Jarenlang was hij een ‘fanatieke deelnemer’ eraan, tot Frank Miedema inzag dat de wetenschap was verworden ‘tot een pervers systeem dat alleen maar waarde toekent aan zo veel mogelijk publiceren’. Hij ging er als universiteitsdecaan de strijd mee aan.
Als ‘kind van de jaren zestig’ loopt wantrouwen tegen ‘de elite’ als een rode draad door zijn werkende leven, ook al is hij daar tijdens zijn carrière als ziekenhuis- en universiteitsbestuurder zelf deel van gaan uitmaken. De afstand die hij er altijd toe is blijven voelen, voert hij terug op zijn gereformeerde opvoeding in een niet-academisch Fries gezin. Zijn vader was politieman, zijn moeder bestierde het gezin met vijf kinderen, van wie hij de jongste was. In zijn geheugen gegrift staat zijn moeders afkeer van de rector van zijn middelbare school, de hbs in Heerenveen: ‘Die noemde ons ‘de elite van de maatschappij’. Toen ik dat thuis vertelde, had die man voor haar volledig afgedaan. Voor haar ging het er in het leven om dat je je talenten inzet voor een betere wereld en voor mensen die minder bedeeld zijn. Van pretenties moest ze niets hebben. Heerlijk, heerlijk!’
Het gereformeerde geloof liet de inmiddels 71-jarige Frank Miedema op jeugdige leeftijd achter zich (‘Ik geloof dat ik nooit heb geloofd’), maar onderliggende normen en waarden als ‘woekeren met je talenten’ en ‘van betekenis voor de samenleving zijn’ hebben zijn leven gekleurd. Wanneer hij in 1971 voor een studie scheikunde kiest, is hij gemotiveerd om, voortkomend uit zijn linkse idealen, zich aan milieuproblemen te wijden. Maar in de jaren tachtig ontwikkelt hij zich tot immunoloog bij bloedbank Sanquin, waar hij met de aidsepidemie te maken krijgt.
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Terwijl homoseksuele mannen ‘bij bosjes sterven’ publiceert Miedema over het aidsvirus, wat hem een hoogleraarschap bij het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam oplevert. ‘Jij werkt om hoogleraar te worden, wij hebben een echte ziekte, zei een aidspatiënt eens tegen mij. Hij had gelijk. Ik heb dat altijd wrang gevonden: carrière maken met behulp van andermans leed.’
In 2004, op 50-jarige leeftijd, wordt hij afdelingshoofd immunologie van het UMC Utrecht, vijf jaar later krijgt hij als decaan en bestuurder met het gehele ziekenhuis te maken. In 2019 maakt hij de overstap naar de Universiteit Utrecht, waar hij tot zijn pensionering in 2023 als bestuurder verantwoordelijk is voor ‘open science’. Dat concept bouwt voort op een knuppel in het hoenderhok die Miedema in 2012 de wetenschappelijke wereld ingooide. Met een drietal kompanen hekelde hij de wetenschappelijke tredmolen waarin alles om publicaties draait.
Met artikelen in zo gerenommeerd mogelijke tijdschriften genereren wetenschappers geldstromen, promovendi en aanzien, ‘maar door dat systeem zijn we met onze rug naar de maatschappij komen te staan’, betoogde hij. Toegepast onderzoek over urgente maatschappelijke problemen stond in zijn ogen ten onrechte in veel minder hoog aanzien. Dat kon Miedema, nog altijd vol van het jarenzestigdenken, niet aanzien. Dus ging hij de strijd aan met het wetenschappelijke establishment, de elite waarvan hij van huis uit zo’n afkeer had meegekregen.
Op welke weerstanden stuitte u met uw overtuiging dat wetenschap maatschappelijk relevant moest zijn?
‘De weerstand kwam van wetenschappers die vonden: wij zijn knap, we doen belangrijke dingen voor de mensen, vooral fundamenteel onderzoek, dus geef ons een zak met geld en val ons verder niet lastig. Die elitaire houding staat haaks op wat ik nodig vond: andere belanghebbenden zoals patiënten bij onderzoek betrekken. Een gerenommeerd kankeronderzoeker suggereerde in reactie op ons plan Science in Transition, dat ik wilde dat Henk en Ingrid op de Veluwe voortaan zouden bepalen welk onderzoek hij moest doen. Pure demagogie natuurlijk. Anderen vonden dat ik de vuile was buiten hing en daarmee de wetenschap in gevaar bracht, politici zouden mijn betoog kunnen aangrijpen om te bezuinigen, we hoorden de rijen gesloten te houden. Dat ik dat niet deed, werd me kwalijk genomen. Maar ja, dan kun je nooit kritiek op het systeem hebben.’
Waar was het met het systeem misgegaan?
‘In de jaren zeventig was er een brede stroming, zeker onder studenten, die vond dat de wetenschap er voor de samenleving moest zijn. Natuurlijk had je mensen die dachten: ‘Ik ga lekker bij Shell werken’, maar veel studenten waren idealistisch en dachten: wij zijn er voor de samenleving, we gaan bijvoorbeeld iets aan de sociale ongelijkheid of de milieuvervuiling doen.
‘In de jaren tachtig veranderde dat, met de Amerikaanse president Ronald Reagan en de Britse premier Margaret Thatcher ging het vooral om geld verdienen, ook in de wetenschap. Kritiek op het kapitalisme, die in mijn studententijd nog normaal was, verdween uit beeld. De houding werd: het is mooi geweest met alle inspraak en idealen, nu gaan we voor de economie werken. Toen kwam ook steeds meer nadruk te liggen op publicaties in tijdschriften als Nature en Science. Wat de maatschappij nodig had, raakte daarmee buiten beeld.’
Deed u mee aan dat systeem?
‘Zeker, ik was een fanatieke deelnemer. Mijn zoon zei laatst nog: ‘Wanneer jij een artikel in Nature had, hield je er niet meer over op.’ Het was verslavend, ik ging volledig in mijn werk op. Mijn vrouw en de kinderen hebben daarvan wel last gehad. In de avonden en in weekeinden was ik vaak ‘nog even met mijn werk bezig’. Ik was academicus en wilde hoogleraar worden. Dankzij ons aidsonderzoek kreeg ik steeds meer waardering, meer onderzoeksgeld, meer medewerkers, dat voelde fantastisch. Ik nam het academische spel bloedserieus. Dat was ook nodig om erin te overleven.’
Wanneer bent u er anders naar gaan kijken?
‘Wat belangrijk in mijn vorming is geweest, is dat ik me altijd vragen over het systeem heb gesteld. De meeste wetenschappers doen dat niet, maar al als student was ik niet alleen met scheikunde bezig, maar ook met wetenschapsfilosofie, met de vraag: hoe werkt wetenschap eigenlijk? Dat heeft me nooit meer losgelaten. Iemand die me erg aansprak was Pierre Bourdieu (Franse socioloog, 1930-2002, red.) die de wetenschap als een sociaal spel beschreef, waarbij een kleine elite uitmaakt wat wel en niet kwaliteit is, waarna op basis van die criteria wordt bepaald hoe het geld wordt verdeeld en wie er dus wel en niet bij horen.
‘Wat ook vormend voor mij is geweest, was een bijeenkomst in de Rode Hoed, begin jaren negentig. Met andere aidswetenschappers gaf ik een presentatie aan honderden homoseksuele mannen over ons onderzoek. Ik had een technisch verhaal over T-cellen en merkte al na een paar dia’s dat ik de aandacht van de zaal verloor. Aan het einde reageerde een toehoorder: ‘Leuk, maar ik heb er geen reet van begrepen. Wat ik wil weten is: mijn partner en ik zijn allebei seropositief, moeten we dan bij het neuken toch condooms gebruiken?’
‘Zijn vraag sloeg bij mij in als de bliksem. Voor mij als immunoloog was die namelijk superrelevant: is er immuniteit nadat je bent geïnfecteerd? Maar bij ons in het lab was die vraag niet opgekomen, ik stond met mijn mond vol tanden. Het leerde me hoe belangrijk het is patiënten bij je onderzoek te betrekken.’
Dat lijkt nogal voor de hand liggend.
‘Vergis je niet. Toen ik in 2004 afdelingshoofd immunologie in Utrecht werd, kreeg ik het advies van een gerenommeerde collega: luister niet naar patiënten en hun behandelaren, die houden je met hun lastige vragen alleen maar af van je onderzoek. Voor mijn carrière was dat waarschijnlijk een goed advies, maar ik heb me er nooit aan gehouden. Ik had die Rode Hoed-ervaring en wilde me voor de buitenwereld openstellen.’
Toen u decaan werd, kreeg u de kans een heel ziekenhuis die kant op te krijgen.
‘In die jaren heb ik het systeem van binnenuit gezien en realiseerde me: het is nog veel erger dan ik dacht, dit gaat helemaal fout. Ik zag hoe iedereen probeerde erin te overleven. In 2011 was er de affaire-Stapel (hoogleraar sociale psychologie die vanwege grootscheepse datafraude door de universiteit van Tilburg werd ontslagen, red.), waarvan velen zeiden: dat is een uitzondering. Maar ik zag het vooral als een uiting van een pervers systeem dat alleen maar waarde toekent aan zo veel mogelijk publiceren.
‘Waar ik me ook tegen ging verzetten, was die elitaire houding dat fundamenteel onderzoek superieur zou zijn aan toegepast onderzoek (waarbij wetenschappelijke kennis wordt gebruikt om concrete problemen in de praktijk op te lossen, red.). Ik had bij Sanquin ervaren hoe belangrijk dat laatste is voor patiënten. Natuurlijk vind ik fundamenteel onderzoek belangrijk, maar het wordt omgeven door mythevorming, gevoed door een wetenschappelijke elite die daarbij belang heeft. Alsof fundamenteel onderzoek belangrijker voor de maatschappij is dan toegepast onderzoek, onzin. Of dat harde wetenschappen belangrijker zijn dan sociale wetenschappen, daarover kan ik me echt kwaad maken.’
Kunt u een concreet voorbeeld geven van weerstand waarmee u te maken kreeg?
‘In de psychiatrie van UMC Utrecht ging alle aandacht naar fundamenteel biologisch onderzoek – de hoop was dat hersenonderzoek zou leiden tot farmacologie, tot medicijnen. Maar ik vond dat er ook ruimte moest zijn voor toegepast onderzoek, bijvoorbeeld naar de kwaliteit van leven waar patiënten baat bij hebben.
‘Ik had een vriend met leukemie die honderd dagen bij ons in het ziekenhuis lag – beenmergtransplantatie, chemotherapie, bestralen, de hele shit. De tumor was weg, hij was er nog, maar niet zonder klachten, zowel fysiek als psychisch – hij had veel minder energie en was onzeker over de toekomst. Voor hem was onderzoek naar de kwaliteit van leven van groot belang. Mijn pleidooi daarvoor stuitte op verzet. ‘Dan gaat de kwaliteit van psychiatrisch onderzoek aan het Utrecht UMC naar de knoppen’, kreeg ik te horen. Uiteindelijk heeft de afdeling psychiatrie onder een nieuwe leiding toch de draai naar de patiënten gemaakt.’
U bent pleitbezorger van ‘open science’, wat verstaat u daaronder?
‘Dat draait om de vrije toegang tot data, dus wetenschappelijke resultaten vrij toegankelijk maken, zonder enige betaalmuur. Maar het gaat ook om het vergroten van de maatschappelijke relevantie van wetenschap door open te staan voor de inbreng van anderen. Een open samenleving is daarvoor een voorwaarde, in de Verenigde Staten zien we hoe die om zeep is te helpen. In Europa is er gelukkig steun voor het idee van open science – de EU omarmt het, in Nederland staan de universiteiten en de Koninklijke Akademie van Wetenschappen erachter.
‘Sinds we met Science in Transition in 2012 zijn begonnen, is er veel ten goede veranderd. De criteria voor wetenschappelijke excellentie zijn verruimd, waardoor de afhankelijkheid van publicaties in toptijdschriften is verminderd. Deels is die er nog wel, maar bij een sollicitatie of onderzoeksvoorstel is de norm nu dat een wetenschapper het maatschappelijk belang van zijn onderzoek moet kunnen uitleggen: voor wie doet hij het, met wie trekt hij op en hoe kunnen de resultaten worden toegepast? Je kunt die niet langer over de schutting gooien. Dat is een grote vooruitgang.’
Tegelijkertijd krijgen universiteiten met bezuinigingen te maken, waarbij wordt gesuggereerd dat ze elitair zijn en te ver van de maatschappij af zouden staan.
‘Dat is het beeld van universiteiten dat de PVV erop nahoudt. Dat komt neer op een totale miskenning van wat er in de afgelopen tien jaar allemaal is veranderd. Op allerlei vlakken hebben universiteiten juist de draai naar de maatschappij gemaakt en doen ze precies wat dit demissionaire kabinet wil. Gelukkig zie ik genoeg verzet tegen deze beeldvorming. Ik volg het allemaal nog op de voet, maar godzijdank is er een jongere generatie wetenschappers en bestuurders die de strijd voortzet.’
Boekentip Laboratory Life, Bruno Latour en Steve Woolgar
‘Wetenschappers worden in dit boek beschreven als leden van een onontdekte stam in het Amazonegebied – Latour en Woolgar waren twee jaar lang toeschouwers in een Amerikaans laboratorium en beschreven hoe er werd gecommuniceerd en hoe wetenschappelijke claims aan de man werden gebracht. Veel mythen over de wetenschap werden zo ‘onttoverd’.’
Klaar? Vergeet de doorleessuggesties niet
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant