Veel Amsterdammers weten nauwelijks waar hun eten vandaan komt. Lokale boeren proberen daarom met initiatieven zoals samen oogsten de kloof tussen stad en platteland te verkleinen. ‘Als ik ooit een tuin heb, kan ik het zelf gaan toepassen.’
‘Ken je een boer in de buurt?’ Een jonge vrouw schuift de koptelefoon van haar oren. Ze fronst: ‘Een boer? Hier uit de buurt?’ Halverwege het IJ, op het pontje tussen Noord en Amsterdam Centraal, staat een groepje uit de toon vallende figuren tussen de Vespa’s en elektrische bakfietsen.
Ze dragen tuinbroeken met moddervlekken, hebben modderige kaplaarzen aan en hun platte petjes lijken elk moment van hun hoofden te kunnen waaien. Nog opvallender is wat ze bij zich hebben: een grasmaaier en een grote kar vol met bosuien, andijvie en radijzen.
Toch kijkt vrijwel niemand op of om – vooral de overkant lonkt naar de stedelingen. Na twee uur op en rond de pont is de conclusie helder: niemand kent een boer uit de omgeving.
De boeren komen naar het stadscentrum om aandacht te vragen voor hun nieuwe samenwerkingsverband genaamd Boerindebuurt, een collectief van veertien kleinschalige boerderijen uit de regio Amsterdam. Het huidige voedselsysteem is volgens hen vastgeroest.
De productie zou rechtvaardiger en milieuvriendelijker moeten worden. Bij Boerindebuurt zijn zo’n 1.500 mensen aangesloten die deze gedachte ondersteunen. Ze ontvangen wekelijks verse groenten, direct van het land en zonder bestrijdingsmiddelen. De boerderijen zeggen dubbel zoveel monden te kunnen voeden.
De gemeente Amsterdam wil het ook lokaler; in 2030 moet ten minste 25 procent van het eten op de Amsterdamse voedselmarkt daarom uit de buurt komen en duurzaam worden geproduceerd. Het is een ambitieus plan. Voedsel legde in 2020 nog gemiddeld 30.000 kilometer af voordat het op het bord van de Nederlander terechtkwam.
25 kilometer verderop, in Beverwijk, zit De Groente Amsterdammer, een ‘communityfarm’. Er zijn tweehonderd families en een restaurant bij aangesloten. Tijdens het oogstseizoen van april tot november kan iedereen meedoen. Deelnemers krijgen dan wekelijks een krat met groenten. De kosten zijn 22 euro per week per persoon.
Best een flink bedrag, maar daar valt wat vanaf te snoepen, als je komt ‘mee-boeren’. Op een druilerige zaterdag reist daarom een groepje Amsterdammers af naar de polder. De regen heeft het kaf van het koren gescheiden; er hadden zich vijftien mensen aangemeld en daarvan zijn er zes komen opdagen. De modder zit hen tot aan de oren.
Vandaag moeten er zo’n vierduizend bieten- en paksoiplantjes de grond in bij boer Kasper Hoex (35), eigenaar van De Groente Amsterdammer, met de hand; best een klusje voor zeven man sterk. Hoex is zes jaar geleden begonnen op het landgoed van zo’n 40 hectare. Voor hij boer werd, had hij een campagnebureau.
‘Als je een vwo-diploma haalt, dan vergeet je opeens dat je ook gewoon iets met je handen kunt gaan doen.’ Hij krabt ondertussen met zijn modderige vingers aan zijn stoppelbaardje. ‘Voor je het weet, zit je dan binnen op kantoor. Ik realiseerde me dat ik dat niet wilde en toen ben ik de biologische landbouwopleiding gaan doen.’
Volgens hem is er totaal onbegrip tussen stad en platteland. ‘Ik zeg niet dat dit de oplossing is, op deze manier kunnen we niet de hele stad voeden, maar ik denk dat er wel meer bewustwording over de agrarische sector ontstaat.’
Hoex beseft dat deze bijna utopische manier van boeren moeilijk te rijmen valt met de harde realiteit van de meeste agrariërs. ‘Ze zijn afhankelijk van de supermarkten die pushen om meer voor minder te produceren. Ik zie stress en verdriet bij hen. Ik krijg veel meer voor de groente en daardoor kan ik ook veel meer zorgdragen voor de ecologie. De meeste boeren hebben die luxe niet. Ze zitten klem.’
Dertigers Rachèl Ozinga en Lara Molendijk zitten op hun knieën bietenplantjes in de grond te duwen. Ze hebben een prei gekregen om de juiste afstand tussen de plantjes te bepalen. Er moet ongeveer 20 centimeter tussen zitten, 1 prei dus. Terwijl ze in de aarde zitten te wroeten, kletsen ze over de wens om op yoga-retraite naar India te gaan.
Voor de 10 procent korting zitten ze vandaag niet in de plenzende regen. Ze staan achter het concept. Molendijk: ‘Ik zag nieuwsberichten over pesticiden en kon niet geloven dat ik nog steeds alles bij de Albert Heijn haalde.’ Ozinga: ‘Ik weet niks van landbouw, dus ik wil hierdoor meer leren. Als ik ooit een tuin heb, als ik buiten Amsterdam woon, kan ik het zelf gaan toepassen.’
Is deze constructie een hobby voor de rijken? Volgens Ozinga niet: ‘Ik hoop dat het voor iedereen is en niet alleen voor yuppen, maar misschien dat zij wel bewuster met voedsel omgaan.’ Zij vindt De Groente Amsterdammer best betaalbaar. ‘Dit betaal je ook bij de Ekoplaza.’
Het concept zou volgens boer Hoex veel groter kunnen worden. ‘Het is vrij efficiënt; wat je van het land haalt, gaat in de kratten en dat komt direct bij mensen terecht. Er is geen verlies omdat vraag en aanbod op elkaar zijn afgestemd.’ Maar de stad moet dan wel weten dat het platteland hen ook nodig heeft. ‘Je kan als stedeling niet alleen commentaar geven op de boeren en zelf geen verantwoordelijkheid nemen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant