schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis.
‘Ik had weer ruzie in de eetzaal’, roept mevrouw Lanting (86) vanaf de wc.
‘O ja?’, vraag ik. Terwijl zij in de badkamer bezig is, trek ik de gordijnen dicht, haal de sprei van het bed, vouw hem op en knip het bedlampje aan.
‘Wacht even’, zegt ze. Ik hoor de wc doorspoelen, de kraan lopen, even later komt ze de badkamer uit. Met haar rollator schuifelt ze naar het bed en gaat op de rand zitten.
‘Ik zit naast Wil, die heeft het voortdurend over waar de anderen vroeger hebben gewoond. In die en die straat, in dat en dat huis, tegenover die en die winkel. Waarom moet ik weten waar die mensen hebben gewoond? Ik ben niet voornemens daar op bezoek te gaan. Bovendien wonen ze daar niet meer. Ze wonen nu hier.’
Intussen help ik mevrouw Lanting uit haar blouse, hemd en beha, ze steekt haar armen in de mouwen van haar pyjamajasje.
‘Dus ik had er wat van gezegd. Ik zei: houd daar in godsnaam over op. Nou, toen kreeg ik meteen een standje van Jan en Mia. Ik had het ook best wat vriendelijker kunnen zeggen, maar de ergernissen stapelden zich op en knalden er ineens uit.’
Zonet heb ik mevrouw Bijker (85) naar bed geholpen. Zij ergert zich omdat meneer Driessen (91) voortdurend hoest en dan de soep over tafel sproeit, en daarvoor was ik bij mevrouw Schuurman (79), die in tranen was omdat ze tijdens het eten altijd tussen twee bewoners zit die de hele maaltijd zwijgen.
‘Dus Jan en Mia zeiden dat ik mijn excuses moest aanbieden, en dat deed ik dan ook. Maar zodra Wil van tafel was, zeiden Jan en Mia tegen elkaar: wat is Wil toch een irritante vrouw.’
‘Ik heb een idee.’
‘O’, zegt mevrouw Lanting, op een toon die verraadt dat ze niet veel vertrouwen heeft in mijn ideeën.
‘Ik denk dat het goed zou zijn als jullie in de eetzaal elke dag verplicht op een andere plek gaan zitten.’
‘Klaarblijkelijk is het je ontgaan dat hier oude mensen wonen. Oude mensen hechten aan hun dagelijkse gewoonten. Een kleine verandering in hun vertrouwde routine kan hun gemoedstoestand danig uit evenwicht brengen.’
‘Daarom juist. Als je elke dag op een andere plek moet zitten, raak je niet gewend aan één plek en krijg je ook minder kans om je te ergeren aan steeds dezelfde tafelgenoten.’
‘Nou, ik weet al precies hoe dat gaat. Dan gaan mensen straks om drie uur al aan tafel zitten om hun favoriete plek bezet te houden.’
‘Dat kan niet’, zeg ik triomfantelijk. Ik zie het helemaal voor me. ‘Elke dag laat ik automatisch een nieuwe tafelschikking maken. Die is dan te zien op het scherm bij de receptie, zodat iedereen kan kijken waar-ie die dag zit.’
Mevrouw Lanting pakt met beide handen de beugel vast die boven haar bed hangt en met mijn handen onder haar enkels til ik haar benen op en draai haar in bed.
‘Vertel dat alsjeblieft niet aan Piet van de facilitaire dienst’, zegt ze. Piet van de facilitaire dienst gaat over het reilen en zeilen van de eetzaal. ‘Straks breng je hem nog op ideeën.’
‘Welterusten, mevrouw Lanting.’
‘Echt, hoor. Mensen kunnen wel een hartaanval krijgen.’
‘Slaap lekker, mevrouw Lanting.’
‘Of een beroerte.’
‘Morgen praten we verder.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant columns