Home

Tessa Leuwsha eert de vrijheidsstrijder Boni: ‘Ik vond het tijd voor een Surinaamse held’

Tessa Leuwsha raakte als 17-jarige gefascineerd door de Surinaamse vrijheidsstrijder Boni. Ze reconstrueerde zijn leven en geeft hem nu eindelijk de erkenning die hij verdient. ‘Mensen als Boni zijn door geschiedschrijvers eeuwenlang als rebellen en schurken neergezet. Dat is karaktermoord.’

Schrijver en documentairemaker Tessa Leuwsha leerde de Surinaamse vrijheidsstrijder Boni (spreek uit: ‘Bonnie’) ergens halverwege de jaren tachtig kennen.

Ze zat op een middelbare school in het centrum van Amsterdam en maakte deel uit van wat ze ‘de Kliek’ noemde: een groep kinderen met ouders uit Suriname, die elkaar opzochten vanuit herkenning en een gedeelde ervaring.

Binnen het gezelschap van uitzonderingen was Leuwsha (1967) dan weer een uitzondering, met haar Surinaamse vader, Nederlandse moeder en ‘licht uitgevallen huidskleur’, beschrijft ze in haar nieuwste, zojuist verschenen boek Boni – In het spoor van de Surinaamse vrijheidsstrijder.

Op een dag leende een van deze vrienden haar een boek, vertelt ze vanuit Paramaribo via een videoverbinding, dat haar – ondanks ‘de taaie kost’ en de archaïsche, dichterlijke taal (‘We waren 17, dus daar moesten we om lachen’) – omverblies.

Het boek in kwestie: Wij slaven van Suriname van Anton de Kom.

Leuwsha verontschuldigt zich voor het ratelende achtergrondgeluid: een intense, tropische bui op het zinken dak van haar werkkamer.

Blik omhoog: ‘Wacht, ik verplaats me naar de woonkamer, dan kun je me beter verstaan.’

Intuïtief als dat met herkenning gaat, was het één passage in het bijzonder die de 17-jarige Leuwsha raakte, over de door De Kom beschreven mythische figuur ‘opperhoofd Bonni’. Een man die eruit moet hebben gezien als zij, lichtbruine huid, net niet kroezend haar – ‘in zijn aderen vloeide het bloed der blanken’. Opgegroeid in de wildernis, niet in slavernij geboren, bezat ‘de kracht en moed van de jaguar en de slanke vlugheid van een hert’.

Het voelde daarom, bijna veertig jaar later, haast vanzelfsprekend dat ze zich juist in hem zou verdiepen. In een rijke, gelaagde, genreoverschrijdende mix van non-fictie, fictie en reisverslag (re)construeert Leuwsha het levensverhaal van Boni (ongeveer 1730-19 februari 1793), de zoon van een slaafgemaakte Afrikaanse vrouw die hoogzwanger plantage Anna’s Zorg ontvluchtte.

Boni groeide uit tot leider van een groep marrons, gevluchte slaafgemaakten, die vanuit ‘de zwamp’ – zoals Surinamers het moerassige drasland tussen rivier en oceaan aan de kust van hun land noemen – een decennialange guerillastrijd voerden tegen de kolonisten die op hen jaagden, koloniale onderdrukking en slavernij. Hij wist honderden slaafgemaakten van plantages te bevrijden en andere marrongroepen aan zich te binden.

De koloniale blik op de Surinaamse geschiedenis is recentelijk, eindelijk, ontmanteld: zwarte vrijheidsstrijders als Boni worden gerehabiliteerd, er is oog voor de doorwerking van eeuwen van koloniale onderdrukking. Leuwsha groeide op in een andere tijd, met een vader die nooit over Suriname sprak.

Begreep u dat?

‘Als kind niet. Nu weet ik: mijn vader en zijn generatiegenoten wisten dat onderwerpen als slavernij en kolonialisme irritatie en woede konden opwekken, dus slikten ze alles in. Eenmaal in Nederland was het: aanpassen, zo Nederlands mogelijk zijn, niet opvallen, je eigen identiteit diep wegstoppen.’

Haar in 1938 geboren vader was doordrenkt van de destijds gangbare aanname dat Suriname weinig meer was dan ‘een kapotte plantage’. Deze trieste overtuiging, ontdekte de jonge Leuwsha, had zich niet toevallig genesteld in haar vaders hoofd, maar was gekerfd in de geesten van alle Surinamers, zo las ze in het beduimelde boekje uit 1934, waarin ze ook over Boni leerde. Het koloniale geschiedenisonderwijs, analyseerde de verzetsschrijver, zijn tijd ver vooruit, had Surinamers, zoals kinderen in koloniën wereldwijd, erfelijk belast met een minderwaardigheidsgevoel.

En dus groeide Leuwsha op zonder iets over Suriname te leren, ook op het gymnasium in Amsterdam was daar geen aandacht voor. De Kom, wiens vader in slavernij was geboren, net als de vrouw die Leuwsha’s oma grootbracht, bracht daar de eerste verandering in. De zoektocht naar de verhalen van het land van haar vader en zijn bewoners werd de drijvende kracht in haar oeuvre.

Als twintiger toog ze er voor het eerst heen. Ze kwam een reisgids schrijven, werd verliefd – op het land én de man die haar in zijn vissersboot door de kuststrook gidste – en bleef. Inmiddels woont Leuwsha al dertig jaar in ‘Su’, zoals Surinamers hun land liefkozend noemen, en dat ze in De Groene Amsterdammer eens treffend omschreef als ‘land met een overweldigende natuur en een levenslustig volk van hosselaars, scharrelaars en marskramers’.

Leuwsha schrijft romans, zoals De Parbo-blues (2005), over haar in 2002 overleden vader, en literaire non-fictie als Fansi’s stilte (2015), waarin ze de levensloop van haar Surinaamse grootmoeder reconstrueert. Ook maakt ze documentaires, zoals het beeldschone Moeder Suriname – Mama Sranan (2023), samengesteld uit ingekleurde archiefbeelden: biografie, ode en portret ineen.

En nu dus een heldenepos.

Lacht. ‘Ik vond het tijd voor een Surinaamse held.’

Het belang van helden is een terugkerend thema in uw boeken. Waarom eigenlijk?

‘Een held is natuurlijk een wat hol begrip. Het gaat om mensen die als boegbeeld kunnen fungeren voor eigenwaarde. Mijn vader trok zich bij gebrek aan eigen Surinaamse helden op aan Afro-Amerikaanse mannen als Malcolm X en Muhammad Ali.

‘Vanaf de middelbare school begon ik in te zien dat je zulke namen nodig hebt om je tot je eigen geschiedenis te verhouden, tot jezelf. Het lezen van Anton de Kom heeft zeker aan dat inzicht bijgedragen. Een volk zonder helden is als een volk zonder identiteit, schreef hij. Helden spelen een emancipatoire rol; ze dragen – anders dan de erkenning van gedeeld slachtofferschap, die ook belangrijk is – bij aan de eigenwaarde van een bevolking.

‘Mensen als Boni, Baron en Jolicoeur, Surinaamse mannen die in verzet kwamen tegen slavernij en onderdrukking, zijn door koloniale en postkoloniale geschiedschrijvers eeuwenlang als rebellen en schurken neergezet. Dat is karaktermoord. Het is belangrijk dat ze steeds meer worden gezien als voorbeeld, als verzets- en vrijheidsstrijders.’

Dat Leuwsha voor Boni koos, heeft behalve met de primaire herkenning die ze als tiener voelde, vooral te maken met het feit dat hij zijn strijd tegen de kolonisten bijna dertig jaar heeft volgehouden vanuit de zwamp, dat moerassige mangrovegebied, geteisterd door oprukkend zeewater, dat ze zo goed kent. ‘Het is er zompig, donker, drassig, het zit vol muskieten, kaaimannen. Geloof me: wij houden het daar nog geen week uit. En, dat vind ik ook belangrijk om te benoemen, hij wist gevluchte mensen van verschillende plantages, afkomstig uit verschillende delen van Afrika, aan zich te verbinden in die strijd.

‘Wij denken vaak: het waren Afrikanen, alsof het een hechte groep was. Maar het enige dat ze deelden was de kleur van hun huid en het feit dat ze over de oceaan waren verscheept. Ze kwamen van verschillende plekken, hadden andere culturen, onderlinge twisten. Boni wist een gemeenschappelijkheid aan te spreken, dat zegt iets over zijn persoonlijkheid.’

Kon u voldoende informatie vinden om Boni’s verhaal op te tekenen?

‘De koloniale archiefstukken, registers, logboeken, verslagen, scheepsjournaals en testamenten bieden een maar heel beperkte blik op Boni: ‘moorddadige mulat, wegloper, crimineel’. In zulke documenten staan zwarte mensen genoteerd in termen van aankoop, verkoop, marteling, dood en erfenis. In cijfers en getallen, opgetekend door de witte koloniale overheersers.

‘In Suriname neemt geschreven tekst een veel minder prominente plek in dan in het westen van de wereld. Mensen gebruiken andere manieren van kennisoverdracht, via verhalen, zang en dans. Marrons hebben een heel rijke orale traditie. Iedere marron, ook van de jongste generatie, kan je zijn ontstaansgeschiedenis vertellen.

‘Marrons zijn gevormd in een geschiedenis van strijd en overleven. Hun eigen naam zullen ze bijvoorbeeld niet snel prijsgeven, dat stamt nog uit de tijd dat het koloniale leger op gevluchte mensen jaagde. Van mensen die ik goed ken, ken ik alleen een bijnaam. De meeste hebben meerdere bijnamen. Ik ken iemand die zich Bill Gates noemt, of Digicel, naar de telefoonaanbieder. In werkelijkheid heten ze anders, maar hun officiële naam gebruiken ze alleen privé.

Winti (de traditionele Afro-Surinaamse religie, red.) speelt een belangrijke rol in het leven van marrons, met Mama Aisa, Moeder Aarde, de winti’s, de krachten in de natuur, de aanwezigheid van de voorouders. Voor hen is de natuur bezield. Ze leven al eeuwen in het regenwoud, met de natuur, die hen voedt en beschermt. Ze hebben prachtige mythen, legenden. Als je al die informatie als ‘niet feitelijk’ beschouwt, laat je een gigantische bron aan menselijke kennis buiten beschouwing.

‘Ik ben verhalen over Boni gaan ophalen bij verschillende marronstammen in Suriname en Frans-Guyana, waar de directe nazaten van Boni, die zichzelf de Boni’s noemen, nog leven. Zij zien Boni als een soort profeet, een heilige. De man die zichzelf onzichtbaar kon maken, die onschendbaar was voor kogels.

‘Het verhaal gaat dat Boni is vermoord door een rivaliserend stamhoofd, daartoe omgekocht door het koloniale regime. Hij zou zijn onthoofd. Zijn hoofd zou als een trofee per kano naar Paramaribo worden gebracht, maar zou onderweg in de Marowijnerivier zijn gevallen. Veel marrons zeggen: het hoofd is niet gevallen, het is gesprongen. Boni leeft nog voort.’

Haar boek draagt de ondertitel In het spoor van de Surinaamse verzetsstrijder. Leuwsha graaft, reist, speurt en luistert, naar mensen en hun verhalen, van generatie op generatie overgeleverd via vertellingen, dans en muziek. Om telkens iets meer vat te krijgen op die schim uit het verleden, ooit mens van vlees en bloed, met twijfels, plannen, angsten en overtuigingen, en een moeder, geboren ergens in Afrika, die weer een eigen verhaal had.

Ze neemt haar lezer mee op haar eigen avontuur, bijvoorbeeld per korjaal (kano) over de rivierdelta van de Marowijne. Langs historische locaties, zoals de plek waar slavenschip de Leusden in 1738 kapseisde en zonk, met in de buik 650 opgesloten slaafgemaakten – de Nederlandse bemanning liet hen achter na vastlopen op een zandbank, uit angst voor een opstand: ‘een drijvend massagraf’.

Ze reist naar Ghana, waar ze na tal van ontmoetingen, omzwervingen en dwaalsporen in Accra het Huis (‘osu’, zo veel lijkend op het Sranan ‘oso’) Boni vindt. Zij en haar man worden als eregasten ontvangen tijdens een plechtige bijeenkomst omdat ze ‘de verloren zoon, Boni, hebben thuisgebracht’.

In haar broer Ewald, in Nederland, vindt ze een sparringpartner. Een getalenteerde, slimme en gevoelige jongen, noemt ze hem. Anders dan zij: niet per se geïnteresseerd in Suriname. Hij blonk uit aan de filmacademie, wilde speelfilms maken. Leuwsha, hoofdschuddend: ‘Hij maakte bijvoorbeeld een korte film, Worst, die zich afspeelt in een slagerij in Zierikzee. Hij was een van de eerste gekleurde leerlingen aan de academie, dus... Hij zag zichzelf als Nederlander, maar expliciet of impliciet werd verwacht dat hij ándere verhalen zou vertellen.

‘En hij moest zich waarmaken namens de hele Surinaamse gemeenschap. Zo werkt het vaak als je ergens de eerste bent, je bent nooit zomaar een individu, je bent een representant, of je dat nu wilt of niet. Nou, Ewald wilde dat niet, hij kon die druk niet aan. Hij is eigenlijk al snel alcoholist geworden, in een heel klein circuit beland. Hij leeft een teruggetrokken leven, met boeken en films. Sinds januari woont hij begeleid, hij is erg ziek, zijn lever is ernstig beschadigd, ze zorgen goed voor hem, dus mijn moeder en ik zijn daar blij mee.’

U draagt het boek aan hem op. Heeft hij u veel geholpen bij het scherpen van een beeld van Boni?

‘Ik had het niet zo bedacht, maar Ewald werd mijn belangrijkste gesprekspartner tijdens mijn speurtocht. Er moeten ook denkers tussen alle slaafgemaakten hebben gezeten, zei hij, misschien kende Boni de Chinese strateeg Sun Tzu wel, die een boek schreef over het winnen van een oorlog zonder ooit te vechten.

‘Boni moet een slimme man zijn geweest, een strateeg, hij maakte gebruik van psychologische oorlogsvoering. Hij bouwde een fort in het moeras, Fort Buku, vanwaaruit hij zijn mensen trainde in snel en geruisloos een palmboom beklimmen en urenlang achterwaarts lopen, om de vijand op een dwaalspoor te brengen.’

U gaat in uw boek nog een stap verder dan het reconstrueren van Boni’s verhaal. U voorziet hem van een karakter, kruipt in zijn hoofd.

‘Ik wilde per se óók het verhaal van de mens Boni vertellen. Dat kon alleen als ik zou fictionaliseren.’

Kan dat eigenlijk wel?

‘Ik vond mijn legitimering bij de Amerikaanse literatuurwetenschapper Saidiya Hartman, die in haar vakgebied Afro-Amerikaanse studies een theorie heeft geformuleerd over de manier waarop je als schrijver kunt omgaan met historische hiaten. Critical fabulation, noemt ze het.

‘Je hebt te maken met een door slavernij onderbroken geschiedenis, mensen zijn verscheept, ontdaan van hun identiteit en cultuur. Ze kregen zelfs andere namen. Schrijvers kunnen die breuk volgens haar herstellen door, op basis van feiten en binnen de marges van de aannemelijkheid, met verbeelding en inleving invulling te geven aan de onderbroken levensverhalen van voorouders.

‘Zij ziet het als noodzaak om de levens te reconstrueren van mensen, met name van slaafgemaakte vrouwen, die in de geschiedschrijving zo zijn ontmenselijkt, die in historische archieven slechts als nummers en eigendom verschijnen. Hen weer tot mens te maken. Dat sprak me direct enorm aan.

‘Ik ben schrijver, geen academicus, dus ik heb er op mijn eigen manier invulling aan gegeven. Daarin voelde ik me gesterkt door wat de Afro-Amerikaanse denker Audre Lorde zo mooi zei: the master’s tools will never dismantle the master’s house. Want wie bepaalt hoe een verhaal verteld moet worden? En kun je de ‘meester’ ooit van een andersoortig verhaal overtuigen door steeds maar zijn manier van vertellen te blijven hanteren? En waarom eigenlijk streven naar die gevestigde westerse erken­ning? Zit de sleutel van bevrijding niet juist in het verwerpen daarvan?

‘Ik besloot dat het als schrijver juist mijn taak is om werelden te scheppen, om een brug te bouwen tussen mijn voorouders en mij en het hiaat van onze gestolen geschiedenis op te vullen.’

Hoe werkt zoiets, hoeveel vrijheid heeft u uzelf gegund in het verbeelden van het levensverhaal van Boni en van zijn moeder?

‘Het was een proces. In het begin heb ik veel geschrapt. Uiteindelijk voelde ik de vrijheid om te schrijven en mezelf naderhand steeds de vraag stellen: is dit aannemelijk? Mede dankzij mijn broer heb ik het personage Boni van emoties, afwegingen en keuzes kunnen voorzien en hem tot mens met een invoelbaar verhaal gemaakt.

‘Ik wilde Boni ook graag linken aan zijn herkomst in Afrika, die via zijn moeder loopt. Zijn vader, vermoedelijk een witte planter, heeft hij nooit gekend. Maar zijn moeder heeft hem grootgebracht en gevormd. Ik vond het belangrijk om haar ook tot leven te wekken.

‘Via een Ivoriaanse filmmaker ontdekte ik dat de Boni oorspronkelijk de bewakers van de Ashanti-koning waren. Na een twist is een deel van de hofhouding onder Boni-bewaking naar het huidige Ivoorkust gevlucht. Andere Boni zijn in het zuiden van wat nu Ghana heet gemengd met het Ga-volk, een vissersvolk aan de kust.

‘Ik kan het natuurlijk niet bewijzen, maar ik vind het aannemelijk dat zijn moeder haar herkomst aan haar kind wilde meegeven door voor de naam Boni te kiezen.

‘Vrouwen komen er in de geschiedschrijving bekaaid af, terwijl zij kinderen grootbrengen, de link zijn tussen generaties. In Suriname waren het de vrouwen op de plantages die ervoor zorgden dat mannen konden ontsnappen. Zij leidden die planters af, vergiftigden hun eten.

‘Veel handelingen bij marrons hebben een eigen dans die generatie op generatie wordt doorgegeven: een dans voor afwassen, voor vluchten. Saramakaanse vrouwen, uit het dorp waar ik veel kom, kennen nog altijd de dans waarmee vrouwen vroeger de plantageopzichters verleidden. Vrouwen hebben zo veel offers voor hun nakomelingen gebracht. De marronage, zoals de vlucht wordt genoemd, vond plaats in etappes. Vrouwen smokkelden eten, verbouwden rijst, bananen, cassave op geheime kostgrondjes in het nabijgelegen bos – zonder dit voedsel was het onmogelijk om de vlucht te overleven.’

In uw boek observeert u dat mensen in Ghana, Suriname en Nederland zich verschillend verhouden tot de traumatische geschiedenis van slavernij en kolonialisme. Wat zijn uw belangrijkste inzichten?

‘In Ghana is de rol van Afrikanen in de slavenhandel bijvoorbeeld nog onbespreekbaar. Het idee dat dit onderdeel is van een te verwerken leed van de mensen die er nu leven, vind je amper. Het proces moet nog op gang komen. Dat herken ik van sommige eilanden in het Caribisch gebied, waar absoluut niet wordt gesproken over slavernij of kolonialisme.

‘Je hebt een culturele voorhoede nodig die zulke gesprekken aanzwengelt, grassrootsorganisaties, een actieve historische herinneringsbeweging. Maar het is ook een zekere luxe om met geschiedenis bezig te kunnen zijn. Dat zie je in Suriname; mensen hebben drie banen om te overleven, dan is die ruimte er niet.

‘Dankzij generaties activisten, schrijvers, kunstenaars, journalisten en academici is er ontzettend veel veranderd. Van ‘ontkenning’ zijn we naar ‘het pijnlijke en ongemakkelijke verhaal’ gegaan. Daar wilde ik met mijn boek een laag van trots aan toevoegen, met heldendom en vrouwelijk heldendom. Geen boek als een les om tot je te nemen, je mag je brein ook uitschakelen en het gewoon lezen als meeslepend verhaal.’

CV Tessa Leuwsha

1967 Geboren op 1 november in Amsterdam.
1996-heden Schrijft essays, artikelen en columns voor onder andere de Volkskrant, De Groene Amsterdammer en De Ware Tijd Literair.
2005 Romandebuut De Parbo-blues.
2009 Roman Solo, een liefde.
2015 Fansi’s stilte – Een Surinaamse grootmoeder en de slavernij (non-fictie).
2018 Documentaire Frits de Gids.
2020 Roman Plantage Wildlust.
2022 De wilde vaart – Op zoek naar de veerkracht van Suriname (non-fictie).
2023 Documentaire Moeder Suriname – Mama Sranan.
2025 Boni – In het spoor van de Surinaamse vrijheidsstrijder.

Leuwsha woont sinds 1995 in Paramaribo. Met haar man Sirano Zalman heeft ze twee volwassen kinderen.

Tessa Leuwsha: Boni – In het spoor van de Surinaamse vrijheidsstrijder. Atlas Contact; 224 pagina’s; € 22,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next