Home

‘Zolang je niet vegan bent, mishandel je dieren.’ Schrijver Carolina Trujillo is duidelijk over de waarheid die niemand wil horen

Ze leeft als een kluizenaar, in een huis zonder bank en zonder afwasmachine, zegt schrijver Carolina Trujillo. Maar ze heeft haar idealen, en de literatuur. ‘Je mag volgens de wet geen slachthuis in de fik steken, maar in fictie kun je het gewoon doen.’

is redacteur van Volkskrant Magazine. Voor Volkskrant Magazine interviewt ze bekendere Nederlanders.

Carolina Trujillo heeft een hond, de naam wil ze hier niet vermeld zien. ‘Misschien ben ik een paranoïde gek, maar ik hou er niet van als onbekenden de naam van mijn hond weten.’ De hond werd in 2017 als puppy in een Spaans veld gevonden, ze haalde hem zelf op bij de plaatselijke dierenopvang. Ook na negen jaar en hondengedragstherapie is hij nog altijd niet op zijn gemak bij mensen, zeker niet als die aan hem willen zitten. Kinderen vindt hij doodeng. Skateboards ook. Als hij een kind op een skateboard ziet, vlucht hij het postcodegebied uit. ‘Ignore me’ staat in grote gele letters op zijn zwarte riem. Trujillo: ‘Het onhandige is dat mensen soms voorover buigen om te lezen wat er staat, en dan is dat negeren weer mislukt.’

We hebben afgesproken in De Ceuvel, een restaurant in Amsterdam-Noord. De hond ligt onder haar stoel. Thuis afspreken wilde ze ‘liever niet’, had Trujillo (55) van tevoren gemaild. ‘Ik woon nog niet heel volwassen.’

Dat De Ceuvel een plantaardig restaurant is, is mooi meegenomen, want ze heeft als veganist de ‘Liberation Pledge’ afgelegd: ze eet niet aan tafels waar ook dieren of dierlijke producten worden gegeten. ‘Voor mij is dat niet moeilijk. Mijn familie woont in Uruguay, daar zit ik nooit bij aan tafel. Ik hoef niet vaak uit eten of te lunchen met collega’s, want ik leef nogal als een kluizenaar. Ik word niet echt op de proef gesteld, bedoel ik. Als we nu in een gewoon café hadden gezeten en jij had een tosti met kaas of een koffie met koeienmelk besteld, was ik dan opgestaan? Daarom spreek ik liever af in een plantaardig café. Zo vermijd je het probleem.’

Eén keer ging ze niet naar een etentje van haar uitgeverij, voorafgaand aan het Boekenbal, omdat dat plaatsvond in Schiller aan het Amsterdamse Rembrandtplein, een brasserie met een menukaart die ‘druipt van het bloed’. Het jaar daarop werd er plantaardig gegeten. Trujillo sluit niet uit dat dat te maken had met haar weigering, en met haar roman De instructies, die toen net was verschenen. ‘Er werd door de vegans gekookt, en dat ging hartstikke goed.’

In De instructies verkleedt een groep dierenactivisten zich als varkens om het grootste slachthuis van Nederland in de fik te zetten. Het was verrassend, schreef de Volkskrant-recensent die Trujillo’s standpunt over dierenrechten kende uit haar NRC-columns, dat De instructies, in tegenstelling tot die columns, ‘geen verzameling mokerslagen is, maar het vlot lezende verslag van een kanjer van een aanslag’. Voor de uitvoerders, een clubje soms amateuristische activisten, kon je niet anders dan gaandeweg sympathie ontwikkelen. De lichte, ironische toon was ‘een schot in de roos’, dit was een boek om te lachen én te huilen. Het eveneens enthousiaste NRC gaf vier ballen (‘een heerlijke roman’) en de jury van de Libris Literatuurprijs zette het boek dit jaar op de longlist.

