Home

Een huisdier is geen garantie voor geluk

Psychologie Wat is het effect van huisdieren op het welzijn van hun eigenaar? Het onderzoek daarnaar rammelt. Het lastige is dat het causale verband niet experimenteel te onderzoeken is.

Mensen met huisdieren waren tijdens de coronapandemie gemiddeld niet gelukkiger dan mensen zonder huisdieren. Dat schrijft een team Amerikaanse onderzoekers in Personality and Social Psychology Bulletin (juni), op basis van onderzoek onder enkele honderden mensen (ruim 80 procent vrouwen) die in 2020 een paar keer online een vragenlijst invulden over liefde in tijden van covid. De deelnemers kwamen vooral uit de Verenigde Staten, Spanje en Canada (en nog 2 procent Nederlanders). Iets meer dan de helft van hen had huisdieren. Het soort huisdier (hond, kat, anders) hing niet samen met welbevinden, het aantal huisdieren evenmin, en het karakter van de eigenaar of hoe gehecht ze aan hun dieren waren deed er ook niet toe.

Wél noemden mensen met huisdieren veel meer voordelen dan nadelen van huisdieren op, in antwoord op de open vraag hoe het hebben van huisdieren hen al dan niet had geholpen tijdens de pandemie. De beestjes waren altijd zo lief en troostrijk in de buurt, ze verminderden stress en somberheid, het was zo leuk om naar ze te kijken, het aaien stilde de huidhonger, het was fijn om met de hond te kunnen wandelen en (afstand houdend) andere hondenmensen te spreken, en het was ook prettig dat de dieren niet beseften dat er een pandemie was. Jammer dat ze je soms uit je concentratie halen, troep maken en verdriet veroorzaken bij ziekte en dood, maar de huisdieren waren toch vooral een bron van vreugde.

Alleen waren hun menselijke huisgenoten dus niet meetbaar gelukkiger.

Ongetrouwde mannen en vrouwen

Nou is er natuurlijk best wat af te dingen op dit onderzoek (en dat ga ik straks ook doen), maar het interessante van dit artikel is dat deze resultaten, schrijven de onderzoekers, consistent zijn met heel veel ander onderzoek. „Hoewel huisdieren mensen ogenschijnlijk en anekdotisch voordelen bieden op het gebied van de geestelijke gezondheid, is bewijs dat huisdierenbezit de geestelijke gezondheid verbetert moeilijk te vinden”, melden ze al in de eerste alinea.

Wat? Maar huisdieren zijn toch zo goed voor mensen?

Nou, dat is dus nog niet duidelijk. Mensen zeggen zelf van wel, er is dus kwalitatief bewijs, maar kwantitatief bewijs ontbreekt. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een systematische review uit 2021, gepubliceerd in Veterinary Sciences. Een team van (alweer) Amerikaanse onderzoekers bekeek alle studies die ze vonden waarin het verband tussen huisdierbezit en mentale gezondheid werd onderzocht. In 17 van de 54 artikelen was dat verband positief, in 5 positief en in 13 was er geen verband. In 19 studies was het gevonden verband gemengd: dan waren bijvoorbeeld ongetrouwde vrouwen met huisdieren het minst somber, maar ongetrouwde mannen met huisdieren juist het somberst.

Ongeveer een derde positieve en een derde gemengde studies: dan is het verband nog steeds het vaakst positief, en voelen mensen met huisdieren zich gemiddeld beter dan mensen zonder, kun je denken. Maar het verband tussen huisdierbezit en psychische gezondheid was vaker positief of gemengd naarmate de kwaliteit van het onderzoek lager was. En het onderzoek was daadwerkelijk vaak beroerd. Een derde van de studies scoorde volgens de auteurs van de systematische review een duidelijke onvoldoende, terwijl studies al punten van hen kregen voor de meest basale eigenschappen: als het doel van de studie duidelijk gespecificeerd was, als er een huisdierloze controlegroep was, de steekproef van deelnemers representatief was, de selectiemethode en de demografische eigenschappen werden beschreven, enzovoort. Dat veruit het meeste onderzoek in westerse culturen was gedaan, is natuurlijk ook niet goed, maar daar gingen geen punten voor af.

Placebo-huisdier

Het meest wezenlijke probleem is natuurlijk de vraag: als mensen met huisdieren gelukkiger of minder gelukkig zijn dan mensen zonder huisdieren, kómt dat dan door die huisdieren? De gouden onderzoeksstandaard om zo’n causaal verband te kunnen aantonen, is: een steekproef van mensen kiezen die representatief is voor de groep die je wilt onderzoeken, aan een willekeurig gekozen helft van hen een huisdier toewijzen (en aan de andere helft misschien een placebo-huisdier zoals een robot of een knuffelbeest), en in elk geval ervoor en erna de mentale gezondheid van de deelnemers vaststellen. Zo’n experiment kan om allerlei redenen niet.

Maar in de meeste onderzoeken worden de deelnemers niet eens langere tijd gevolgd: driekwart van de onderzoeken in de review had maar één vragenlijstmoment. De corona-studie in het begin van dit artikel had er weliswaar drie voor geluk en welbevinden, maar er werd maar één keer gevraagd hoeveel en wat voor dieren iemand had en hoe hecht de relatie was. Zo kom je er niet achter of mensen die psychisch al niet zo lekker in hun vel zitten, vaker of minder vaak een huisdier nemen. Je kunt niet statistisch controleren voor de mate van welbevinden vóórdat iemand een huisdier nam. Je weet eigenlijk vrijwel niets. Zóveel in een mensenleven kan geluksgevoelens beïnvloeden.

In 2011 zette Harold Herzog, auteur van het boek Some We Love, Some We Hate, Some We Eat: Why It’s So Hard to Think Straight About Animals (2010), deze problemen, en nog een paar andere, al op een rijtje in Current Directions in Psychological Science. Hij betoogt dat het gezondheids- en gelukseffect van huisdieren al ruim veertig jaar een onbevestigde hypothese is, namelijk sinds een spraakmakend onderzoek uit 1980 onder 92 mensen die op de hartafdeling in een Amerikaans academisch ziekenhuis waren beland na een hartaanval of pijn op de borst. Van die 92 hadden er 53 een huisdier en daarvan leefden er 50 een jaar later nog (94 procent), terwijl van de 39 huisdierloze hartpatiënten er een jaar later nog maar 28 leefden (72 procent). Die kleine, exploratieve studie bracht volgens Herzog een stroom van onderzoek naar het positieve effect van huisdieren op gang.

In de gewenste richting

Alleen is het effect van huisdieren op mensen, het causale verband, dus niet experimenteel te onderzoeken en zijn de niet-experimentele studies die er zijn vaak ondermaats. Toch proberen veel onderzoekers het positieve effect te vinden: huisdierenonderzoek wordt vaak gedaan door dierenliefhebbers die ervan overtuigd zijn dat huisdieren goed zijn voor mensen, schrijft Herzog (overigens zonder onderbouwing, behalve dat hij zelf ook een liefhebber is). Bevooroordeelde onderzoekers kunnen onbewust hun resultaten in de door hen gewenste richting duwen. Dan wordt het positieve effect van huisdieren overschat.

Een ander probleem is dat studies waarin geen verband wordt gevonden tussen huisdieren en gezondheid of geluk minder kans hebben om gepubliceerd te worden: wetenschappelijke-tijdschriftredacties houden er niet van als er ‘niks’ gevonden wordt. Die studies verdwijnen in een la alsof ze nooit bestaan hebben (het file drawer effect wordt dat genoemd).

En onderzoeken waarin een negatief verband tussen huisdieren en gezondheid of geluk wordt gevonden krijgen volgens Herzog te weinig media-aandacht, zoals een onderzoek uit 2009 onder ruim vierhonderd mensen die op een Australische hartafdeling waren opgenomen. Huisdierbezitters onder hen hadden twee keer zo veel kans op een depressie in verband met hun hartproblemen (14 procent) dan mensen zonder huisdieren (7 procent) en meer kans (22 procent) om binnen een jaar later opnieuw opgenomen te worden of te sterven dan huisdierlozen (14 procent). Maar daar hoorde je volgens Herzog niemand over, omdat mensen liever lezen (en schrijven) over de positieve effecten van huisdieren, waar mensen met huisdieren zelf ook in geloven.

Herzog noemt een onderzoek uit 2009 onder patiënten met chronischevermoeidheidssyndroom. Op gestandaardiseerde gezondheidsvragenlijsten hadden patiënten met en zonder huisdier even lage scores, maar mensen schreven zelf hun huisdieren allerlei gezondheidsvoordelen toe, vooral psychische. Net als in de corona-studie uit het begin van dit artikel geloofden mensen ten diepste dat hun huisdieren goed voor hen waren, maar dat valt maar niet consistent uit onderzoek te krijgen.

Maar voelen die mensen het dan verkeerd? Proberen ze misschien onbewust voor zichzelf goed te praten dat ze een huisdier hebben genomen dat zorg eist en soms lastig is, of ziek (in jargon: proberen ze de cognitieve dissonantie die ze daarover ervaren te verminderen)? Of schiet het onderzoek vooralsnog tekort? Het zou bijvoorbeeld ook kunnen dat vragen naar algemeen welbevinden of gezondheid ongeschikt zijn om vast te stellen wat mensen precies aan huisdieren hebben. Een (alweer) Amerikaans onderzoek uit 2021 vroeg meer dan dertienduizend 50-plussers van uur tot uur wat ze precies deden op een dag en hoe betekenisvol en gelukkigmakend elke activiteit was, en spelen met huisdieren scoorde daarin gemiddeld het hoogst. Misschien is dat wel wat mensen fijn aan hun huisdieren vinden: die bieden piekmomenten in hun leven.

Dat doet denken aan onderzoek naar kinderen en geluk. Daar speelt iets vergelijkbaars: ouders zéggen zelf meestal dat hun kinderen hen zo gelukkig maken, terwijl uit onderzoek vaak blijkt dat jonge ouders zeker de eerste paar jaar na het krijgen van een kind juist wat ongelukkiger worden over hun leven en hun relatie, gemiddeld ongelukkiger dan kinderloze leeftijdsgenoten. Kinderen kunnen positieve emoties opwekken, maar ook negatieve: zorgen over hun veiligheid en gezondheid, slaapproblemen, financiële problemen, stress, drukte. En het effect van negatieve emoties op levensgeluk is over het algemeen groter dan dat van positieve emoties. Dieren kunnen net als kinderen een bron van zorg zijn. En ze leven ook nog minder lang.

Dus maken huisdieren mensen gelukkiger en gezonder? Zeker is dat mensen met huisdieren dénken van wel. En dat meer onderzoek nodig is naar wie en wanneer wel en niet en hoe dan precies.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief‘Wetenschap’

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Source: NRC

Previous

Next