is cabaretier, presentator en columnist voor Volkskrant Magazine.
In onze steeg staat al heel lang een steiger te niksen. We wachten met spanning af wanneer bouwers ons uit bed komen jagen met schuurmachines en boren, maar al weken gebeurt er niets.
Toch maakt één iemand gebruik van de stellage. Een knul zit de hele dag op een dwarsbalkje voorovergebogen op zijn telefoon te turen. Door strategisch gebruik van een hoodie en koptelefoon onttrekt hij zijn gezicht aan inspectie, totdat je ‘hallo’ zegt. Dan kijkt hij op en toont een engelachtig snoetje van een jaar of 16, waarna hij antwoordt: ‘hello’.
Hij is niet onze eerste steegbewoner, maar wel de jongste. Ik vraag me af waarom hij daar elke dag zit, maar de juiste manier om het aan te kaarten heb ik nog niet gevonden. Wel heb ik al eens de pas ingehouden om te vragen of everything alright was, waarop hij had geantwoord dat alles, inderdaad, alright was. Ik heb niet verder aangedrongen, want ik dacht dat het misschien gewoon een puber was die het thuis niet zo leuk had en het daar niet over wilde hebben. Dat hij dan van huis vertrok met zijn rugzak alsof hij naar school ging, om daarna stiekem in onze steeg op een lege steiger de hele dag te roken en te tiktokken.
‘Nee joh,’ zei mijn vrouw, ‘het is gewoon een dealertje.’
Ja dat was natuurlijk waarschijnlijker, want hij zat er ook ’s avonds laat. Rugzakje, telefoon en de hele dag wachten – dat is inderdaad het beeld van een logistiek medewerker onderaan de drugsketen. Ik ben de eerste om me daaraan te ergeren, maar hij is supernetjes. Nog geen peukje laat hij slingeren. Waar hij zijn behoefte doet weet ik niet, maar niet in onze steeg.
Heel professioneel.
Als om te benadrukken dat we van hem niets te vrezen hebben, schoot hij ons laatst te hulp. Ik was tassen in de auto aan het laden, mijn vrouw kwam met zware bepakking aanstrompelen. Toen een tas zich aan haar greep dreigde te onttrekken, sprong hij van zijn zitplaats, ving de vallende tas op en gaf die aan mij. Daarmee plaatste hij zich als middelste in de menselijke keten die wij drieën nu vormden, hetgeen de hele klus aanzienlijk vergemakkelijkte.
We bedankten hem, hij gebaarde van nee nee, al goed, en nam weer plaats op zijn werkplek, om zich weer in zijn telefoon te verdiepen.
We weten niet eens welke nationaliteit hij heeft. We weten niets.
Laatst dacht ik: laat ik het nou eens vragen. Gewoon, vaderlijk, met gepaste achteloosheid. ‘So what’s your deal?’ zou ik dan heel relaxed en urban zeggen, ‘Are you hustling, just hanging, or what?’ In mijn hoofd klinkt het cool, maar ik ben niet cool, dus het zou er heel raar uitkomen, dat weet ik nu al. En daarna zou ik mezelf afvragen waarom ik probeer te klinken alsof we een scène in een Amerikaanse arthousefilm spelen.
Omdat ik niet weet hoe ik tegen 16-jarige hangjongeren met ongewisse problemen moet praten, daarom.
Laatst vroeg hij een vuurtje. Dat had ik niet, maar de keer daarop had ik een doosje lucifers voor ’m. Hij stak een duim omhoog en ik de mijne ook. Het voelde heel prettig, een beetje voor ’m zorgen.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant columns