‘Ik wist natuurlijk dat het niet prekerig mocht worden’, zegt Trujillo. ‘Je weet dat dat op de loer ligt met dit onderwerp. Ik heb vrienden die kritisch meelazen. Ik zei: als het prekerig is, zet dan gewoon een streep in de kantlijn, dan los ik het verder zelf op. In het begin stonden er veel strepen. Alleen al vertellen hoe dingen eraan toegaan, kan prekerig overkomen. Ook omdat je veel gewoon niet weet, er niet bij stilstaat. Dat er bedrijven zijn die apparaten maken voor de slachtindustrie, waar slimme ingenieurs werken die dat soort apparaten bedenken. Afschotboxen, schietmaskers, onthoorners, endeldarmboren, potenkniptangen. Ik verzin het allemaal niet. Zo’n bedrijf is een van de doelwitten van de activisten in mijn boek.’

Voor De instructies kon Trujillo onder meer putten uit de ervaringen van haar ouders, die zich als guerrillastrijders in de jaren zeventig keerden tegen het militaire regime in Uruguay. Toen ze 3 was, werd haar vader opgepakt en vanwege ‘subversieve activiteiten’ als lid van de Tupamaros veroordeeld tot 12 jaar celstraf. Haar moeder vluchtte met Trujillo en haar zusje naar Argentinië, waarna ze in Nederland als politieke vluchtelingen asiel aanvroegen. Na een periode in azc’s in Wijk aan Zee en Zeist kwamen ze terecht in de Amsterdamse Rivierenbuurt, daarna in Abcoude.

Trujillo: ‘Het was altijd raar als ze vroegen waar mijn vader was. Wat moest ik zeggen? Soms zei ik de waarheid, maar ik heb ook weleens gezegd dat hij dood was. Twee keer werd ik met mijn zusje vanuit Nederland naar Uruguay gestuurd om hem te zien in de gevangenis. Een keer toen ik 8 was en een keer toen ik 12 was. Mijn moeder kon niet mee, die werd zelf gezocht. Mijn oma haalde ons op. Ik was als de dood dat ik mijn vader niet zou herkennen en zijn hart zou breken. Al die mannen lijken op elkaar: ze zijn allemaal kaalgeschoren en dragen een grijze overall. Omdat een baard niet mocht, want communistisch, hadden ze allemaal een snor. Nou, vis daar je vader maar eens tussenuit, die je jaren niet hebt gezien. Het is me godzijdank gelukt.’

Ze miste haar vader, of eigenlijk: een vader, want ze kende hem niet. Toen ze 15 was, kwam een eind aan de dictatuur en werd hij vrijgelaten. Zoals gepland voegde hij zich in Nederland bij het gezin. ‘Een drama. Ineens woonde er een vreemde vent in huis, die de taal niet sprak en verknipt en getraumatiseerd was. Hij had twaalf jaar in een gedeelde cel van twee bij vier gezeten, hij mocht een uurtje per dag luchten. Voor mijn vader moest alles in huis een vaste plek hebben. Zo was hij dat gewend in zijn cel. Maar ja, twee puberdochters, die smijten hun jas en tas en schoenen in de hoek. Hij werd daar gek van. En wij waren boos omdat we een boze vader hadden, dat was niet wat ons was beloofd.’

Niet veel later verhuisde het gezin terug naar Uruguay. Trujillo, een puber, werd meteen verliefd op het land, maar toen daar met een referendum werd besloten de militairen niet te berechten voor de misdaden die ze tijdens de dictatuur hadden begaan, was de liefde over. In 1990 won ze met haar eerste novelle een Argentijnse prijs, 1.000 dollar, het geld gebruikte ze om een ticket naar Nederland te kopen. Ze studeerde scenarioschrijven aan de Filmacademie en begon in het Nederlands te schrijven. Ze schreef vijf romans en twee verhalenbundels, waarmee ze drie literaire prijzen won, levert bijdragen aan Hard gras en is sinds een paar jaar columnist voor NRC. Daarnaast tekent ze cartoons, die ze publiceert op haar eigen website, in Schrijven Magazine en in poëzieblad Awater.

Schrijven is soms ook een frustrerend beroep. Een paar jaar geleden kondigde ze aan ermee te stoppen. ‘Toen was ik verzuurd, omdat uitgever Ambo Anthos was vergeten mijn bundel Meisjes in blessuretijd in te sturen voor de ECI Literatuurprijs. Het was een prachtig boek! Ik had kunnen winnen! Toen heb ik mijn contract verscheurd en ben ik alle exemplaren gaan ophalen, ze staan nu bij me thuis. Ik dacht: ik kap hiermee, dit is onzin. Uiteindelijk won ik met dat boek de Jan Hanlo Essayprijs, dus toen was het weer oké. Maar inderdaad, het is soms niet leuk. Omdat je als schrijver altijd arm bent, terwijl al je vrienden met gewone banen wél een bank en een afwasmachine hebben.’

Bedoelde je dat toen je schreef dat je ‘niet heel volwassen’ woont?

‘Ja, al is het niet hebben van een bank en een afwasmachine inmiddels ook een bewuste keuze. Overal in mijn huis staan tafels met spullen erop. Tekeningen, aantekeningen. Ik zit overal te werken. Mijn uitgever vond het jammer dat ik je niet thuis wilde uitnodigen. Hij omschrijft mijn huis als echt zo’n schrijvershol, het leek hem leuk als dat in Volkskrant Magazine beschreven zou worden.’

Als je geen bank hebt, waar zit je dan ’s avonds?

‘Achter een bureau. Te werken. Die enkele keer dat ik een serie wil kijken, ga ik bij de hond in de mand liggen. Het is een vrij grote mand.’

Citaat uit De instructies: ‘In veel opzichten, in de meeste, is met je ogen dicht leven veel makkelijker.’ Wanneer werden jouw ogen geopend over onze omgang met dieren?

‘Toen ik de documentaire Earthlings zag in 2017, tijdens de research voor mijn roman Vrije radicalen. Het is apart, hoe personages in je boeken je eigen leven kunnen beïnvloeden. Ik schreef een boek over een journalist die knettergek is: hij heeft wanen, pleinvrees, de hele bingokaart aan psychische aandoeningen. Doordat hij veel sombere documentaires kijkt, wordt hij ook nog eens hartstikke depressief. Ik ben een lijstje gaan maken van sombere documentaires. Earthlings stond op dat lijstje, dus ik keek naar Earthlings.’

En?

‘Ik heb hem niet af kunnen kijken, na een kwartier was ik vegan. Veganisme is geen dieet, maar het principe dat de mens geen andere dieren moet uitbuiten. Dat heeft consequenties voor wat je eet en drinkt, maar het betekent ook geen leer of bont dragen, niet naar de dierentuin en geen puppy of kitten kopen van een fokker. Voor ik die film zag, Earthlings, vond ik mezelf een geïnformeerde vrouw. Ik was al acht jaar vegetariër met het idee dat ik zo geen dierenleed veroorzaakte. Ik had geen idee wat de zuivelindustrie met koeien doet, met kalfjes, met stiertjes. Als je ziet hoe een kalfje bij een koe wordt weggehaald, in een aanhangwagen wordt gestopt, als je ziet hoe die koe er wanhopig achteraan rent, dat is hartverscheurend. En ik deed daar, als vegetariër, gewoon aan mee. Niet eventjes, maar acht jaar lang. What the fuck.’

Is iemand die vegetariër is hetzelfde als iemand die vlees eet?

‘Voor vegans wel. Het is allemaal hetzelfde. Koeien uit de zuivelindustrie eindigen ook in het slachthuis, ook die koeien worden vlees. Alleen worden zij niet na twee jaar geslacht, maar worden ze eerst zes jaar lang elk jaar zwanger gemaakt, waarna hun kalf wordt afgenomen zodat ze kunnen worden gemolken. Het jaar daarop worden ze weer geïnsemineerd. Als je ziet hoe dat gaat, hoe die boer met zijn arm erin gaat, kun je niet anders dan zeggen dat dat verkrachting is. Die koe wil dat niet. Als ze minder melk gaat produceren, wordt ze geslacht. Waarom, leg mij dat uit, zou dat minder leed veroorzaken dan het eten van vlees?’

Is het niet zo dat hoe minder dierlijke producten je eet, hoe beter het is?

