Van een een hardcoreband die lichtvoetig en dansbaar wordt tot übervirtuoos puntige hoboloopjes: dit zijn de beste albums van dit moment.
Music for 17 Musicians (★★★★☆) is een verrukkelijke samenwerking tussen jazzproducer en componist Jameszoo (Mitchel van Dinther) en ensembles Asko|Schönberg en HIIIT. Je proeft de smaken van minimal music, soul en funk. In het oor springt een piano die wordt aangestuurd door een computer. Hoe creëer je anders zo’n onmenselijk briljante pianosolo als in Bugatti? Lees de recensie.
Never Enough (★★★★☆) spat uit elkaar van muzikaal plezier, staat vol aanstekelijke radio- en afspeellijstenhits en luidt dus een mooie, gelukkig ook nog een beetje rockende zomer in. De poppunkachtige gitaarriffjes worden afgemixt met lome, kietelende synths en de dartelende én prettig schreeuwerige zanglijnen van Brendan Yates. Turnstile wordt nog lichtvoetiger en dansbaarder. Lees de recensie.
Op Future Horizons (★★★★☆) brengt François Leleux stukken samen die speciaal voor hem zijn geschreven. Zo schreef de Zwitserse componist Michael Jarrell Aquateinte voor Leleux. Vernoemd naar de etstechniek waarbij met stippen in plaats van lijnen vlakken ontstaan, schept Jarrell een waterverfachtig beeld met Leleux die übervirtuoos puntige loopjes laat uitwaaieren, dan zich glazig voegt naar ijzige orkestklanken. Lees de recensie.
Solo-harpist Emmanuel Ceysson van het Los Angeles Philharmonic Orchestra laat de snaren van zijn harp sonoor luiden als klokken en bruisen als champagne. Samen met het Quatuor Voce laat Ceysson horen hoe componist Tournier het mysterieuze exotisme van Spanje en Tunesië, waar hij nooit kwam, sensueel vormgeeft. Sopraan Véronique Gens heeft een glanzende, naar meer smakende bijrol in een viertal liederen. Lees de recensie.
Yeule maakt elektronische pop op een zo simpel mogelijk substraat, met glitches (‘foutjes’), maar in bijna elk liedje hoor je een voorliefde voor indie en alternatieve rock uit de vroege jaren negentig (en later). Het leuke aan Evangelic Girl Is a Gun (★★★★☆) is het voortdurende spanningsveld tussen het diep-menselijke (kunstzinnigheid, individuele expressie, ijle maar emotievolle zang) en de daaraan tegengestelde suggestie van onpersoonlijkheid, alsof hier geen mens aan te pas is gekomen. Vervreemdend mooi. Lees de recensie.
Arcanum (★★★★☆) bestaat uit zestien betrekkelijk korte stukken, die laveren tussen gecomponeerde jazz en improvisatie. In het openingsstuk Nokitpyrt klinken Henriksen en Seim samen als Don Cherry en Ornette Coleman, begin jaren zestig. Elders speelt het kwartet weer in een typische Noordse jazzstijl met veel ruimte en stiltes, die voortdurend spannende muziek oplevert. Lees de recensie.
Chopin op een historische vleugel kenden we al, op de pianino wordt zijn muziek nóg intiemer. Het klinkt op Chopin intime (★★★★☆) allemaal lichter, gevoileerder, ronder. Daarbij brengt Taylor een andere esthetiek mee dan de Steinway-ridders van vandaag. Chopins melodieën speelt hij zoekender, de versieringen neigen naar improvisatie. Lees de recensie.
Op Get Sunk (★★★★☆) doet Matt Berninger iets anders dan wat zijn band The National doet: hij doet eerder wat The National dééd. Liedjes als Frozen Oranges, Little by Little en het gedragen slotstuk Times of Difficulty doen sterk denken aan de band ten tijde van Boxer (2007) of High Violet (2010). Berninger klinkt ook zo begeesterd als toen, met fijne lichtheid (en vrouwenstemmen!) als een frisse bries door zijn melancholie. Lees de recensie.
De tracks op Under Certain Light and Atmospheric Conditions (★★★★☆) zijn ondraaglijk spannend: zet je een stuk als Chimera op tijdens een wandeling, bij voorkeur door een verlaten industriegebied, dan zit je in je eigen horrorfilm. De gitaren trekken zilveren strepen door een nachtelijk geluidslandschap vol diep echoënde bassen en een vreemd hakkende bassdrum, die synchroon meehobbelt met iedere gitaaraanslag. Lees de recensie.
Wie dacht alle muziek van Dmitri Sjostakovitsj onderhand wel te kennen, rekent buiten het Sjostakovitsj Festival in Gohrisch, een dorp bij Dresden. Dankzij de nauwe band met de erven van de componist klinken er geregeld teruggevonden noten. Sterren als violist Gidon Kremer en pianist Daniil Trifonov vegen ze op Shostakovich Discoveries (★★★★☆) bij elkaar. Lees de recensie.
De broers zijn na zes jaar weer eens terug met een rijk, erg mooi album dat Crooked Wing heet. Het neoklassieke spectrum vormt de basis, maar het album meandert richting experimenteel klassiek en avant-gardepop, het muziekkwadrant waar je Steve Reich, maar ook de geesten van Scott Walker en Mark Hollis kunt tegenkomen. Het kan alle kanten op, gáát ook alle kanten op, maar is uiteindelijk toch ook wonderlijk rustgevend. Lees de recensie.
Lise Davidsen is dé Wagnersopraan van haar generatie en daarom is deze opname (★★★★☆), gemaakt live in Oslo, nu al van historische betekenis. Davidsens stem wikkelt je oren in fluwelen warmte en dringt door dankzij een randje van platina. Haar meevoelende maar vastberaden Senta doet denken aan die van haar legendarische landgenote Kirsten Flagstad. Lees de recensie.
Tune-Yards verpakt steevast zware maatschappelijke onderwerpen als hyperkapitalisme en culturele toe-eigening in bedrieglijk luchtige popliedjes. Op Better Dreaming (★★★★☆) voert een funky groove de boventoon. Op het nummer Limelight verleiden een huppelend basje, disco handclaps en een haast kinderlijke speelsheid je tot de dansvloer.
Maar wat meer indruk maakt, is de enorme behendigheid waarmee Garbus haar stem gebruikt. Lees de recensie.
Herder’s Herd (★★★★☆) is een creatieve collectie van gloednieuwe composities, met Myllylä, die moeiteloos schakelt tussen meditatie, fijne techniek en complete waanzin. Vaporwave-achtige liftmuziek klinkt tussen de fluitsolo’s door. In serieuzere werken combineert Myllylä tien verschillende blokfluiten met elektronica. Lees de recensie.
De analoge synthgeluiden van Mark Pritchard kleuren op Tall Tales (★★★★☆) prachtig bij de stem van Thom Yorke, soms ijl en dun, soms krachtig. Niet alle nummers komen even hard binnen, maar het is keer op keer genieten van de bijna anachronistische, soms kale elektronica. Meer Kraftwerk dan Autechre, met af en toe een stevig ratelende drummachine. Lees de recensie.
Op Even in Arcadia (★★★★☆) val je van je stoel van wat je hoort: vocale r&b, dance en hiphop, pianoballades en steeds toch ook weer die zware, laag afgestemde riffs, die de tracks somberte en massa geven. Het is verbijsterend hoe goed alles werkt. Wie nog geen fan was van deze verlegen Britse jongens, gaat dat met dit vierde – en beste – album beslist worden. Lees de recensie.
Black Sherif buigt op Iron Boy (★★★★☆) meer af naar de Jamaicaanse dancehall. De synths die tussen de bassen en de beats dwarrelen zijn soms wat zoet, maar de vocalen grijpen de aandacht. De vaak spirituele teksten, gezongen in een mix van Engels en het Ghanese twi-accent, laten je luisteren. Lees de recensie.
Birdly Serenade (★★★★☆) is onderdeel van het prestigieuze Birdsong Project, dat muziek en gedichten uitbrengt waarin vogelenzang centraal staat. Het samenspel van Murrays verbluffende kwartet is nog spannender en dwingender geworden. Murrays toon is steeds prachtig en diep, zijn liefde voor freejazz wordt knap beteugeld door zijn drang om ook gewoon mooi te spelen. Lees de recensie.
Sweet Dreams, See You Tomorrow (★★★★☆) is prachtig, of de omfloerste omlijsting nou van een gitaar of een piano komt – en of er nou wel of geen knisperende geluidjes krioelen in het geluidsdecor. Ze heeft een zachte stem, die zo troostrijk is dat je de woorden niet hoeft te horen: je wilt gewoon dat ze zachtjes voor je zingt. Lees de recensie.
Djrum trekt op Under Tangled Silence (★★★★★) beeldschone elektronische muziek uit die piano, af en toe een schrijnende viool of een tingelende harp, plus uniek geprogrammeerde drummachines en synths. En deze bijzondere mix, die ergens tussen zenmeditatie en grotestadsverkeer in hangt, is zó knap in elkaar gedraaid dat je er een album lang in oplopende verwondering naar moet luisteren. Een album dat zo vernieuwend, avontuurlijk, toegankelijk én ontroerend tegelijk is, kom je niet vaak tegen.
En geheel onverwacht was daar wéér een album van Sault, het bejubelde Britse soulfunkcollectief dat er een handje van heeft om onaangekondigd muziekpareltjes te droppen. De altijd beheerste, subtiele blazersaccenten, de borrelende percussie; ze zijn op Ten (★★★★☆) opgehangen aan een kurkdroge organische groove getransplanteerd uit seventies-souljazz. Sault maakt de fijnzinnigste herinterpretaties van klassieke zwarte muziek. Lees de recensie.
De composities van de Britse Emma-Jean Thackray op Weirdo (★★★★☆) lijken net zoveel door de funk van George Clinton en de neosoul van Erykah Badu als door de jazz van Miles Davis beïnvloed. Je zou aan de opgewekte, door Rhodes-piano en synths gedreven sound ook niet kunnen opmaken dat Thackray de muziek componeerde en opnam toen ze psychisch in een diep dal zat. Lees de recensie.
Met het gitaargeluid op Skeletá (★★★★☆) lijkt Ghost meer dan voorheen te salueren naar de harige metal uit de jaren tachtig, toen Van Halen en Ozzy Osbourne óók verzorgde pop naar de hardrock brachten. Het maakt van Skeletá een plaat die hier en daar een rauwer randje had mogen krijgen, maar waar Ghost wel goed mee voor de dag komt in de arena’s. En waar je ook gewoon een goed weekendhumeur van krijgt. Lees de recensie.
Maartje Rammeloo zingt op Longing to Be Loved (★★★★☆) klassieke Broadwaynummers uit de eerste helft van de 20ste eeuw met warmte, kwetsbaarheid én een vleugje glamour. Rammeloo overtuigt met haar natuurlijke frasering en vertelkracht en ontroert als een verlaten vrouw, wandelend door een besneeuwd New York op zoek naar hoop. Lees de recensie.
Meer muziek? Bekijk hier ons volledige archief van albumrecensies.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant