Home

Je kunt je eindeloos laten meeslepen door het ravissante ‘Een nieuw geluid’, over de moderne poëzie

Tussen 1900 en 1940 veranderde het culturele landschap van Nederland volledig, en al helemaal in de poëzie. In het kolossale Een nieuw geluid ziet dichter Sasja Janssen hoe de moderne poëzie geboren wordt.

Wat moet de poëzie doen in zulk een tijd? Herman Gorter (1864-1927), inmiddels tot het socialisme bekeerd, vraagt zich dat af in zijn essay ‘Kritiek op de literaire beweging van 1880 in Holland’, gepubliceerd in 1897 in tijdschrift De Nieuwe Tijd.

Tja, wat moet de poëzie? Veel! Ook in mijn tijd. Vernieuwend zijn, persoonlijk, universeel, algemeen, gedetailleerd, geëngageerd en autonoom, toegankelijk en raadselachtig. En ze moet reageren op de wereld en tegelijkertijd een nieuwe wereld openen. Ga daar maar eens aan staan. ‘I too dislike it’, dicht Marianne Moore in haar Poetry in 1919.

‘Hoor je ’m komen tederstil licht?’

Ja, lente, en dan denk ik altijd wel even aan Gorters zingende, zinnelijke epos Mei uit 1889. En helemaal nu zojuist het 1.262 pagina’s dikke boek Een nieuw geluid – De geboorte van de moderne poëzie in Nederland 1900-1940 is verschenen, waarin die maand een belangrijke rol speelt. Mei als metafoor voor ‘vernieuwing, herleving, bloei, vreugde’.

Een imponerende gebeurtenis, dit lijvige boek, geschreven door oud-hoogleraren Gillis Dorleijn en Wiljan van den Akker, zo stralend hier op mijn eettafel.

Een ander verhaal

‘Het kind en ik’ van Martinus Nijhoff komt meteen in me op, een gedicht dat voor mij precies weergeeft hoe dat gaat, dichten. De namen Verwey, Perk, Swarth, Boutens, Leopold, Henriette en Adriaan Roland Holst, Bloem, Vestdijk borrelen op – weinig vrouwen, besef ik, maar in de inhoudsopgave zie ik dat er uitgebreid wordt stilgestaan bij het vrouwelijk dichterschap.

Ik denk aan I.K. Bonset (‘Ik ben zot!’), van wie pas na zijn dood bekend werd dat het om een pseudoniem ging van Theo van Doesburg. Lodewijk van Deyssel met zijn synesthesie. Kloos een god in ’t diepst van zijn gedachten. De Tachtigers, Berlage, De Stijl, modernisme, Forum, nieuwe zakelijkheid.

En ik denk aan mijn sombere, chocoladebruine katje Dada.

De titel Een nieuw geluid is veel meer dan een verwijzing naar Mei. Het boek zelf laat een nieuw geluid horen, geboren uit de klacht dat ‘alle literatuurgeschiedenissen steeds maar weer hetzelfde verhaal vertellen en zich te zeer op sleeptouw nemen door de beeldvorming van de spelers zelf’.

Vernieuwend is hier het object van onderzoek. Behalve de beeldvorming wordt nu juist de orde, de canon, de traditionele indeling van opvolgende generaties of bewegingen, door de spelers zelf bedacht, onder de loep genomen.

Het boek is, lees ik, vanwege de beperking tot de poëzie (tot de Tweede Wereldoorlog het belangrijkste literaire genre) maar ten dele een literatuurgeschiedenis. Daarbij beoogt het geenszins een uitputtend literair en historisch overzicht te geven.

Ook ik maak mezelf als dichter schuldig aan karakterisering. Veel van mijn poëticale opvattingen zijn terug te voeren op het modernisme, met name het symbolisme, surrealisme en de nihilistische mentaliteit van het dadaïsme. Het gedicht verwijst alleen naar zichzelf, de werkelijkheid is niet kenbaar, het ritme is de essentie, het gebruik van vervreemding en dromen – noties die me op het lijf staan geschreven.

Maar is dat wel zo? Waarom creëer ik dat beeld? Zie je dat terug in mijn werk? Wat gebeurt er onder mijn handen waar ik me niet bewust van ben?

Raadselachtig

Gelukkig kun je als dichter niet uit jezelf treden, er precies de vinger op leggen wat je poëzie doet of moet, anders zou er weinig avontuur meer aan het maken te beleven zijn. Net als een goed gedicht iets raadselachtigs heeft, als een glanzende kiemcel (Vestdijk), is het dichterschap dat voor mij evenzeer.

Op DBNL (de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren) ontdek ik dat dit boek al gepland stond voor 2006, maar de opdracht die de onderzoekers zichzelf hebben opgelegd, is kolossaal. Zo bedraagt hun tijdschriftenbestand alleen al bijna twee miljoen woorden. Met name tijdschriften (zie het opgenomen kerncorpus met 37 tijdschriften) zijn zeer geschikt om de ontwikkelingen van de moderne poëzie in de veranderende literaire ruimte te volgen.

Verder alle dichtbundels uit die periode, de poëticale opvattingen van de dichters, hun zelfprofileringen en die door anderen. En bloemlezingen (bijvoorbeeld Dichters van dezen tijd, verschenen van 1894 tot ver na de Tweede Wereldoorlog), recensies, aankondigingen, brieven (‘het sociale medium bij uitstek in die tijd’), debatten, de rol van uitgevers, literaire evenementen, interviews (zie de klassiek geworden interviews van E. d’Oliveira) en zelfs roddels.

Woorden noteren

Ondertussen verblijf ik met plezier in het boek. Dichters komen tot leven, en het culturele en sociale leven van die periode speelt zich als een film af in mijn hoofd.

Om grip te krijgen noteer ik woorden die vaak terugkomen, een methode die ik toepas als ik een dichtbundel lees, om de semantische wereld die wordt opgeroepen in kaart te brengen. ‘Engagement’, ‘verlangen’, ‘beeldvorming’, ‘paradox’, ‘schoonheid’, ‘verzuiling’ en ‘ontzuiling’, ‘socialisme’, ‘gender’, maar vooral het woord ‘autonomie’ gonst op de pagina’s.

Net als veel maatschappelijke sectoren wordt ‘de wereld van de literatuur rond 1900 gekenmerkt door een toenemende mate van autonomie; er ontstond een (relatief) zelfstandig literair domein’. De publicatie van dichtbundels en tijdschriften neemt enorm toe. Er komen literaire prijzen, de kritiek wordt geprofessionaliseerd, de wetenschap gaat zich vaker met recente literatuur bezighouden, subsidies voor auteurs worden onderwerp van discussie. Er wordt meer en meer gelezen: het boek en het tijdschrift bedienen nu eveneens de onderkant van de markt.

In het debat over ‘het moderne’ wordt vaak de beweging van Tachtig meegenomen. In hun verweer tegen de 19de-eeuwse retorici zoals Bilderdijk, Ten Cate, Beets en Tollens stelden de Tachtigers dat poëzie geen algemeen geldende opvattingen moest vertolken, maar de gevoelens van de dichter moest weergeven. Kunst was immers passie.

Permanente vernieuwing

In plaats van een traditie waaruit de kunstenaar putte, kwam de logica van de permanente vernieuwing op. Dát is autonomie. De kunstenaar is ‘niet onderhevig aan regels opgelegd door overheden, politieke ideologie, religie en moraal en niet gevoelig voor de prikkels van economische beloning of publieksbewondering’.

Willem Kloos (1859-1938) predikt het autonome van de kunstenaar in zijn beroemd geworden uitspraak dat poëzie ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ is. Zo kun je Mei lezen als een zelfportret, gecomponeerd door het poëtische alter ego van de dichter. Gorter, die in de 4.381 versregels van zijn fabelachtige Mei de moderne poëzie het levenslicht laat zien, met zijn ‘uitbundige natuurevocaties, de zintuiglijkheid en erotiek, fascinerende beelden’.

Maar dat nieuwe komt uiteraard niet uit de lucht vallen: ‘If I have seen further it is by standing on ye shoulders of Giants.’ Gorter staat op die van Willem Kloos, de grote leermeester in die jaren, ‘zonder wiens werk en beschouwingen hij nooit zo’n grote vernieuwer had kunnen zijn’.

‘Ik wou het heelemaal zeggen –/ Maar ik kan het toch niet zeggen’, stamelt Gorter in zijn Verzen (1890), een bundel die schokt door zijn losse vorm en experimentele taalgebruik. Het probleem dat hij aansnijdt, is dat van ‘de paradoxale staat van de poëzie. Moderne poëzie is een poëzie van het tekort, van spraak die brak. (...) De echte poëzie verzinnebeeldt het meest essentiële en ingrijpende streven van de mens, maar zij kan haar doel nooit bereiken.’

Dit brengt me bij de Amerikaanse dichter Ben Lerner (1979) en zijn essay The Hatred of Poetry, die de dichter vanwege dat gebrek een tragische figuur noemt, en zijn gedicht een mislukking. Schopenhauer zegt het al veel eerder: ‘De mens wordt getekend door een ‘altijd hernieuwd begeren’ (...) dat wreed begeren, hatend wat is, willend wat wordt, hoort bij alle scheppingsdrang.’

Al kunnen we nooit in poëzie uitdrukken wat we willen, we blijven het falen opzoeken. Dan troost ik me met T.S. Eliots woorden: ‘Genuine poetry can communicate before it is understood.’

Paradoxaal is de logica van de permanente vernieuwing: ‘Hoe kon iets verouderen dat zelf het grondprincipe van vernieuwing in zich droeg?’ En daar is ‘het autonomie-plus-principe’, dat zich keert tegen Tachtig, maar wel de grondwaarden van die beweging blijft omarmen. ‘Kunst was niet zomaar etherisch gemijmer uit een ivoren toren, maar iets wat geestelijk en maatschappelijk van onschatbaar belang was.’

Maatschappelijke verandering

Gorter was kritisch over de beweging en zijn eigen ‘verkeerde’ gedichten uit zijn Tachtigertijd. ‘De neutrale wereld, de rooms-katholieken, de orthodox-protestanten, maar ook de socialisten worden een politieke en maatschappelijke factor van betekenis. Voor veel socialisten was kunst een krachtige locomotief die de trein naar maatschappelijke veranderingen voortrok.’

Gorter en Henriette Roland Holst ondernamen, schrijven Dorleijn en Van den Akker, een queeste naar hoe kunst en meer speciaal poëzie in het socialistische streven kon worden geïntegreerd. Een lastige taak, zo bleek. De bourgeoisie kon het niet meer, zij was ‘te afgeleefd’, het proletariaat ‘kan het nog niet’, er was immers nog geen maatschappelijke gelijkheid. En: ‘hoe zou ‘een mijnwerker na zijn daagsche arbeid in zijn zwarte hut’ nog gedichten schrijven?’

In zijn epische, heroïsche gedicht Pan, dat op 1 mei 1912 verschijnt, wil Gorter zijn politieke ideaal laten samensmelten met de poëzie. Hij zag het als een Mei 2.0. Zoals ‘hij in Mei poëzie vond in de natuur, zo komt in Pan de natuur zelf tot bewustzijn en inspireert zij de mens tot revolutie’.

Het perspectief van de lezer wordt belangrijk. De bundel heeft een pedagogische insteek, in de hoop dat de lezer iets van de gedichten zal opsteken.

In zijn tweede Pan (1916) bejubelt Gorter de nieuwe ‘socialistische esthetica’ van Henriette Roland Holst. ‘Het ging voortaan om ‘klare eenvoud, heldere lijnen en strakke contouren die tot het essentieel en algemene leiden’. Hij is met Pan volgens Roland Holst toegetreden tot ‘de rij van groten als Dante, Milton en Shelley die ‘de Hoogere Vrijheid’ bezongen. (...) Daarom zijn alle groote wereld-gedichten altijd religieus of filosofisch, én politiek, maatschappelijk, moreel.’

Ja, ga daar maar eens aan staan. Toch blijft de schoonheid in Pan de hoogste waarde. ‘O liefste poëzie, o poëzie/ Alles zijt gij, alles is uw maat’.

Een beweging naar binnen

Gorters gedichten blijven betoveren. Daarbij lijkt de ontwikkeling die de dichter doormaakt voor een deel symbool te staan voor wat het boek van Dorleijn en Van den Akker toont. Een beweging naar binnen, naar het sensitieve innerlijk (heel modern), en vanuit het allerindividueelste de beweging naar buiten, naar de werkelijkheid en maatschappij.

Mooi detail is dat Dorleijn en Van den Akker op Goede Vrijdag hun dankwoord hebben geschreven. Een knipoog naar de lente, het seizoen waarin dit boek wel moest verschijnen. Een knipoog naar het dode zusje April van hoofdpersonage Mei uit Gorters epos. En een verwijzing naar Willem Kloos (in mei geboren trouwens, om precies te zijn op 6 mei, net als ik) ‘bij wie het woord ‘Passie’ tweeledig was. Het is de meest intensieve manier van liefhebben en het is de meest intensieve manier van lijden.’

Een nieuw geluid is uiteraard veel meer dan Tachtig of Gorter. Ik heb heel veel moois laten liggen. Je kunt je eindeloos laten meeslepen door dit ravissante boek, dat de lezer filmisch laat zien hoe de moderne poëzie vanaf de eeuwwisseling gestalte krijgt: ‘Dat wat zoo groot de ruimte heeft ingenomen,/ ligt op zich zelf en heeft zijn eigen droomen.’

Gillis Dorleijn en Wiljan van den Akker: Een nieuw geluid – De geboorte van de moderne poëzie in Nederland 1900-1940. Prometheus; 1.262 pagina’s; € 55.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next