‘We hebben het over een onrecht. Een man slaat zijn vrouw elke dag, een andere man doet het één keer per week. Moeten we die man die het één keer per week doet dan verdedigen? Of zullen we gewoon zeggen: blijf met je poten van die vrouw af? Bij elke misstand, bij elk onrecht, kijken we vanuit het slachtoffer. Ik weet niet of je het met me eens bent, of de lezer het met me eens is, maar ik vind wat wij dieren aandoen misdadig. Dus kijk ik vanuit het slachtoffer. Wat zou die koe willen? Mensen vragen zich vaak af waar ze hadden gestaan tijdens de Tweede Wereldoorlog, of ze in het verzet hadden gezeten. Of ze zich, als ze eerder hadden geleefd, hadden gekeerd tegen kolonialisme of slavernij. Je hoeft niet de geschiedenis in te gaan om dat te weten, kijk waar je nu staat ten opzichte van dierenrechten. Ben je een wegkijker, ben je iemand die meedoet, of ben je iemand die opkomt voor hen die onderdrukt worden en dat zelf niet kunnen?’

De film Earthlings kon ik ook niet afkijken. Van wie zou jij vinden dat ze die film moeten zien?

‘Iedereen die nog dieren of zuivel eet. Iedereen die dat doet maar wel denkt om dieren te geven, ze niet wil mishandelen. We vinden allemaal dat je een hond niet mag schoppen. Maar de dieren in de vee-industrie lijden ook. Die koe is een individu, net als jouw hond of kat. Als je je eenmaal blootstelt aan die filmpjes, je dieren ziet vechten voor hun leven, op transport, in de slachthuizen, branden de beelden zich in je netvlies. Als ik nu door het land rijd met de trein en ik koeien in de wei zie staan, zie ik meteen die beelden voor me van hoe ze op hun kop hangen in het slachthuis, met doorgesneden keel.’

En daar sluiten we onze ogen voor.

‘We worden er ook bij geholpen, hè. Het wordt je opgedrongen en aangesmeerd. Je wordt een vleeseter, of liever: diereneter, gemaakt vanaf het moment dat je klein bent. Je hield als kind van dieren, maar je kreeg ze wel te eten. De beelden van de dieren in loodsen, de dieren op transport en de dieren in slachthuizen krijg je nooit te zien. En dan zijn er ook nog organisaties, zoals de Dierenbescherming, die mensen wijsmaken dat er goede manieren zijn om dieren uit te buiten. Dat is fnuikend.’

Humane slacht is onzin, zeg jij.

‘Natuurlijk. Doordat er zoiets als biologisch vlees bestaat, en andere keurmerken, krijgen mensen het idee dat het oké is. Die keurmerken zijn er om het geweten van de consument te sussen, dieren hebben er geen zak aan. Het houdt het verrotte systeem alleen maar langer in stand. We hebben het toch ook niet over humaan kindermisbruik, of over kinderen op een verantwoorde manier laten werken in fabrieken? Maar ja, als de hele maatschappij zegt dat het oké is, wie ben jij dan om te zeggen dat dat niet zo is? Eén of twee procent van de mensen is vegan. Hun boodschap wordt nauwelijks gehoord.’

Waarom lukt het niet om mensen op de been te krijgen voor dierenrechten?

‘Omdat iedereen medeplichtig is en niemand dat van zichzelf wil inzien. Dan is wegkijken makkelijker. Veel media spelen daarin ook een kwalijke rol. Ik heb laatst een pissige column geschreven over de koeiendans. Het moment dat koeien in de lente de wei in mogen, is een pr-moment voor de industrie en daar werken media aan mee door het te laten zien. Als die koeien worden afgevoerd, staan ze er niet met hun camera’s.’

Wat was jouw eerste betekenisvolle relatie met een dier?

‘Thuis hadden we altijd honden. De eerste die ik me kan herinneren is Timmy. Ik woonde met mijn moeder en zusje in Amsterdam in de Rivierenbuurt op één hoog, maar we zouden verhuizen naar Abcoude, naar een huisje met een tuin. Daarom kregen we Timmy. Na het einde van de dictatuur in Uruguay verhuisden we terug naar Montevideo, Timmy ging mee. Helaas werd ze in Uruguay vergiftigd, dat doen mensen daar, omdat ze een hekel hebben aan honden die los door de wijk lopen, roedels vormen en achter fietsers aan rennen. Timmy rende nooit achter fietsers aan, maar ze heeft wel vergiftigd vlees gegeten. Gruwelijk. Dat hakte erin. Maar je hoeft niet gek op dieren te zijn om ertegen te zijn dat ze mishandeld worden. Ik ben zelf niet bijzonder gek op kinderen, maar als ik iemand een kind zie mishandelen hoop ik wel dat ik ertussen spring.’

In De instructies kaart je ook het misleidende taalgebruik van de vee-industrie aan: het woord stal klinkt gezellig, terwijl het gaat om loodsen met roostervloeren over een laag stront en pis. We hebben het over houden, huisvesting, verzorgen en onderkomens. Over vee en vlees in plaats van dieren.

‘De gemiddelde varkensboer in Nederland heeft 4.700 varkens. Hoe kun je een plek waar je 4.700 individuen opsluit een stal noemen? Het zijn barakken. Dierenmishandeling mag niet, maar in een zogeheten stal mag het wel. Als een hond is opgesloten in een hete auto en jij gooit het raam in om hem te redden, ben je een held. Als je hetzelfde doet in een stal, ben je een extremist.’

Jij bent er een roman over gaan schrijven. Hoe ben je begonnen?

‘Ik heb gelezen, documentaires gekeken en meegedaan aan acties op straat, waarbij je op een drukke plek gaat staan met een beeldscherm om je schouders. Op dat scherm werden beelden uit de industrie getoond. Natuurlijk zijn er mensen die schelden of weglopen. Maar ik kan me ook een kind herinneren dat de beelden zag en vroeg: weet de politie hiervan?’

Hoe is het om te weten dat je gelijk hebt maar er niemand luistert?

‘Ik weet niet of zo weinig mensen luisteren. Er zijn ook mensen die ervoor openstaan, die denken: verdomme, hier wil ik niet aan meewerken. Die ter plekke besluiten vegan te worden. Als ik praatjes houd voor publiek, loopt er altijd wel iemand boos weg. Dat zie ik als een teken dat ik goed bezig ben. Zolang je niet vegan bent, mishandel je dieren. Dat is de waarheid die niemand wil horen, maar die moet wel worden verteld.’

In De instructies gaan het verdriet en de onmacht onder de huid van de activisten zitten. Is dat een gevoel dat je herkent?

‘Ja. Ik vind het vreselijk om in de supermarkt langs het vleesschap te moeten lopen, om mensen die producten gedachteloos in hun mandje te zien gooien. Ik voel daar intens verdriet bij. Als je eenmaal je ogen hebt geopend, lukt het niet meer je ervoor af te sluiten. Restaurants die The Butcher heten. Een viskraam op de markt vol dode vissen. En al die mensen die het geen reet kan schelen.’

Tijdens het schrijven van De instructies sprak ze telefonisch vaak met haar vader. Ze vertelde hem over de operaties die ze de activisten in haar roman laat uitvoeren. ‘Daar gingen we dan een beetje over ouwehoeren. Hij vertelde wat hij goed en geloofwaardig vond aan het plan en wat niet. De activisten in mijn boek nemen molotovcocktails en brandbare vloeistoffen mee naar het slachthuis. Nee, zei mijn vader, je moet altijd proberen de fik te steken met wat er al is. Zo min mogelijk op de dag zelf met jerrycans gaan zeulen, maar de benzine bijvoorbeeld uit aanwezige vrachtwagens halen.

‘Wat ik ook uit die guerrillageschiedenis heb overgenomen, is het organiseren van een afleidingsmanoeuvre tijdens een grote actie. De Tupamaros waren meesters in het uitvoeren van gevangenisuitbraken. Bij de grootste daarvan, in Montevideo – mijn vader nam deel aan het van buitenaf graven van de tunnel – werd op de avond van de ontsnapping Operatie Kievit uitgevoerd. Dat betekende dat er op de avond van de ontsnapping aan de andere kant van de baai een rel werd veroorzaakt, bewoners werd opgedragen stennis te schoppen, zonder dat ze wisten waarom. We kregen met de paplepel ingegoten waarom dat Operatie Kievit heette. Als je in de buurt van het nest van een kievit komt, gaat die verderop herrie zitten maken. Mijn roman heeft ook een Operatie Kievit. De actie in het slachthuis vindt plaats op oudejaarsavond, om de politie te misleiden wordt er even verderop een housefeest georganiseerd waar vuurwerk wordt afgestoken.’

Hoofdpersoon Mol concludeert in De instructies: ‘Niet hoeven uitblinken, maar samenwerken voor een groter doel is een beter thuis dan die individuele vrijheid vol vragen, competitie en eenzaamheid.’ Ben je door je ouders opgevoed om uit te blinken, of om samen te strijden voor een groter doel, zoals zijzelf?

‘Ik ben opgevoed door mijn moeder, want mijn vader zat in de bak. Ik moest uitblinken, ik moest studeren, dat werd erin geramd. Mijn ouders streden zelf voor een groter doel, ja, maar zij waren twintigers, studenten, en hun land werd een dictatuur, dus wat doe je? Je gaat je verzetten tegen het regime. Steeds meer mensen werden opgepakt, en die mensen werden gemarteld, zodat ze anderen gingen verraden. Op een gegeven moment kwamen ze mijn vader halen. Hij werd gewaarschuwd, maar hij realiseerde zich dat als hij zou vluchten, ze mijn moeder zouden pakken, en dat mijn zusje en ik foetsie zouden zijn. Mensen raakten in die tijd nog weleens vermist, zoals je misschien weet. Toen is hij naar het politiebureau gegaan om zichzelf aan te geven.’

Je vader heeft twaalf jaar gezeten voor zijn idealen. De vraag of het zin heeft gehad, of het het offer waard was, heeft die jou beziggehouden?

‘Ja, in een bepaalde periode van mijn leven wel. Maar ik heb er een roman over geschreven, De terugkeer van Lupe Garcia, dus dat is voorbij, ik ben genezen. Strijden voor je idealen, ook al zijn ze niet haalbaar, ik vind het niet verkeerd, denk ik.’

Ook als dat betekent dat je je kinderen twaalf jaar niet ziet?

‘Dan wordt het lastiger. Ik denk dat je je moet afvragen wat de prijs is die je gaat betalen, en of dat tegen elkaar opweegt. Ik denk dat het voor ons erg was, maar voor hem nog veel erger. Hij was een twintiger die zijn twee dochtertjes moest missen, ik weet dat hij daaraan onderdoor ging. Ook aan het besef dat je die tijd samen nooit meer terugkrijgt.’

In je verhalenbundel Meisjes in blessuretijd schrijf je: ‘Voor we goed en wel op de lagere school zaten waren mijn zusje en ik al zeker zeven keer verhuisd, verspreid over drie landen, vijf steden en twee continenten. Die instabiliteit bood een uiterst vruchtbare voedingsbodem voor een kleurrijk palet aan gedragsproblemen.’

‘Toen ik voor De terugkeer van Lupe Garcia ging kijken hoe het andere kinderen van ex-guerrillastrijders was vergaan, ontdekte ik dat veel van hen alcoholist waren of aan de drugs zaten. Ik wijt dat toch aan hechtingsproblematiek. Dat je als klein kind zekerheden hebt gemist, je misschien niet belangrijk genoeg hebt gevoeld, omdat de strijd voor je ouders op één stond. Op een gegeven moment zei mijn zus tegen me: ‘Als je in de guerrilla zit, moet je niet aan kinderen beginnen’. Zij heeft zelf kinderen en was stellig. Dat zette mij aan het denken. Wat zeg je eigenlijk tegen je kinderen als je het verzet in gaat? Zeg je dan dat zij onbelangrijk zijn? Aan de andere kant denk ik: natuurlijk moet je je verzetten tegen onderdrukkers.’

Je schrijft in dezelfde bundel ook dat je psychopathische trekken vertoont, zoals ‘geen medeleven voelen en eigenlijk geen interesse in de medemens hebben op welk gebied ook’. Kun je zonder interesse in de medemens goede romans schrijven?

‘Die lui in de boeken zijn personages, hè? Ik denk dat er wel een tijd is geweest dat ik zo over mezelf dacht. Dat je zegt: ik ben empathisch niet optimaal gekalibreerd.’

Hoe merk je dat je empathisch niet optimaal bent gekalibreerd? Heb je moeite relaties aan te gaan?

‘Bijvoorbeeld. Maar het wordt je ook aangepraat, dat je een relatie moet hebben. Ik ben er niet goed in. Dus ga je aan jezelf twijfelen. Want je denkt: iedereen wil dat, iedereen zegt dat je dat moet willen, en ik wil het niet. Misschien saboteer ik mijn eigen geluk, er zal wel iets mis met me zijn, dat ga je denken.’

Ben je wel verliefd geweest?

‘Jazeker. En op dat moment wilde ik ook een relatie. Maar ik wilde nooit samenwonen, ik wilde geen gezamenlijke rekening, geen kinderen, en op een gegeven moment wil die ander dat wel, dus dan stopte ik ermee, omdat het voor mij verstikkend was en ik het levensplan van die ander niet wilde dwarsbomen.’

Heb je de romantische liefde afgezworen?

‘Ik ben er niet actief mee bezig en ik mis het ook niet. Of nee, ik mis het heel weinig. Een zeldzame keer. Als de hond nog laat uit moet, en het is kutweer.’

Wat heeft het huwelijk van je ouders je geleerd over relaties?

‘Dat het huwelijk kut is en je het moet mijden als de pest. Mijn moeder was jaren alleenstaande moeder, dat ging goed. Toen mijn vader erbij kwam, ontplofte de zaak. Daar kon hij ook niets aan doen, maar het was wel zo.’

***

Met haar Nederlandstalige debuut, De bastaard van Mal Abrigo, over een Colombiaanse president die cocaïne legaliseert, won Trujillo in 2002 de Marten Toonder/Geertjan Lubberhuizenprijs voor het beste prozadebuut. Van het prijzengeld van 5.000 euro ging ze naar Colombia. ‘Ik wilde dat land, waar ik over had geschreven, in het echt leren kennen. Aanvankelijk voor drie weken, toen moest ik terug naar Nederland om mijn prijs in ontvangst te nemen. Maar ik wilde daarna meteen weer naar Colombia. Ik wilde daar blijven. En ik was intussen knetterverslaafd geraakt aan cocaïne, dat speelde ook mee.’

In die drie weken?

‘Ja. Heel stom, want ik wist dat ik verslavingsgevoelig was en daar dus niet aan moest beginnen. Op mijn 10de kwam ik dronken thuis, mijn moeder zag de bui al hangen. Daarom zijn we naar Abcoude verhuisd. Ik raakte daarna verslaafd aan wiet en sigaretten, xtc en lsd heb ik ook een tijdje ferm geslikt. In Colombia heb ik al op de tweede avond, zodra ik van de hoogteziekte was bekomen, mijn eerste gram gescoord. Het was het lot, ik denk dat ik zoiets dacht.’

In Meisjes in blessuretijd heb je het over natte en droge snuivers. Jij was een droge snuiver, die er niet bij dronk. Je schreef in die periode aan drie boeken tegelijk.

‘Natte snuivers trek ik slecht, van die mensen die in cafés heel druk gaan doen, met van die irritante grootspraak en zelfingenomenheid. Ik deed het altijd alleen. Het bracht me ook iets. Ik werkte aan De terugkeer van Lupe Garcia, een boek waarvoor ik wroette in mijn verleden, in de relatie met mijn ouders, mijn jeugd, die hechtingsproblematiek. Dat wroeten is pijnlijk, en cocaïne verzacht. Het verdooft, het maakt je gelukkig, daardoor durf je dieper die pijn in te kijken.’

Had je daar ook iets aan op de momenten dat je nuchter was?

‘Ik werd niet nuchter. Dat nuchter worden gebeurde pas jaren later, toen ik weer in Nederland was. Ik heb aan één stuk door gesnoven. Ik kocht 10 gram en als het op was ging ik naar bed. Dat betekent ongeveer vijf dagen wakker zijn en twee dagen slapen. Ik had berekend dat ik het zo een tijdje vol kon houden, ook financieel. Ik wil geen reclame maken, maar daar betaalde ik tussen de 5 en 10 dollar per gram.’

Was het goed wat je toen schreef?

‘Ik dacht dat ik een fantastisch boek aan het schrijven was. Ik ging sneller denken. Ik had vaak het gevoel dat iets al gelukt was terwijl ik er nog aan moest beginnen. Dat was de coke, maar ik heb op basis van die aantekeningen uiteindelijk wel een goed boek geschreven. De personages, het verhaal, heb ik toen en daar bedacht.’

Financieel hield je het vol, maar fysiek niet.

