Home

Het bewijs dat vroege selectie leidt tot meer ongelijkheid is echt overweldigend, weet de voorzitter van de Onderwijsraad

Als voorzitter van de Onderwijsraad pleit Louise Elffers onvermoeibaar voor meer kansengelijkheid in het onderwijs. De huidige vroege selectie zit daarbij in de weg, maar het ontbreekt aan ‘politieke moed’ om dit systeem te veranderen, constateert Elffers.

In de onderwijsloopbaan van Louise Elffers stonden ‘alle schuifjes de goede kant op’. Haar schooladvies in groep 8 was voor niemand een verrassing, beschreef ze in haar oratie toen ze in 2023 benoemd werd tot bijzonder hoogleraar kansengelijkheid in het onderwijs aan de Universiteit van Amsterdam. Ze ging naar het gymnasium, zoals iedereen in haar familie. Daarna ging ze studeren en promoveren aan de universiteit, net als haar beide ouders. En toen werd ze hoogleraar.

Was het haar eigen verdienste, de vrucht van talent en inzet? Relevanter dan de vraag of het terecht is dat ze de positie van hoogleraar had gekregen, zegt ze, is of anderen daar niet evengoed in een toga hadden kunnen, of moeten, staan.

Want niet iedereen heeft kans op deze onderwijsloopbaan. Waar je wieg staat en wie je ouders zijn, doet ertoe. En dat effect, zegt Elffers, wordt versterkt door de zeer vroege en rigide selectie in het Nederlandse onderwijssysteem.

Al op 11- of 12-jarige leeftijd worden kinderen in een hokje gestopt. Daardoor krijgt niet elk kind de benodigde tijd om zijn of haar talent tot wasdom te laten komen, met alle gevolgen van dien in latere levensfasen. Dat is volgens Elffers niet alleen onrechtvaardig, het is ook zonde. ‘Voor individuen, en voor de samenleving, ook in economische zin.’

Elffers is sinds september voorzitter van de Onderwijsraad, het hoogste adviesorgaan op onderwijsgebied. Vanuit haar werkkamer in het gebouw van het Nationaal Archief in Den Haag, op steenworp van de Tweede Kamer, blijft ze onvermoeibaar pleiten voor een onderwijsstelsel dat alle leerlingen gelijke kansen biedt om zich door middel van onderwijs te ontplooien.

Die oproepen stuiten keer op keer op politieke terughoudendheid. Adviezen verdwijnen in laden, onderzoeken worden terzijde geschoven en ingezette veranderingen weer teruggedraaid. Zo zette het gevallen kabinet een streep door de subsidieregeling voor brede brugklassen, juist bedoeld om ervaring op te doen met latere selectie.

Tot Elffers’ teleurstelling. ‘Er is altijd veel ambitie in verkiezingsprogramma’s en regeerakkoorden als het gaat om talentontwikkeling, kennis en innovatie. Maar zodra de begroting wordt opgesteld, wordt onderwijs enkel als een kostenpost behandeld, waarop steeds wordt bezuinigd.’

Ook een veelbesproken rapport van de Onderwijsraad uit 2021, waarin de instantie op verzoek van de minister voorstellen deed om later te selecteren, sloeg dood op het Binnenhof. Inmiddels demissionair staatssecretaris Mariëlle Paul (Funderend onderwijs) was vorige maand weer uitgesproken: op korte termijn komt er geen stelselwijziging. ‘Ik ben er niet van overtuigd dat latere selectie voor alle kinderen gaat brengen wat ze nodig hebben’, zei Paul.

Terwijl kansengelijkheid kortstondig hoog op de politieke agenda stond. De indringende documentaireserie Klassen liet zien hoe sterk thuissituaties de schoolprestaties beïnvloeden, een realiteit die de coronacrisis nog eens versterkte. ‘Even was kansengelijkheid een buzzword’, zegt Elffers. ‘Maar het werd ook voor van alles gebruikt. Blijkbaar zijn mensen dat na een poosje weer zat.’

Wat haar wel hoopvol stemt, is dat ook het onderwijsveld zich steeds steviger uitspreekt. Over de volle breedte pleiten belangenorganisaties voor latere selectie.

Intussen verschoof de aandacht naar de nieuwe doorstroomtoets in groep 8. Die moest, als opvolger van de eindtoets, bijdragen aan gelijke kansen door het toetsresultaat leidend te maken boven het leerkrachtadvies. De praktijk laat iets anders zien: de acht verschillende toetsen leveren uiteenlopende resultaten op, waardoor het lot van leerlingen mede wordt bepaald door de toetskeuze van de school.

Dat kan nooit de bedoeling zijn, zegt Elffers. De Onderwijsraad bepleitte al eerder dezelfde eindtoets voor alle leerlingen. Maar eigenlijk, vindt ze, leidt die discussie af van waar het werkelijk om draait. ‘Het is niet de toets die selecteert’, stelt ze. ‘Het is het systeem.’

In 2021 adviseerde de Onderwijsraad al om later te selecteren. Sindsdien is er nauwelijks iets veranderd. Hoe verklaart u de politieke halsstarrigheid?

‘Een van de redenen is de angst voor het alternatief. Het debat, ook in de Tweede Kamer, wordt zo zwart-wit gevoerd. Kritiek op het huidige systeem wordt vaak opgevat als een pleidooi voor het andere uiterste. Dan lijkt het alsof je pleit voor een eenheidsworst: iedereen tot aan zijn 15de in dezelfde klas, op hetzelfde niveau. Dat vindt niemand aantrekkelijk, dus wordt het afgeschoten.

‘Terwijl je ook vanuit het bestaande systeem kunt bouwen aan verandering en scholen de ruimte kunt geven om hieraan te werken. Alleen: dat vraagt visie en politieke moed. En het overstijgt de termijn van één kabinet. Een staatssecretaris wil misschien eerder dingen doen die binnen zijn of haar eigen termijn liggen.’

Kan het zijn dat de echo van de commissie-Dijsselbloem, die in 2008 scherpe kritiek uitte op onderwijsvernieuwingen, het politieke debat gijzelt?

Zeker. Het lijkt wel een taboe om het überhaupt over het onderwijsstelsel te hebben. Dat is wel wonderlijk, want de overheid ís stelselverantwoordelijk. Als er duidelijke signalen zijn dat er dingen knellen, dan zul je daar iets mee moeten doen.’

Wat houdt ‘later selecteren’ concreet in?

‘Dat leerlingen de tijd en ruimte krijgen om routes uit te proberen en eventueel te wisselen. Uiteindelijk selecteer je later, rond hun 15de, definitief. Voor sommige leerlingen zal dit hetzelfde niveau zijn als waarop ze zijn ingestroomd, anderen zullen zijn veranderd. Er zijn zoveel tussenvormen mogelijk. Dáár moeten we het over hebben.’

Welke tussenvormen ziet u?

‘De kern is een flexibeler inrichting van de onderbouw van het voortgezet onderwijs, waarin leerlingen makkelijker kunnen wisselen van route. Dat vraagt brede schoolgemeenschappen waarin alle stromingen worden aangeboden. Daarbinnen kunnen scholen werken met meer of minder heterogene groepen. Er zijn scholen die bijvoorbeeld wiskunde en Nederlands op verschillende niveaus aanbieden en andere vakken gemengd, andere werken met ‘dakplanklassen’: klassen met twee niveaus in één groep. Dat vraagt wel om een goed gesprek over de uitvoering. Hoe zorg je ervoor dat sterke leerlingen voldoende worden uitgedaagd? Wat vergt het van leraren, van schoolleiders, van het beleid?’

De praktijk beweegt de andere kant op: er zijn steeds meer categorale scholen, met aparte vmbo-afdelingen of zelfstandige gymnasia. Dat is een keuze van scholen, niet van de politiek.

‘Brede scholengemeenschappen hebben het lastig in de concurrentiestrijd, zeker in de grote steden. Ze hebben vaak moeite om vwo-leerlingen aan zich te binden, omdat die vrezen zich daar minder goed te kunnen ontwikkelen. We moeten dus gericht aandacht besteden aan die groep en ervoor zorgen dat zij voldoende aan hun trekken komen. Meer kansen voor de ene groep betekent niet dat de andere groep automatisch moet inleveren. En het gaat niet alleen maar om niveau, maar ook om het leren omgaan met andere mensen met andere vaardigheden en achtergronden. We zien duidelijke aanwijzingen dat het daarvoor voordelig is om leerlingen meer met elkaar in contact te brengen.’

En het schooladvies in groep 8?

