is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
De Geraint Thomas Cycling Club (Watts Occuring) is een podcast waarin de voormalige Tourwinnaar zijn licht laat schijnen op de ontwikkelingen in het wielerpeloton. Voor zover verstaanbaar – ‘G’ is een Welshman – combineert hij zinnige teksten met een Brits gevoel voor humor.
De voorlaatste aflevering ging over Tadej Pogacar en de manier waarop die had huisgehouden in de etappekoers de Dauphiné. In de zesde etappe was de wereldkampioen op een steil klimmetje weggereden bij zijn rivaal Jonas Vingegaard. Thomas had er verbaasd naar zitten kijken: hij zag Pogacar rustig omhoog peddelen, terwijl achter hem het gat met Vingegaard snel groeide. Thomas: ‘Je denkt: fiets toch gewoon wat harder, zo snel rijdt die Pogacar niet. Maar dat leek alleen maar zo. Vingegaard kon niet harder.’
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Thomas voegde daar nog iets aan toe. Pogacar had volgens datafreaks tijdens de twintig minuten durende klim een vermogen ontwikkeld van 7,2 watt per kilogram lichaamsgewicht. ‘Dat is totaal krankzinnig’, zei Thomas. ‘Dat zou ik zelfs in mijn beste jaren hooguit zeven minuten hebben volgehouden.’
In de jaren waarin hij die ronde domineerde, deed Lance Armstrong voor de Tour de France altijd een test met zijn vaste trainer Michele Ferrari. Als hij tijdens de beklimming van zijn vaste col twintig minuten lang 6,8 W/kg wegtrapte, werd hij door Ferrari alvast hartelijk gefeliciteerd met zijn aanstaande zege. De dottore werd later levenslang geschorst vanwege zijn dopingpraktijken en Armstrong raakte zijn zeven Tour-overwinningen kwijt.
Niet voor niets kwamen door de manier waarop Pogacar tekeerging in de Franse Alpen de oude Armstrong-trauma’s weer boven. Nadat hij in Combloux alleen over de finish was gekomen, had menig liefhebber de neiging om Pogi alvast geluk te wensen met zijn vierde Touroverwinning.
Het belooft over veertien dagen inderdaad een ouderwets saaie Tour de France te worden. Dat is niet heel bijzonder, saaie Tours zijn de norm, spannende edities de uitzondering; hoop op het onverwachte houdt de wielerfan op de been.
Het zal de komende weken van de weeromstuit weer veel gaan over de vraag welke toverdrank Pogacar tot zich neemt. Die speculaties zijn er al sinds hij in de Tour van 2020 op de voorlaatste dag Roglic van het geel beroofde en die zijn nooit meer verdwenen. Ik verwacht dat er om de twee uitzendingen iemand aan tafel schuift bij De avondetappe die verklaart dat hij ‘voor niemand zijn hand in het vuur steekt’.
Pogacar kan maar één ding doen om zijn geloofwaardigheid te behouden: niet winnen. De verdachtmakingen zullen dan automatisch worden gericht op Jonas Vingegaard of Remco Evenepoel, die de ongenaakbare Pogacar hebben verslagen: ‘Hóé dan?!’
In het wielrennen gaat, zodra een speciale kampioen iedereen naar huis fietst, de eerste vraag nog altijd over doping. Het idee dat iemand over een zeer bijzonder talent beschikt, door de goden is uitverkoren, je reinste genialiteit tentoonspreidt of zich onderwerpt aan moordende oefenschema’s, wordt bij saxofonisten en cabaretiers zonder bijgedachten geaccepteerd. Maar rond het wielrennen geloven ze er niet in. Dat heeft ook met het besmeurde verleden te maken, of met Pogacars dubieuze entourage, maar het verpest hoe dan ook de lol van de ongegeneerde bewondering.
(Dit stukje kan binnenkort in mijn gezicht ontploffen, maar dat draagt bij aan de wedstrijdspanning.)
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant