Beleid zou zich moeten richten op het gladstrijken van de klassenverschillen, en niet slechts op het vergroten van de kans om je klasse te ontsnappen terwijl de klassenmaatschappij in stand blijft.
De Randstad kampt met een krimpende woningmarkt, terwijl de huizenprijzen in Drenthe dalen, de werkloosheid stijgt, en de bevolking vergrijst. Maar voeden de geografische tegenstellingen in Nederland ook de klassenverschillen en sociale ongelijkheid in het land?
In zijn nieuwe rapport Verdeeld over het land stelt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) deze belangrijke vraag en geeft direct een antwoord: nee, niet echt. Dat is ook weinig verrassend, want in de uitwerking van het onderzoek wordt geografie grof gemeten en sociale klasse dermate verdund dat de verschillen verdampen.
Over de auteurs
Jaap Nieuwenhuis is universitair docent sociologie aan de Universiteit Groningen. Jonathan Mijs is universitair hoofddocent sociologie aan Boston University. Agata Troost is postdoctoraal onderzoeker aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Sociaalwetenschappelijk onderzoek laat overduidelijk zien dat de buurt bepalend is voor de ervaren sociale ongelijkheid. Iedereen kan zich binnen zijn eigen woonplaats wel voor de geest halen in welke buurten de rijken wonen, en welke buurten meer zijn achtergesteld. Waar je opgroeit, vormt je sociale netwerk, welzijn en kansen in het onderwijs. Door geografie zo uit te rekken als het SCP dat doet, blijven de verschillen binnen stad en regio verborgen. Hierdoor worden de klassenverschillen die er wel degelijk zijn aan ons oog onttrokken.
Een andere reden waarom de geografische verdeeldheid in Nederland onderbelicht blijft, is de dubieuze klassenindeling. Voor het SCP bestaat klasse uit een reeks persoonlijke kenmerken, zoals iemands voornaam, inkomen, muzieksmaak, sociale contacten, geestelijke gesteldheid, gewicht, en uiterlijk. Zo worden ‘jongere kansrijken’, met een stuk minder economisch kapitaal dan de ‘rentenierende bovenlaag’, gepromoveerd tot de op een na hoogste klasse omdat ze vaker gezond en actief zijn en meer vrienden hebben.
De conclusie dat klasse meer telt dan je woonplaats wordt grotendeels gebaseerd op de sterke samenhang met (on)welbevinden van mensen. Dat is te danken aan de min of meer gelijke manier waarop klasse en welbevinden door het SCP worden gemeten: beide zijn gebaseerd op indicatoren voor gezondheid en financiële middelen. De conclusie dat de grootte van je voeten de maat van je schoenen voorspelt is natuurlijk correct, maar wat leren we ervan?
Door het begrip klasse te verwateren, verliest het zijn nut. Alleen door klasse terug te brengen naar de kern (economisch kapitaal en positie op de arbeidsmarkt) krijgen we weer zicht op de ervaren ongelijkheid. De kans op een gezond leven is groter voor mensen in een hogere klasse, omdat ze makkelijker de weg vinden naar gezondheidszorg en niet onder de stress van armoede gebukt gaan. Welvarende mensen hebben sociale contacten waar ze meer mee kunnen bereiken, omdat ze op posities zitten die toegang bieden tot mensen met macht.
Met een focus op klasse als welvarendheid komt ook de geografische verdeeldheid weer in beeld: waar het SCP-rapport schrijft over economisch kapitaal blijken er wel degelijk grote regionale klassenverschillen te zijn.
De verwaterde blik op klasse als sociaal, cultureel en persoonskapitaal leidt tot beleid gericht op netwerkavonden voor minderbedeelden, voorlichtingsfolders in achterstandsbuurten over de gevaren van obesitas, en gratis musea voor het precariaat dat geen tijd heeft ze te bezoeken.
Wat deze benadering verhult is de reden waarom er überhaupt een precariaat bestaat. Dat is niet omdat de leden van deze klasse te weinig hun kansen benutten om omhoog te klimmen, maar omdat de welvarende klasse de kansen en middelen naar zichzelf toetrekt. En omdat de welvarende klasse profijt heeft bij de lage lonen van de laagste klassen. Klassen zijn niet een verzameling van op zichzelf staande individuen; ze staan in verhouding tot elkaar. Wat de ene klasse baat, schaadt de ander.
Beleid zou zich moeten richten op het egaliseren van de klassenverschillen, niet slechts op het vergroten van de kans om je klasse te ontsnappen terwijl de klassenmaatschappij in stand blijft.
De meest welvarende klassen leven in de mooiste buurten en trekken kansen en middelen naar zich toe. De minst welvarende klassen moeten genoegen nemen met wat er overblijft. Door naar het verkeerde geografische niveau te kijken en sociale klasse te verwateren, schetst het SCP een beeld van Nederland dat niet strookt met de werkelijkheid. Zo legt het de basis voor ondoeltreffend beleid.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant