Home

Niemand heeft het recht zijn eigen waarheid op te leggen aan de doden

is socioloog en columnist van de Volkskrant.

Marlow Moss – opeens is ze overal. Dat komt niet alleen doordat het Haagse Kunstmuseum een stapel tekeningen van haar aankocht en kunstenares Florette Dijkstra een interessant boek over haar schreef. De aandacht voor Moss en haar constructivisme wordt vooral gestimuleerd door haar huidige queer-icon-imago.

Beeldhouwster en schilderes Marlow Moss (1889-1958) is lang weggezet als een weinig interessante navolgster van Mondriaan. Dat veranderde enkele jaren geleden toen ze werd opgewaardeerd tot diens gelijkwaardige collega. Inmiddels wordt zelfs verondersteld dat Moss wel eens de dubbele streep kan hebben bedacht die op een gegeven moment in Mondriaans werk verscheen. Feministe Germaine Greer opperde dit al in 1979 in haar standaardwerk The Obstacle Race.

Onzinnig is die suggestie niet. Dat mannen ideeën van vrouwen – collega’s, geliefden – inpikten was in kunst en wetenschap gebruikelijk. Bovendien telden kunstenaressen nauwelijks in de mannenblik van critici en museumdirecteuren. Maar dit terzijde.

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Ik leerde Moss kennen door de mooie novelle Twee meisjes en ik, uit 1931, waarin A.H. Nijhoff, echtgenote van dichter Martinus, op indirecte wijze hun relatie beschreef. Moss en Netty Nijhoff-Wind (1897-1971) ontmoetten elkaar in Parijs, waar in de jaren dertig het ‘sapphisme’ in internationale kunstkring hoogtij vierde. Ze gingen samenwonen maar onder de dreiging van het nazisme vluchtte Moss naar haar thuishaven Cornwall en ging Nijhoff terug naar Nederland.

Bij mijn onderzoek naar schilderes Jeanne Bieruma Oosting (1898-1994) kwam ik Moss opnieuw tegen. Oosting, ontdekte ik, kreeg tijdens de bezettingsjaren een verhouding met Nijhoff. Na de bevrijding echter koos die voor Moss en bleef Oosting achter met als schrale troost haar reeks fraaie, door hun relatie geïnspireerde litho’s.

Naast enkele andere verliefdheden op mannen zowel als vrouwen heb ik in mijn biografie Geen tijd verliezen (2021) de verhouding van Nijhoff en Oosting uitgebreid besproken. Dat leidde ertoe dat mij werd verweten dat ik haar niet nadrukkelijk presenteerde als ‘biseksuele schilderes’ – een verwijt vanuit de identiteitsideologie. Ditzelfde activistische denken lijkt zich nu Moss toe te eigenen.

Eén probleem aan het identiteitsdenken is dat het ahistorische categorieën hanteert: alsof mensen door de eeuwen heen op dezelfde gronden werden achtergesteld en zich langs dezelfde lijnen identificeerden. Dat is onzinnig. Je kunt bijvoorbeeld niet met terugwerkende kracht overal een ‘lhbti-community’ laten bestaan.

Niet minder bezwaarlijk is dat de identiteitspolitiek individuen reduceert tot onderdeeltje van collectieven als ‘wit’, ‘zwart’ of ‘queer’, en dit ongeacht of zo’n individu zelf zich ziet als onderdeel daarvan. Maar sommige ‘zwarte schrijvers’ zijn liever gewoon ‘schrijver’, en bepaald niet elke lesbische vrouw voelt zich ‘queer’.

Oostings liefde voor vrouwen was een praktijk – geen onderdrukte essentie, geen publieke identiteit. Haar identiteit was schilderes. Ze had als meisje van deftig-conservatieve huize hard moeten vechten om kunstenares te kunnen worden en was er trots op dat ze daarin was geslaagd. Van haar liefdesleven waren familie en vrienden niet op de hoogte. Op een foto van eind jaren zestig drinken de oudere Oosting en Nijhoff in keurige damesjurken thee. Hun levenslange non-conformisme is aan het tafereel niet af te zien.

Ik vond het modieus en misplaatst om Oosting te bombarderen tot biseksueel rolmodel. Voor Moss ligt het wat ingewikkelder, omdat zij haar weigering zich te voegen in een conventionele vrouwelijkheid ook uitdrukte met een opvallend uiterlijk: een kleine tengere vrouw met een superkort mannenkapsel in elegant-getailleerde broekpakken, een soort paardrijkostuums. Maar als meisje nam Moss het net als Oosting op tegen het patriarchaat. En als volwassene sloot ze zich, net als zij, aan bij clubs van kunstenaressen. Kortom, zij identificeerde zich als vrouw (en werd vergeten als vrouw).

Het is daarom even bizar als angstaanjagend dat Tate Britain de herontdekking van Moss’ werk nu begeleidt met teksten waarin de maakster brutaalweg tot ‘non-binair’ wordt verklaard – een categorie die bij haar leven nog niet bestond – en niet wordt aangeduid met ‘zij’ (enkelvoud vrouw) maar met ‘they’.

Dit is anachronistisch én dictatoriaal. Niemand heeft het recht zijn eigen waarheid op te leggen aan de doden – dat is karaktermoord. Met de ongevraagde oplegging van deze hedendaagse identiteit worden bovendien vrouwen opnieuw uit de kunstgeschiedenis weggestreept. Blijft de vraag waarom de cultuursector toch zo vaak en graag bukt voor ideologische modes.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next