Home

De bijnaam ‘pianoprofessor’ deed geen recht aan het betoverende spel van meesterpianist Alfred Brendel (1931-2025)

‘Pianoprofessor’ Alfred Brendel behoorde tot de grootste meesterpianisten sinds de introductie van de geluidsopname. Hij overleed dinsdag, op 94-jarige leeftijd.

Met de droge humor waarin hij graag uitblonk, voorspelde de meesterpianist Alfred Brendel ooit dat hij ‘waarschijnlijk’ zou sterven in de omgeving van het Amsterdamse Concertgebouw. Niet door een hartaanval, zoals het legendarische figuren als de violist David Oistrach en de dirigent Kirill Kondrasjin overkwam na optredens in de Grote Zaal. Het zou gebeuren, meende Brendel, ‘als ik door een fietser van het trottoir word gereden’.

Het liep anders. Alfred Brendel nam in 2008 ongedeerd afscheid van de internationale muziekarena’s, ook van het Concertgebouw waar hij bijna een halve eeuw kind aan huis was. Alleen in kleine kring liet hij zich nog zien, met lezingen en masterclasses. De grote Haydn-, Beethoven-, Schubert- en Lisztvertolker, fameus ook om zijn nevenactiviteiten als muziekvorser en puntdichter, is dinsdag in Londen overleden. Hij werd 94 jaar.

Operetteplaten voor de gasten

Volgens zijn paspoort was Brendel een Oostenrijker. Maar hij leefde over grenzen heen. Geboren in 1931 in het noorden van Tsjechië, verhuisde hij als kind naar het (voormalig) Joegoslavische eiland Krk, waar hij in het hotel van zijn vader operetteplaten draaide voor de gasten. Pianolessen kreeg hij in Zagreb, toen zijn vader daar een bioscoop runde.

Na te zijn verhuisd naar Graz in de Tweede Wereldoorlog, dacht Brendel aan een baan als muziekleraar. Hij deed er na de oorlog staatsexamen voor, maar nam ook compositieles, schilderde, en bekwaamde zich verder aan de piano door steeds opnieuw naar eigen bandopnamen te luisteren.

‘Moeizame arbeid’, zou hij later zeggen. Als uitvoerend kunstenaar viel hij pas op door Prokofjev- en Schönberg-opnamen die hij maakte voor het kleine Amerikaanse platenlabel Vox, dat in de jaren vijftig Wenen afstroopte op zoek naar talent in de marge – en een goudmijn vond. Opnamen van alle 32 pianosonates van Beethoven luidden Brendels internationale doorbraak in.

Verhuisd naar het kosmopolitische Londen – het geestelijk klimaat in Oostenrijk benauwde hem – kon Brendel er tenslotte een buitenhuis in Dorset bij betrekken, dankzij een miljoenenverkoop van plaatopnamen voor het grote label Philips, waarmee hij een tweede, nog diepgravender Beethovencyclus opnam.

Vingeroefeningen zonder eind (met pleisters om de vingers tegen nagelbreuk) bezorgden de stram ogende Brendel een superieure techniek. Hij vertikte het om het publiek ermee te overdonderen: bij Brendel geen epaterende versnellingen en extreme dynamische uitvergrotingen. Liever diende hij de muziek door afgewogen spel.

Het bezorgde hem een bijnaam (‘pianoprofessor’) die overeenstemde met zijn studieus-verstrooide uiterlijk, maar geen eer bewees aan de betoverende elasticiteit van Brendels tempi, de stuwing van zijn linkerhand en de speelsheid waarmee Brendel motieven en tegenmotieven kon profileren.

Brendel werd oud genoeg om mee te maken dat collega-pianisten van internationale faam hem rangschikten bij de tien grootsten in de geschiedenis sinds de komst van de geluidsopname. De uitverkiezing gebeurde via een enquête door het tijdschrift Limelight, zes jaar na zijn afscheid van het podium. Brendel was de enige nog levende legende op de door Sergej Rachmaninov (1873-1943) aangevoerde lijst.

Hitladders deden Brendels wenkbrauwen opklimmen tot hoog boven het brilmontuur. Hijzelf vereerde de bijna vergeten Eduard Steuermann en Edwin Fischer, groten bij wie hij ooit op masterclass mocht. Eminente complete-Beethovenvertolkers als Artur Schnabel en Wilhelm Kempff (onder hem prijkend op de lijst) sloeg hij huizenhoog aan. Een verschil was wel dat Brendel de Beethovensonates liefst drie keer integraal opnam.

De derde cyclus voltooide hij in de jaren negentig, waarbij intussen ook op de podia het volledige bergpanorama werd beklommen. In 1982-’83 trok Brendel een vol seizoen uit voor een Beethoven-wereldtournee langs elf zalen, waaronder het Concertgebouw, waarbij hij de 32 sonates uitserveerde in elf maal zeven concerten. Tien jaar later moest dit over, vond Brendel. Want: nieuwe ideeën.

Verknocht aan traditie

Brendel, verknocht aan wat hij ‘de midden-Europese traditie’ noemde, perkte zijn repertoire uiteindelijk in totdat alleen Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert nog leken te bestaan. Het leverde hem kritiek op die gegrond leek, maar onvoldoende recht deed aan Brendels uitzonderlijke betekenis als Schubertpionier in tijden dat diens formidabele sonates amper werden gespeeld (Rachmaninov wist niet van hun bestaan af).

Als ontdekker en herontdekker van Haydns muzikale humor, van de diepgang van Liszt, van het dolce van Beethovens innigste momenten en het brooddronken rondtollen van menig Beethoven-slotdeel, blijft Brendel niet alleen springlevend in zijn monumentale opnamenoeuvre, maar ook in lucide opstellenbundels als Musical Thoughts and Afterthoughts en Music Sounded Out.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next