In Nederland, met z’n compromissencultuur, moet je met een lampje zoeken naar bevlogen redenaars – althans, dat is lange tijd de heersende opvatting geweest. Historicus Henk te Velde weet wel beter.
schrijft voor de Volkskrant over politiek Den Haag, waar hij tot 2022 verslaggever was.
Dat het 2025 moest worden voordat er eens een boek over politieke welsprekendheid verschijnt, zegt eigenlijk genoeg. De redenaarskunsten staan in Nederland niet hoog aangeschreven. Ze worden niet belangrijk gevonden, sterker nog, lijken vaak zelfs een beetje verdacht. Al kijken we soms met jaloezie naar landen – Engeland, Frankrijk, de VS – waar wel sprekers zijn die massa’s in beweging brengen.
Of zoals de Leidse historicus Henk te Velde het omschrijft: ‘Voorzichtige compromissen, bestuur in een land van minderheden, premier als eerste onder gelijken, een tot de Republiek teruggaande bestuurderstraditie, bij elkaar heeft het geleid tot een zo ingetogen traditie dat er nauwelijks een bewustzijn van bestaat.’
Maar in zijn boek Land van redenaars en debat wil hij juist laten zien dat het tegenovergestelde waar is. In zijn studie ontsluiert hij een debatcultuur die zich tot dusver aan het oog heeft onttrokken. En passant geeft hij tijdgenoten als Pim Fortuyn, Mark Rutte, Sylvana Simons en Geert Wilders hun plaats in twee eeuwen welsprekendheid.
In Te Veldes verhaal komen ze allemaal langs: het radiopraatje met ‘even rustig te gaan slapen’ van Hendrikus Colijn, de toespraak over de oliecrisis van Joop den Uyl, de coronatoespraak van Mark Rutte, maar ook de redevoeringen van Abraham Kuyper, Ferdinand Domela Nieuwenhuis en Henriette Roland Holst die niet in beeld of geluid zijn vastgelegd.
‘Tijdgebonden welsprekendheid’, zo noemt Te Velde de vaardigheid van politici. Want willen ze met hun woorden iets bereiken, dan moeten ze altijd de verbondenheid met hun publiek zoeken. Jelle Troelstra zou het in 1918, na zijn oproep tot revolutie, indringend verwoorden: ‘Nog nimmer voelde ik mij zóó gedragen door de geestdriftige instemming van de massa der Partij.’
Te Velde laat zijn boek beginnen op 1 maart 1796. In de balzaal van stadhouder Willem V op het Binnenhof werd de Nationale Vergadering opgericht, waarmee de nieuwe republiek een eenheidsstaat werd. Nederland kreeg een nationaal politiek podium, met ruimte voor publiek dat graag van zich liet horen. Men kon er naar de Leidse ondernemer Pieter Vreede luisteren, die al in 1797 vurig pleitte voor afschaffing van de slavernij: ‘Ach mogen onze rampzalige Afrikaanse Medebroeders, door Bataafsch geweld, in Amerika vervoerd, en tot eene eeuwige slaverny gedoemd, troost vinden in de gevoeligheid uwer harten.’
Een op de tien afgevaardigden was predikant geweest, waarmee een wezenskenmerk van de Nederlandse welsprekendheid is genoemd. Predikanten, priesters en bijbelvasten zouden hun stempel blijven drukken op de debatcultuur. Dat gebeurde ongeacht de politieke overtuigingen van de spreker. De socialistische Domela Nieuwenhuis was Luthers predikant, Te Velde laat zien hoe de taal van Den Uyl wortelde in een stevig gereformeerde opvoeding.
Als schepper van ‘de Nederlandse welsprekendheid’ wordt de predikant Johannes Henricus van der Palm opgevoerd, een pragmatisch politicus. Hij was patriot, werd minister van Nationale Opvoeding, diende Napoleon tijdens de Franse overheersing en diende later met net zo veel gemak koning Willem I.
Van der Palm had zijn mediastrategie op orde: zijn feestredes trokken duizenden mensen, de tekst verscheen later in druk. Over de landing van koning Willem I op het Scheveningse strand schreef hij: ‘Den ouden was het, als hadden zij een kind uit den dood wedergekregen, de mannen een broeder, de jongelingen een vader!’
Te Velde vermeldt ook zijn gebaren en zijn stem, ‘helder als eene zilveren klok’. Dat hij vaak dwarsverbanden met andere tijden en landen legt, geeft zijn boek een extra dimensie. Zo doet de muzikaliteit van Van der Palm hem denken aan Amanda Gorman, die de wereld aan haar voeten kreeg met haar voordracht bij de inauguratie van Joe Biden.
Voor Van der Palm en zijn tijdgenoten was de esthetische vorm even belangrijk als de inhoud. Daar kwam met Thorbecke een einde aan. ‘Staatsman is niet, die redevoeringen houdt, maar die proeven van Staatsbeleid gaf’, schreef hij in 1869. De regering woog voor hem zwaarder dan de Kamer.
Die opvatting zou dominant blijven tot in onze tijd, en met Lubbers en Kok een technocratisch summum bereiken. Al waren er slingerbewegingen, met de galmende retoriek van Abraham Kuyper, de ‘reine, kalme klank’ van de anarchist Domela Nieuwenhuis en, meer dan een halve eeuw later, de bevlogenheid van Busken en de ‘op een dun koord van pathos balancerende’ Den Uyl.
Te Velde geeft ze hun plek in een traditie van redenaars en maakt aannemelijk dat die rijker en diverser is dan gedacht. Voor wie het niet gelooft, zijn in de tekst QR-codes afgedrukt waarmee de belangrijkste fragmenten kunnen worden beluisterd of bekeken.
Henk te Velde: Land van redenaars en debat. Prometheus; 408 pagina’s; € 35.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant