Een flink deel van de AI-gemeenschap is ervan overtuigd: het zal niet lang duren voordat AI op alle vlakken de mens te slim af is. De vermaarde turingtest is al een gepasseerd station. Maar kan een computer ooit ‘menselijk’ worden?
is techredacteur van de Volkskrant, gespecialiseerd in de impact van kunstmatige intelligentie op de maatschappij.
‘Computers kunnen nu zien, denken en begrijpen.’ Wie een recente blogpost leest op de site van ChatGPT-maker OpenAI over de samenwerking met voormalig Apple-ontwerper Jony Ive kan zomaar denken dat het al zover is: AI heeft een menselijk niveau van cognitie bereikt.
Wees gerust: dat is nog niet het geval, zegt zelfs überoptimist Sam Altman. Maar wat niet is, kan nog komen. En snel ook, als het aan de oprichter en topman van OpenAI ligt. Zo voorspelde Altman eind vorig jaar dat AGI (Artificial General Intelligence) nog dit jaar het licht zal zien. Kort door de bocht: dit is het soort AI dat op alle vlakken even slim is als de mens.
Denk aan een digitale entiteit die niet alleen e-mails schrijft of vergaderingen plant, maar ook strategische beslissingen neemt voor een CEO, zelfstandig leert van nieuwe informatie, morele afwegingen maakt en kan onderhandelen met andere AGI’s of mensen.
Altman staat bepaald niet alleen in die droom. Dario Amodei van concurrent Anthropic gokt op 2026 (‘al kan het ook langer duren’), terwijl Elon Musk denkt dat het binnen twee jaar zover is. Als we Demis Hassabis, de hoogste baas van Google’s AI-tak DeepMind, moeten geloven, hebben we nog iets meer tijd: vijf tot tien jaar. Het behoeft geen betoog dat al deze bedrijven staan te trappelen om die AGI te maken.
In het koor van de AGI-apologeten onder de grote tech- en AI-bedrijven lijkt alleen Meta pas op de plaats te maken. Aan het AI-roer bij Meta staat Yann LeCun, die als een van de drie godfathers van de moderne AI geldt. Voor de winnaar van de Turingprijs, de hoogste prijs in de computerwetenschap, staat het vast: AGI gaat er nooit komen puur op basis van zogenoemde LLM’s (large language models).
De huidige taalmodellen die aan de basis liggen van bijvoorbeeld ChatGPT zijn in de basis te beperkt om ooit tot iets als algemene intelligentie te leiden, aldus de Fransman. Ze halen hun kennis uit taal, terwijl de menselijke cognitie ook andere terreinen beslaat, zoals begrip en ervaring van de fysieke wereld.
Kan een chatbot bijvoorbeeld ook het concept van een bloem in alle rijkdom begrijpen zoals mensen dat doen? Een deze week gepubliceerd onderzoek van de Ohio State University suggereert van niet: ‘Een groot taalmodel kan niet een roos ruiken, de bloemblaadjes van een madeliefje aanraken of door een veld met wilde bloemen lopen.’
Hoe kan het dat de ene groep geen enkele twijfel heeft en hooguit ruziet over de vraag of het twee, vijf of misschien dertig jaar duurt, terwijl een andere groep het hele begrip AGI vooral ziet als een commerciële ideologie van bedrijven die er baat bij hebben hun technologie als revolutionair te presenteren?
Eerst maar eens: wat is dat nou precies, AGI? Hier ligt namelijk al gelijk een belangrijk deel van het probleem. Uitspraken over de vraag of en wanneer we AGI zullen bereiken, zijn totaal zinloos vanwege het gebrek aan goede definities, betoogt bijvoorbeeld computerwetenschapper Julian Togelius in zijn vorig jaar uitgekomen boek Artificial General Intelligence.
De geschiedenis van AI wordt volgens hem gekenmerkt door het ‘bewegendedoelpaalprobleem’: zodra computers taken kunnen uitvoeren die eerder intelligentie leken te vereisen, zeggen sceptici dat voor die taak eigenlijk helemaal geen echte intelligentie nodig was.
Een bekend voorbeeld is schaken, waarvan experts ooit zeiden dat dit van computers intelligentie zou vereisen. Totdat Deep Blue in 1997 ’s werelds beste schaker Garri Kasparov versloeg. Iets vergelijkbaars gebeurde later met Go.
Ondertussen circuleren er wel degelijk wat definities van AGI. De meest gangbare is: het soort AI dat in alle cognitieve domeinen (plannen, problemen oplossen, onthouden, onderzoek doen, noem maar op) beter presteert dan de mens.
OpenAI hanteert een wat andere: een ‘hoog-autonoom systeem dat mensen op de meeste economisch waardevolle taken voorbijstreeft’. In het groeipad van OpenAI is het hoogste niveau van AGI een AI-systeem dat als complete organisatie kan functioneren.
De ambitie van een AI op minimaal menselijk niveau is overigens niet iets van de laatste jaren. Integendeel: vanaf het prilste begin staat AI-onderzoek in het teken van de verwachting dat het een kwestie van tijd is voordat AI mensen te slim af is. Bijzonder weinig tijd zelfs.
In de jaren vijftig van de vorige eeuw dachten pioniers dat een paar zomermaanden zouden volstaan om intelligente machines te bouwen. In hun officiële voorstel schreven John McCarthy, Marvin Minsky, Nathaniel Rochester en Claude Shannon dat ze een ‘twee maanden durende studie met tien man’ wilden uitvoeren tijdens de zomer van 1956.
Ze gingen ervan uit dat elk aspect van leren of een andere eigenschap van intelligentie zo precies beschreven kon worden dat een machine dit zou kunnen simuleren. Minsky, die later (in 1967) voorspelde dat het probleem ‘binnen één generatie’ zou zijn opgelost, zag het menselijk brein als een machine die in principe nagebouwd kan worden.
Volgens hem bestaat intelligentie uit digitale schakelingen van informatie-eenheden en geheugen, iets wat hij in computers dacht te kunnen nabouwen. Decennia later is die droom nog altijd springlevend.
Alleen is de lijst van profeten wat veranderd: tegenwoordig zijn het niet meer de academici die de toekomst voorspellen, maar vooral de commerciële AI-labs. Mensen als Altman, Hassabis en Amodei zijn de nieuwe hogepriesters van de AGI-kerk.
Aan de basis van hun optimisme ligt hetzelfde soort computationele mensbeeld dat Minsky had. Op de veelgehoorde kritiek dat chatbots in de basis niet meer zijn dan ‘stochastische papegaaien’ (dus machines die woorden nakauwen op basis van waarschijnlijkheid), antwoordde Sam Altman: ‘Ik ben een stochastische papegaai en jullie ook.’
Iris van Rooij, hoogleraar computationele cognitiewetenschappen aan de Radboud Universiteit, moet niets hebben van dit soort denken: ‘We overschatten wat computers kunnen, terwijl we enorm onderschatten waartoe de menselijke cognitie in staat is.’
Dit is volgens haar een rechtstreeks gevolg van een fundamenteel verkeerd begrip van die menselijke cognitie. Van Rooij haalt in recent onderzoek dat ze met haar collega Olivia Guest schreef de Ethiopische cognitiewetenschapper Abeba Birhane aan, die zegt: ‘We kunnen alleen aannemen dat we machines zoals ons kunnen bouwen, als we onszelf eerst als machines beschouwen.’
En dat is nou net het punt: het menselijk brein ís geen machine of computer: ‘Kijk naar hoe kinderen taal leren. Anders dan AI leren zij niet op basis van gigantische hoeveelheden teksten die ze krijgen voorgeschoteld. Nee, we leren taal door te communiceren in specifieke situaties.’
Claims als AI die ‘begrijpt’, ‘leert’ of ‘denkt’ zijn dan ook misleidend, vindt Van Rooij: ‘Dit zijn allemaal antropomorfische kreten.’ Ze wijst op het bekende Eliza-effect, vernoemd naar de oerchatbot Eliza uit de jaren zestig van de vorige eeuw. Hoe knullig Eliza ook was, mensen die ermee communiceerden, kenden menselijke eigenschappen aan ‘haar’ toe. Deze neiging is hardnekkig.
De in 2016 overleden pionier Minsky heeft zijn voorspelling nooit zien uitkomen. En ook anno 2025 moeten navolgers het doen met wat onderzoekers van de grote AI-labs ‘vonkjes van AGI’ noemen. Of met de even beroemde turingtest waarvoor de computer is geslaagd.
Alan Turing stelde in 1950 dat een ‘imitatiespel’ zou volstaan: als een machine niet van een mens te onderscheiden is bij het geven van antwoorden, moeten we haar intelligent noemen. Op deze test kwam in latere jaren veel kritiek: de test meet vooral het vermogen van een machine menselijk taalgebruik te simuleren, maar intelligentie omvat veel meer dan alleen taalvaardigheid. Aspecten als creativiteit, emotionele intelligentie, moreel redeneren, abstract denken en zintuiglijke waarneming blijven bijvoorbeeld buiten beschouwing.
Maar ook in deze gebieden maakt AI grote stappen, betogen de AGI-optimisten. Een van hen is de Nederlander Durk Kingma, die in 2015 aan de wieg stond van OpenAI en tegenwoordig als onderzoeker werkt bij het concurrerende AI-bedrijf Anthropic, bekend van chatbot Claude.
‘Het menselijk brein is een gecompliceerde en indrukwekkende computer, het product van miljoenen jaren biologische evolutie’, stelt Kingma. Maar, voegt hij er in één adem aan toe: het heeft ook allerlei beperkingen. ‘Ons brein heeft maar een beperkte hoeveelheid energie tot zijn beschikking, een geringe hoeveelheid data waaruit het kan leren, en de communicatie tussen mensen heeft een zeer beperkte bandbreedte.’
Machines hebben deze beperkingen volgens Kingma niet, of in veel mindere mate. Het doel van AI-labs als Anthropic of OpenAI is dan ook niet om het menselijk brein, met al zijn beperkingen, na te bouwen, benadrukt Kingma.
De onderzoeker ziet nog altijd veel progressie in alle pogingen synthetische superintelligentie te creëren, onder andere omdat de chips ieder jaar significant beter worden. Dat is niet alles: ‘Ook de algoritmen en leermethoden worden gestaag beter, waardoor AI steeds efficiënter kan leren.’
Verder wijst hij op nieuwe ontwikkelingen, zoals AI-modellen die effectief met elkaar samenwerken in wat hij ‘één superbrein’ noemt en de komst van autonome AI die zelfstandig uren werk kan verrichten zonder menselijke interventie. ‘Een van de doelen is het automatiseren van AI-onderzoek, wat de ontwikkeling van AI nog verder zal versnellen. Er zit geen rem op de ontwikkelingen.’
Voor Kingma staat het vast: ‘De intelligentie van machines zal die van de mens evenaren en vervolgens overtroeven.’
Is Van Rooij niet op zijn minst een klein beetje in verwarring door dit soort toekomstbeelden? De hoogleraar schudt haar hoofd en wijst op een recente studie van haar hand: ‘Er is geen pad naar AGI. De menselijke cognitie is veel te complex om te kunnen repliceren.’ En al zou het theoretisch wél mogelijk zijn, dan nog zijn er volgens haar nooit voldoende energiebronnen om dit voor elkaar te krijgen.
De enige progressie die Van Rooij bij AI ziet, is het vermogen om mensen voor de gek te houden. ‘Dát baart me zorgen, niet AGI.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant