Met vier concerten neemt Los Lobos deze week afscheid van Nederland. De Mexicaans-Amerikaanse band creëerde een bijzondere mix van folk en rock-’n-roll, maar die wist na 1987 nooit uit de schaduw te treden van een feestelijke megahit.
schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en jazz.
Een opmerkelijk moment tijdens het concert van Los Lobos in Paradiso, op 25 februari 1987. In de toegift kondigde zanger David Hidalgo bijna verontschuldigend het liedje La Bamba aan. Een cover van Ritchie Valens. Ze hadden het net opgenomen voor een film over diens leven. ‘We hopen dat het in de smaak valt.’
La Bamba groeide uit tot het succesvolste nummer dat Los Lobos in zijn vijftigjarige bestaan opnam. Voor de band was het commerciële succes ervan zowel een zegen als een last. Toch zal Los Lobos (Spaans voor ‘de wolven’) het ongetwijfeld spelen deze week, tijdens de vier concerten in Nederland die onderdeel zijn van de afscheidstournee.
De band, met zijn onnavolgbare mix van Amerikaanse rock-’n-roll en Mexicaanse música norteña en andere volksliedjes, ontstond een halve eeuw geleden in het oosten van Los Angeles. Onder de vele Mexicaanse migrantenkinderen die daar woonden, bevonden zich ook César Rosas en David Hidalgo. Zij konden, behalve goed spelen op respectievelijk bajo sexto (een akoestische twaalfsnarige basgitaar) en accordeon, prachtig zingen.
Rosas en Hidalgo vormden het vocale hart van Los Lobos: Hidalgo met zijn in ballads zo emotioneel klinkende tenor, die altijd deed denken aan die van Steve Winwood, en Rosas met een stem iets lager en gruiziger die zo goed werkte in de stevigere rock-’n-roll.
Hidalgo is er dezer dagen in Nederland helaas niet bij. Vorige week werd duidelijk dat hij door ziekte niet naar Nederland kan komen. Voor zijn zo essentiële accordeonspel is de Limburger Dwayne Verheyden ingehuurd, maar die geweldige zang van Hidalgo zal beslist worden gemist.
Op How Will the Wolf Survive?, het eerste volwaardige Los Lobos-album uit 1984, was die voor het eerst goed te horen. Na meer dan tien jaar getourd te hebben met vooral Mexicaanse feestmuziek en bewerkingen van traditionele nummers als Anselma, presenteerde Los Lobos op dat album een bijzondere mengvorm van authentiek klinkende akoestische volksmuziek met elektrische gitaarrock.
Het mooist waren liedjes als A Matter of Time, Evangeline en Will the Wolf Survive?, waarmee de popwereld kennismaakte met die fraaie stem van Hidalgo. Maar ook als die in de dampende fuifnummers op die plaat versmolt met die van Rosas en zijn handen op accordeon vingers tekortkwamen, klonk Los Lobos toen met niks vergelijkbaar.
Nou, vooruit, met één andere band dan, al kwam die niet uit Los Angeles maar uit Londen: The Pogues. Onder leiding van Shane MacGowan bracht die band bijna tegelijk met Los Lobos het album Red Roses for Me uit. Wat Los Lobos met Mexicaanse volksmuziek deed, deden The Pogues met Ierse folk: opzwepend gespeelde traditionele nummers koppelen aan intense eigen folk en rock-’n-roll.
Net als Los Lobos volgden bij The Pogues hossen en huilen elkaar snel op. Ieder dampend feestnummer werd gecompenseerd met tranentrekkende ballades. Beide bands waren ook van grote invloed op het Limburgse Rowwen Hèze, dat Fiesta van The Pogues in zijn repertoire opnam en met Bestel Mar, dat we van Los Lobos kenden als Anselma, in 1992 zijn eerste hit scoorde.
Dat Los Lobos na het enorme succes van La Bamba vooral met feestmuziek wordt geassocieerd, is begrijpelijk, maar de hit zat de band ook in de weg. Sterker nog, ze zijn het succes eigenlijk nooit echt te boven gekomen. Hun La Bamba kwam ook precies op een verkeerd moment, namelijk toen ze in 1987 net een prachtig uitgebalanceerd album hadden uitgebracht, By the Light of the Moon. Het is vooral dit album waarop Hidalgo excelleert met een stem die door merg en been gaat in nummers als Is This All There Is?, River of Fools en Tears of God.
Het succes van La Bamba een half jaar na de release van By the Light of the Moon betekende ook dat de aandacht voor schoonheid van dat album snel verdween. En eigenlijk, zo stelde schrijver Chris Morris tien jaar geleden al in zijn boek Dream in Blue, is het daarna nooit meer helemaal goed gekomen tussen Los Lobos en albums opnemen.
Ze probeerden van alles: La Pistola y el Corazón (1988), een album met akoestische, Spaans gezongen liedjes, het degelijke The Neighborhood (1990) en het fraaie, wat meer experimentele rockalbum Kiko (1992) waren prima opvolgers. Maar tijdens hun vele optredens bleek steeds vaker dat het publiek toch vooral kwam om te dansen op La Bamba.
Waarom nog al die moeite doen om uitgebalanceerde albums te maken? Ze gingen wel iedere paar jaar weer de studio in, maar van harte ging het niet. Zijn bestaansrecht ontleende Los Lobos vooral aan het geven van concerten.
Europa sloegen ze nog weleens over, maar ze bleven decennialang door Amerika touren totdat ze vorig jaar hun afscheid aankondigden. Helaas zullen we nooit meer voelen hoe groot de live-chemie tussen Rosas en Hidalgo was en moeten we ook het toch wel ontroerende beeld missen van die grote, wat opgeblazen ogende Hidalgo, met die kleine accordeon tegen zijn buik gedrukt.
Will the Wolf Survive?
Een van de betere rockliedjes van Los Lobos van het album dat de band in 1984 in Europa introduceerde. Het was decennialang een hoogtepunt in hun liveset.
Tears of God
Een van de allermooiste Hidalgo-ballads en afsluiter van het geweldige, wat onderschatte Los Lobos-album By the Light of the Moon.
Kiko and the Lavender Moon
Prachtig gearrangeerd en heel beheerst gezongen hoogtepunt van wat hun meest geprezen album werd: Kiko (1992). De tegenvallende verkoopcijfers is de band nooit echt te boven gekomen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant