Home

Een beetje lezen, een beetje neuken: het dagboek van Jan Wolkers is gezellig geil en extreem eenzijdig

Jan Wolkers’ dagboek van 1968 leest als een viering van het banale en een pleidooi voor een oerachtige staat van zijn. De vraag die blijft knagen: was het voor de vrouwen net zo leuk?

Wat is-ie toch goed in leven, die Jan Wolkers.

Kijk maar naar dit dagboekfragment van de schrijver en kunstenaar, genoteerd op 2 juni 1968: ‘Tussen het hoge riet trekt Karina me af met m’n reet omhoog. Ze steekt een koekoeksbloem in mijn aars. We eten thuis. Daarna naar Italiaanse western in Royal. Dead ridder a horse. Aardig, paf, paf, bang.’

Het was een Eerste Pinksterdag, die tweede juni, Jan en zijn vriendin Karina gingen samen naar Nieuwkoop in de Citroën DS Pallas die hij begin dat jaar had gekocht. Ritjes maken, dat deed hij veel. In een stuk moerasland zien ze wouwaapjes, nesten van zwarte sterns, sloten met krabbenscheer.

Het bestaan lijkt makkelijk in het door De Bezige Bij uitgegeven dagboek van Jan Wolkers, dit negende deel beslaat heel 1968 (eerder verschenen, niet chronologisch, de dagboeken van 1967, 1969, 1970, 1971, 1972, 1974, 1975 en 1976).

Aandacht voor het kleine

Wolkers schrijft vanuit een kanteljaar, met de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy, de Vietnamoorlog, de Praagse Lente en de studentenopstanden in Frankrijk. Hij toont zich betrokken, zet bij wijze van antioorlogsprotest een houten pop van zichzelf neer voor de ruit van de Elsevier-redactie, tijdens een mars draagt hij een vlag van de Vietcong. Maar de aandacht voor het kleine, het vredige, die overheerst, in de vorm van dat ene rietgors-eitje bijvoorbeeld, dat Wolkers vanuit Nieuwkoop meeneemt naar Amsterdam voor zijn zoon Jeroen.

In het universum-Wolkers is ’68 het jaar waarin Turks fruit vorm begint te krijgen en de hitsigheid uit die succesroman weerklinkt in het dagboek (of andersom, kan ook). Die koekoeksbloem in de aars bijvoorbeeld, zagen we die niet terug als klaproos in de bips van Olga Stabulas, rennend door het atelier in de Amsterdamse Zomerdijkstraat?

Ritjes maken, Wolkers deed het veel, wie dit dagboek uitwringt blijft met handen vol zaad achter. Vlak voor Jan Wolkers in 2007 stierf, zei hij tegen Karina dat hij hoopte dat ze niet teleurgesteld in hem zou zijn als ze na zijn overlijden zijn dagboeken zou bekijken. Begrijpelijk. Wolkers is nogal een geilneef, met twee trio’s (beide samen met Karina, de een met een man, de ander met een vrouw) in ’68 als apotheose: ‘Zie Josina’s tong steeds in Karina’s mond verdwijnen. Armen om Karina’s lichaam. Steunen en stamelen. Komen met zijn drieën tegelijk klaar.’

Zo zo!

Ook een testament

Wolkers hield deze dagboeken bij om zelfinzicht te verkrijgen, schreef zijn biograaf Onno Blom in 2019 in de Volkskrant, niet zozeer om een lezer te behagen – zie de telegramachtige, staccato stijl, het dagboek leest meer als een logboek. Op woensdag 13 november noteert hij: ‘Tandarts halftien. Vier uur Willem. Ajax. Florrie jarig.’ En de dag daarop: ‘Claus opent ptt-gebouw. Groningen.’

En dat terwijl het niet onlogisch was dat buitenstaanders zich uiteindelijk voor zijn egodocumenten zouden interesseren, want Wolkers was bij schrijven al gelauwerd. Filosoof Patricia de Martelaere stelt in het essay Het dagboek en de dood (1993) dat het schrijven van een dagboek altijd een postuum karakter heeft, want: ‘Een dagboek is altijd ook een beetje een testament, de stem van een levende die iets wil zeggen voor als hij dood zal zijn, de stem van een dode die in zijn spreken overleeft.’

Wat moeten wij lezers, nu we beschikken over weer zo’n erfdeel, met dit dagboek? Als neerlandicus ben ik opgeleid om alles wat ook maar een beetje raakt aan de ‘Grote Vier’ enorm charmant te vinden – en dat is meteen zowel de aantrekkingskracht als de valkuil van Wolkers’ dagboek. Smullen, de details over het literaire leven in Amsterdam: met criticus Aad Nuis praat Wolkers over de ‘leugenachtigheid van Hermans’. Naar aanleiding van diens negatieve recensie van Horrible Tango belt Wolkers met Kees Fens, die hem vervolgens ‘op bijna alle punten gelijk geeft’.

Ook noemenswaardig: op 2 januari haalt Wolkers geld op bij zijn uitgever Meulenhoff – wel 25 duizend gulden!

Fascinerend ongedwongen, dat zijn deze aantekeningen. In Wolkers huist geen haast. Deze man excelleert in ‘gewoon zijn’ – een beetje masturberen, ochtendgymnastieken, documentaires kijken. Het is verfrissend, ik zou haast zeggen dat dit dagboek leest als een soort zelfhulpboek voor de mens anno nu, een viering van het banale en een pleidooi voor een meer oerachtige, bronstige staat van zijn. ‘Neuken in atelier. Lees in de Max Havelaar’, ach ja, waarom ook niet eigenlijk.

Ten koste van zijn vrouw

Maar, om in de woorden en gedachtegang van De Martelaere te blijven, de Wolkers van toen schreef in feite voor een zelf van 57 jaar later, voor een Karina van 57 jaar later. Uit de opmerking op zijn sterfbed blijkt dat hij wist dat de Wolkers uit ’68 zou verjaren, en dat klopt, want in wat ik eerder als charmant aanhaalde zie ik, met de bril van nu op, toch ook een man die zich al die gezellige geiligheid kon permitteren, vooral ten koste van zijn latere vrouw. Ter ondersteuning een fragment dat dateert van 6 april: ‘Neuk met Karina. Kan door pillen niet klaarkomen. Ze trekt me af maar doet het erg beroerd. Ik ga haar ineens verrot slaan. De trap naar de slaapkamer af en de trap af. Het bed klapt door en voor straf krijg ik de rand op mijn poot.’

Het bijhouden van een dagboek impliceert eerlijkheid, want: het is, vooral wanneer geschreven zonder een specifieke lezer voor ogen, de individueelste literaire vorm. Wolkers’ verslag van 1968 doet je juist naar meerstemmigheid verlangen – hoe heeft Karina dit alles beleefd? En, de hamvraag: kwamen ze écht met z’n drieën tegelijk klaar?

Jan Wolkers: Dagboek 1968. De Bezige Bij; 128 pagina’s; € 22,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next