‘Dat krijgt daarmee een andere functie, namelijk dat van een echt advies. Nu bepaalt het je toegang tot een bepaald type voortgezet onderwijs en daarmee het verdere verloop van je schoolloopbaan. In theorie kunnen vwo-leerlingen nog kiezen voor havo of vmbo, in de praktijk doen ze dat niet. Maar vmbo-geadviseerde leerlingen hebben niet de keuze om vakken op havo- of vwo-niveau te proberen.’

De staatssecretaris stelt dat er geen wetenschappelijke consensus is over het positieve effect van latere selectie, herkent u dat?

‘Nee. Het bewijs dat vroege selectie leidt tot meer ongelijkheid is echt overweldigend. Wel is de vraag welk alternatief het beste zou werken voor Nederland. Het is niet zonder meer mogelijk om modellen uit andere landen die later selecteren een-op-een toe te passen, want Nederland is geen Finland of Canada. Wat wij zeggen is: we wéten dat het huidige systeem leidt tot ongelijke kansen én we weten dat latere selectie in andere landen gunstig uitpakt voor kansengelijkheid – zonder negatieve consequenties voor het prestatieniveau van leerlingen. Als je een geheel nieuw stelsel zou mogen tekenen, zou niemand met dit stelsel komen.’

‘Kansrijk adviseren’ is nog zo’n begrip dat de afgelopen jaren een vlucht nam. Om onderadvisering van bepaalde groepen leerlingen (vooral kinderen met ouders die geen hbo- of universitair diploma hebben) tegen te gaan, moeten scholen hun middelbareschooladvies tegenwoordig naar boven bijstellen als het resultaat van de doorstroomtoets daar aanleiding toe geeft.

Elffers is voorstander, omdat onderzoek volgens haar laat zien dat het in veel gevallen goed uitpakt voor leerlingen. Maar, zegt ze: dan moet ook het voortgezet onderwijs daarop ingericht zijn. Anders ligt teleurstelling (zoals ‘afstroom’ naar een ander niveau) op de loer. ‘Dan kun je wachten op de conclusies die je nu soms hoort: zie je wel, ze kunnen het niet.’

Wat haar vooral zorgen baart, is hoe statisch er in het debat gesproken wordt over de talenten van leerlingen: ‘Dit is wat we aanbieden en als de leerling het niet redt, dan hoort-ie hier dus niet.’ Terwijl onderwijs er juist is om de leerling te helpen zich te ontwikkelen. ‘Onderwijs bepaalt niet alleen wat iemand kan, het draagt vooral ook bij aan wat iemand kan worden.’

Precies daarom is een fundamentele stelselwijziging nodig, met brede schoolgemeenschappen die alle routes aanbieden. Leerlingen krijgen in de verschillende routes van het voortgezet onderwijs niet alleen verschillende vakken en onderwijstijd, ze krijgen ook heel andere perspectieven mee. Elffers: ‘Dat er een enorme overlap is in prestatieniveaus tussen leerlingen op vmbo, havo en vwo, terwijl je weet dat hun leer- en ontwikkelkansen zó ongelijk zijn, dan is dat niet te verantwoorden.’

Vindt u dat categorale gymnasia moeten verdwijnen?

‘Gymnasia vielen vroeger onder de wet hoger onderwijs en werden gezien als directe voorbereiding op de universiteit, die toen nog in het Latijn functioneerde. Daarom werden ze apart gehouden. Tegenwoordig kan gymnasiaal onderwijs net zo goed vorm krijgen binnen een brede scholengemeenschap. Categorale scholen hebben bovendien het nadeel dat hun leerlingen niet in contact komen met leerlingen met andere niveaus en talenten.’

Wat denkt u dat ouders ervan vinden als hun vwo-kinderen straks in de klas zitten met vmbo-leerlingen?

‘De vraag alleen al laat zien hoe bepalend opleidingsniveau is geworden voor hoe we naar mensen met andere niveaus kijken. En hoeveel druk erop staat om op tijd in de gewenste route terecht te komen. Wij zeggen: die druk is juist onnodig hoog. Als je leerlingen meer tijd en ruimte biedt om hun talenten te ontdekken en ontwikkelen en tegelijkertijd laat zien dat leerlingen nog steeds alle mogelijkheden houden, dat ze nog steeds naar de universiteit kunnen als ze dat kunnen en willen, dan denk ik dat het ook voor deze ouders aantrekkelijker wordt.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next