‘Dat werd inderdaad lastig. Ik reisde van Colombia naar Uruguay, uiteindelijk kwam ik in Montevideo in het tuinhuisje van mijn oma terecht. Ik heb mijn drugsgebruik nooit verstopt, iedereen wist het. Dat maakte mij ook zo’n lastige gebruiker, dat ik niets ontkende. Mijn ouders konden wel zeggen dat ik moest stoppen, omdat ik nog geen 50 kilo woog, maar dat deed me niets. Het boek was nog niet af. En ik was natuurlijk ook gewoon verslaafd. Ze konden zeggen wat ze wilden, ik luisterde toch niet. Nou, toen kreeg ik een hersenbloeding. Ik keerde terug naar Nederland om geopereerd te worden, dat kon in Uruguay niet. Of wel, maar daar zouden ze mijn schedel openzagen en in Nederland kon het via mijn lies.’

Was het daarna makkelijk afkicken?

‘Ja. In een andere omgeving is dat makkelijk. Geen haar op mijn hoofd die eraan dacht om in Nederland een dealer te bellen, dat zou belachelijk zijn geweest. Ik had er ook het geld niet voor. Dus dat was klaar. Ik was wel heel moe na die operatie. En down. Maar na een paar maanden ben ik weer gaan schrijven.’

Heb je alles wat verslavend is nu afgezworen?

‘Alles, behalve koffie. Na die hersenbloeding was ik hard op weg om alcoholist te worden. Maar ik kreeg clusterhoofdpijn, een aanvalshoofdpijn die onbeschrijfelijk is, echt, niet te harden. En die aanvallen werden ontketend door drank. Het is grappig, elke keer zorgt mijn lichaam dat ik moet stoppen met destructieve onzin.’

Er zijn kunstenaars die niet in therapie gaan omdat ze bang zijn dat dan hun creatieve bron opdroogt. Geldt dat ook voor jou?

‘Ja, ergens wel. Ik verwerk de dingen liever in mijn boeken. In mijn column in NRC schreef ik laatst dat ik een mental coach had, maar ik bedoelde daar een vriend mee, de Hagenees. Er vielen een paar woorden weg waardoor het leek alsof ik écht een mental coach heb. Niet dus. Elke succesvol afgeronde therapie is een film die je niet maakt, dat stond op de Filmacademie ergens op een wc-deur. Ik heb daar zeker in geloofd. Misschien nog steeds wel. Als ik iets wil gaan schrijven, heb ik het er van tevoren liever met niemand over. Alle energie moet in het boek gaan zitten.’

Als columnist in NRC schrijf je vaak over dierenrechten. Wat werkt beter om een boodschap over te brengen, een column of een roman?

‘Een column, die wordt meer gelezen. Maar een roman geeft meer voldoening. Voor mezelf was het fijn om in De instructies al mijn frustraties van me af te kunnen schrijven. Je mag volgens de wet geen slachthuis in de fik steken, maar in fictie kun je het gewoon doen. Lekker gevoel, hoor.’

Cv Carolina Trujillo

27 maart 1970 Geboren in Montevideo.
1991 Spaanstalige novelle De exilios, maremotos y lechuzas.
1991 Eerste prijs in de Argentijnse Colihue literatuurwedstrijd voor De exilios, maremotos y lechuzas.
1996 Afgestudeerd aan de Filmacademie, richting scenarioschrijven.
2002 Nederlandstalig debuut De bastaard van Mal Abrigo.
2002 Marten Toonder/Geertjan Lubberhuizenprijs voor De bastaard van Mal Abrigo.
2009 Roman De terugkeer van Lupe Garcia.
2009 Shortlist AKO Literatuurprijs voor De terugkeer van Lupe Garcia.
2010 BNG Nieuwe Literatuurprijs voor De terugkeer van Lupe Garcia.
2014 Roman De zangbreker.
2016 Longlist Libris Literatuurprijs voor De zangbreker.
2017 Roman Vrije radicalen.
2017 Bundel Meisjes in blessuretijd met verhalen uit Hard gras.
2018 Longlist Libris Literatuurprijs voor Vrije radicalen.
2019-heden Columnist NRC.
2019 Jan Hanlo Essayprijs voor Meisjes in blessuretijd.
2022 Messi en Suárez, de gelekte gesprekken.
2024 De instructies.
2025 Longlist Libris Literatuurprijs voor De instructies.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next