Loes Bouman-Hoyinck van Papendrecht is 100 jaar. Hoe kijkt deze Brabantse terug op de eeuw die achter haar ligt?
Loes Bouman is graag op zichzelf, zoals ze van jongs af aan gewend is. Als kind mocht de zachtmoedige 100-jarige nooit vrienden mee naar huis nemen – bezoek kwam sowieso nooit over de vloer. Ze ziet daar op haar oude dag vooral de voordelen van: ‘Ik kan goed alleen zijn.’
U aarzelde over een interview omdat u zichzelf ‘te gewoon’ vindt.
‘Ik heb niks bijzonders te vertellen.’
Dit hoor ik vaker van vrouwen van 100 jaar, nooit van mannen.
‘Dat komt door het onderdanige van vrouwen van mijn generatie. Je trad niet op de voorgrond.’
Kreeg u dat onderdanige mee in uw opvoeding?
‘Bij ons thuis waren de rollen omgedraaid. Mijn moeder was de baas, mijn vader meegaand en onderdanig. Mijn moeder nam alle beslissingen. Zo wilde ze geen bezoek aan huis en dat kwam er ook niet, ook geen familie. Zonder overleg kocht ze een auto, omdat ze er weleens op uit wilde, naar kennissen in Den Bosch of familie in Overijssel. Mijn vader was kwaad dat er ineens een auto voor de deur stond, maar voor de harmonie in huis ging hij nooit het conflict aan.
‘In die tijd kon je zelf het nummerbord voor je auto bepalen, mijn moeder koos voor 36-35-6: de leeftijd van mijn vader, van haar en van mij. Mijn moeder reed, mijn vader zat naast haar. De wegen waren hobbelig door de ondergrond van stenen, asfalt was nog maar net in opkomst. Er waren nog geen bruggen over de Maas en de IJssel, dus moesten we met de auto op een pont de rivieren oversteken.
‘Voor het werk van mijn vader, die gemeentesecretaris van Ammerzoden was, verhuisden we van Den Bosch naar dit dorp. De meeste inwoners waren mandenvlechters die in keuterhuisjes woonden, wij hadden een redelijk groot huis. Ik denk dat mijn moeder zich verveelde. Getrouwde vrouwen mochten niet werken en ze hield niet van breien, haken en het huishouden, alhoewel ze het huis heel schoon en netjes hield – er mocht geen stofje te zien zijn. Elke dag ging ze met de stofzuiger door het huis, een groot ding dat enorm veel lawaai maakte. We waren een van de weinigen met zo’n apparaat.
‘Een vriendinnetje meenemen van school was niet toegestaan. ‘Daar krijg je maar rommel van’, zei ze. Het enige wat ik mocht, was stilzitten en lezen. Dus zat ik vaak aan tafel te lezen, boeken als Robinson Crusoë en Alleen op de Wereld, en liefdesboekjes toen ik ouder werd.
‘De sfeer thuis was somber en gespannen, iedereen was op zijn hoede. Het huwelijk van mijn ouders was niet ideaal. Er was afstand tussen hen, geen affectie. Mijn moeder zei niet veel. Mijn vader kropte alles op. Als ze een conflict hadden, spraken ze er niet over, maar liep mijn vader weg. Dat vond ik heel akelig. Hij kwam wel altijd dezelfde dag terug. Mijn moeder was alleen blij als ze vertelde over haar baan voor haar huwelijk, bij de post, toen ze op kamers woonde in Den Bosch. Misschien was ze gefrustreerd over haar leven. Ze leek een vrouw die geen man nodig had.’
Wie is voor u een positief voorbeeld geweest?
‘De vroedvrouw van Ammerzoden, Doetje Bij de Leij. Ze was ongetrouwd, droeg een schort en kwam uit Friesland. Ze kwam bij ons in huis toen ik 12 of 13 was en mijn zusje Willy werd geboren. Ze kwam net op tijd in mijn leven, anders was het misschien niet goed met mij afgelopen door de beklemmende sfeer waarin ik opgroeide. Doetje opende mijn wereld, gaf mij aandacht en nam mij overal mee naartoe op de fiets. Ze was een openbaring voor mij: een vrouw met een andere levenswijze, die van aanpakken wist, opgewekt was, zich uitsprak, iemand van ‘geen flauwekul’. Doetje bleef spontaan langskomen voor een kopje koffie, omdat er verder geen intellect was in het dorp, niemand om een goed gesprek mee te voeren. Ze was de enige die bij ons op bezoek kwam. Eigenlijk deed ze niets bijzonders, het bijzondere lag bij ons thuis.
‘Ook kwam ik graag bij mijn grootmoeder. Daar was ik als ik ziek was – ik weet eigenlijk niet waarom ik dan niet thuis kon blijven. Grootmoeder legde mij op de divan bij de kachel in de huiskamer en waste mij met een witte handdoek. Ze was gezellig, had een hond en kippen en maakte uitstapjes met mij. We liepen naar Den Bosch om boodschappen te doen en een ijsje voor mij te kopen. Daarna gingen we terug met de paardentram – een wagon die werd voortgetrokken door twee paarden.’
Was u blij met een zusje?
‘Ik heb nooit een zussengevoel gehad. Het leeftijdsverschil was te groot, we ontwikkelden geen band. We waren heel andere types. Ik zat rustig in een hoekje een boek te lezen, zij zette de boel op stelten. Alle aandacht van mijn moeder ging naar het kind. Op mijn 18de ging ik bij kennissen van mijn moeder wonen in Den Bosch, waar ik een baan kreeg bij de PTT’ (voorloper PostNL, red.) ‘en verkering kreeg met hun zoon Piet. We trouwden in 1945 en gingen in Scheveningen wonen. Het is nooit iets geworden tussen mijn zus en mij, ook later hadden we weinig contact. Ik ben mij altijd enig kind blijven voelen.’
Hoe heeft uw jeugd u gevormd?
‘Ik heb nooit het gevoel gehad een slechte jeugd te hebben gehad, maar de sfeer thuis moet invloed gehad hebben, dat kan niet anders. Ik nam mij voor het zelf anders te doen als ik een gezin zou krijgen. Ik wilde meer gelijkwaardigheid in de relatie en rumoer in huis; mijn kinderen zouden altijd vriendjes mee naar huis mogen nemen. Kom maar op met die rommel! Dat is me aardig gelukt. Ons huis was altijd vol, buurtkinderen wilden graag komen spelen omdat bij ons alles mocht.
‘Het is jammer dat mijn man zo jong is gestorven, hij was 36, ik 28. Na de watersnoodramp in Zeeland in 1953, waar hij voor zijn werk als ambtenaar bij het ministerie van Binnenlandse Zaken van alles moest regelen, kwam hij ziek terug. Geen arts wist wat hem mankeerde, vier weken later overleed hij. Het is nooit duidelijk geworden waaraan hij stierf, zeer onbevredigend. Toen de kinderen groot waren ben ik nog eens teruggegaan naar het ziekenhuis. Ze konden er nog steeds niets over zeggen. Achteraf bezien had ik moeten doorzetten. Het raadsel van Piets dood heeft mij nooit losgelaten.’
Hoe redde u zich als jonge weduwe met drie kleine kinderen?
‘De jongste was 9 maanden, de oudste twee 4 en 5 jaar. We leefden niet in weelde, maar hadden ook geen lege portemonnee, dankzij het pensioen van mijn man. Mijn vader hielp als er bijvoorbeeld nieuwe banden op een fiets nodig waren. Op de kleuterschool waren de nonnen niet aardig tegen de twee oudsten, ze deden afstandelijk en streng, wisten niet hoe ze met het verdriet van de kinderen moesten omgaan. De eerste week na Piets overlijden hield ik ze thuis, dat vonden de nonnen niet goed en kwamen aan de deur: ‘Waar zijn ze?’ Ik heb niet naar ze geluisterd. Nu ik er zo over vertel, is het alsof het gisteren is gebeurd.
‘Zomers ging ik zes weken met de kinderen op fietsvakantie in Nederland, ik deed aan huizenruil. Ik vond het wel lastig dat ik alles alleen moest beslissen, vooral toen de kinderen groter werden. Als ze mij om toestemming voor iets vroegen, vond ik het al gauw goed, ik gaf ze veel vrijheid, zoals op vakantie gaan met vrienden. Vaak dacht ik: wat zou Piet gevonden hebben? Had ik meer grenzen moeten stellen? Nou ja, ze zijn allemaal goed terechtgekomen.’
Heeft u ooit nog een nieuwe liefde ontmoet?
‘Nee, ik had drie jonge kinderen en wilde geen vreemde in ons gezin halen. Zodra ze het huis uit waren, is er niemand op mijn weg gekomen en ik heb er ook niet mijn best voor gedaan. Ik was het denk ik gewend om alleen te zijn – als kind al, en wist mij altijd goed te redden. Ik ging weer bij de PTT werken en kocht een caravan waarmee ik in de zomer in Drenthe ging kamperen. Dat was de gelukkigste tijd van mijn leven: in vrijheid en zonder zorgen.’
Heeft u de digitalisering kunnen bijbenen?
‘Ik heb nooit een computer gehad, ik had er geen behoefte aan. Een televisie heb ik ook nooit in huis gehaald, mijn kinderen hebben er nooit om gevraagd. Als er iets belangrijks was, zoals de intocht van Sinterklaas, Koningsdag of pas de paus die was overleden, dan kun je altijd bij de buren kijken.’
Wat is voor u een belangrijke levensles?
‘Dat je akelige dingen achter je moet laten. Als je iets hebt geprobeerd, maar het lukt niet, dan moet je het laten gaan, want anders ben je een ellendeling voor jezelf. Piekeren lost niks op. Tegen iemand die piekert, zeg ik: ‘Och lieverd, dat helpt toch niet! En het is ook niet leuk voor de mensen in je nabijheid’.’
Vindt u nog steeds dat u niets bijzonders te vertellen heeft?
‘Voor mij is alles wat ik vertel heel gewoon, want ik heb het meegemaakt. Maar een tram die werd voortgetrokken door twee paarden, dat is voor jonge mensen natuurlijk bijzonder.’
geboren: 15 februari 1925 in Den Bosch
woont: zelfstandig, in Heeswijk-Dinther
beroep: kantoormedewerker
familie: drie kinderen, zes kleinkinderen en vier achterkleinkinderen
weduwe sinds 1953
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant