmarkt. De vakbeweging probeert tegenwicht te bieden, maar slaagt daar onvoldoende in. Daardoor dreigt een vicieuze cirkel te ontstaan. Want het deel van de arbeidsmarkt waar de vakbeweging zwak is en de arbeidsmarkt ongereguleerd, wordt steeds groter, en het deel waar zij sterk is steeds kleiner.’

Kunt u die vicieuze cirkel beschrijven?

‘Als een vakbond zwakker wordt, kan deze minder bereiken. En naarmate een vakbond minder bereikt, zien werknemers ook minder reden om lid te worden, omdat ze niet zien wat ze eraan hebben. Daar staat tegenover dat je in traditioneel sterke sectoren sterke vakbonden blijft houden die nog wel veel kunnen bereiken. De spoorwegen zijn daar een goed voorbeeld van, net als de havens. Maar dat is wel een segment van de arbeidsmarkt dat niet of nauwelijks meer groeit.’

U schrijft zelfs dat over vijftien jaar geen werkende meer vakbondslid is.

‘Als de huidige trend zich doorzet, is dat zo.’

Is dat erg of kan een vakbond zonder werkende leden?

‘Lange tijd leek dat geen probleem, omdat die ledenontwikkeling geen directe invloed heeft. Ook met een laag ledenaantal kan een vakbond cao’s afsluiten voor alle werkenden in een sector. Maar dit wordt wel steeds afhankelijker van de bereidwilligheid van werkgevers. In sommige sectoren zeggen die nu al: waarom zou ik nog met zo’n lastige partij als de FNV zakendoen? Zij representeren mijn personeel toch niet.

‘Het wordt steeds duidelijker dat dit systeem heel kwetsbaar is. Ik heb daarom de suggestie gedaan om na te denken over een alternatief ledenmodel. Je zou daarvoor bijvoorbeeld naar politieke partijen kunnen kijken. Die ontlenen ook niet hun legitimiteit aan het aantal leden dat ze hebben – want daarmee is het nog veel erger gesteld dan bij de vakbonden –, maar aan het feit dat mensen bij verkiezingen op ze kunnen stemmen.

‘Dus mijn suggestie is: kunnen we niet een soort verkiezingsmodel invoeren waarbij werkenden in een sector of bedrijf mogen stemmen welke vakbond voor hen gaat onderhandelen over hun cao. Op die manier kunnen ook jongeren een stem krijgen en hun belangen meer prioriteit. Want dat is toch wel het grootste probleem van de Nederlandse vakbeweging: dat jongeren bijna geen vakbondslid meer worden.’

Als je in uw boek terugkijkt naar de afgelopen kwarteeuw is pensioen een van de grootste thema’s geweest binnen de FNV.

‘Ja, er is een mooie stelling van de Engelse econoom Alison Booth: een democratische vakbond is ten dode opgeschreven.’

Dat klinkt niet best.

‘Haar redenering is: we beginnen met een vakbond die een redelijke weerspiegeling vormt van de beroepsbevolking. Maar zodra de beroepsbevolking gaat vergrijzen, zal het aandeel ouderen per definitie groeien en het aandeel jongeren afnemen en zullen de belangen van ouderen steeds sterker gaan wegen. Daardoor zullen jongere leden zich niet meer herkennen in de vakbond en afhaken. Daardoor stijgt de leeftijd nog verder en daarmee het belang van de ouderen. Totdat alleen gepensioneerden overblijven.

‘Dat zie je nu bij de FNV gebeuren. Er zijn wel wat uitzonderingen, bijvoorbeeld in het onderwijs. Die hebben mede dankzij de lerarenstaking van Facebookinitiatief ‘PO in actie’ wel meer jonge leden getrokken. Maar op de meeste plekken zie je dat het ledenbestand nog veel vergrijsder is dan de beroepsbevolking zelf. En toch denkt elke nieuwe voorzitter het tij te kunnen keren. Hoe vaak heb ik Tuur Elzinga niet horen zeggen: ‘De laatste maanden zien we meer jongeren instromen.’ Dat hoorde ik twintig jaar geleden ook al.’

Komt er over 25 jaar denkt u nog een boek ‘50 jaar vakbondsstrijd in de 21ste eeuw’ van uw opvolger?

‘Ik hoop het, maar ik heb het lijntje van de ledenontwikkeling niet voor niets doorgetrokken. Het zou levensgevaarlijk zijn als vakbonden zouden denken: oké, we hebben het zo vaak gehoord, het zal wel loslopen. Er is echt radicale verandering nodig. Want het is zoals met de kalkoen die iedere keer denkt: ik leef nog steeds. Het is op een gegeven moment Kerstmis.’

Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next