Home

Door het hele land vallen kledingwinkels om, maar dit Brabantse warenhuis groeit juist

Waar andere modewinkels al jarenlang ploeteren, gaat het familiebedrijf Van Tilburg Mode & Sport in het Brabantse Nistelrode voor de wind. Broers Matthijs en Paul runnen de winkel nu anderhalf jaar. Hun geheim? Service, gemak en bescheidenheid.

is economieredacteur. Ze schrijft over (web)winkels, voeding en post.

Zachtjes ratelend gaat hij door het hele modewarenhuis: de ketting die kledingstukken aan hangertjes vervoert naar het naaiatelier op de bovenste verdieping. Achter de centrale kassa hangt een verkoper er een pantalon aan die moet worden ingekort voor een meneer uit Groesbeek. Op een andere etage wordt er een colbertje aangehangen voor een vrouw uit Oirschot.

Het systeem is nog door opa Jan van Tilburg bedacht, vertelt kleinzoon Paul van Tilburg (41). ‘Briljant hè. En het werkt nog steeds. Zo kunnen we de service bieden die je eigenlijk alleen zou verwachten in een kleine boetiek.’

Maar klein is Van Tilburg Mode & Sport bepaald niet. Het is het grootste modewarenhuis van Nederland. En toch is de winkel boven de rivieren niet erg bekend.

De onderneming

In deze wekelijkse rubriek vertellen ondernemers over hun bedrijf. Vandaag: Van Tilburg Mode & Sport in Nistelrode, opgericht in 1950, met 590 werknemers en een omzet van 95 miljoen euro in 2024.

In Noord-Brabant is het familiebedrijf, sinds anderhalf jaar geleid door Paul van Tilburg en zijn broer Matthijs (40), een begrip. De winkel beslaat vijf panden, de grootste met drieënhalve verdiepingen. Binnen vind je 15 duizend vierkante meter aan kleding en schoenen. Wie het dorpje Nistelrode binnenrijdt, wordt via grote borden naar de vier parkeerpleinen van Van Tilburg geleid.

Voorbeeld van hoe het ook kan

Experts in de winkelsector noemen de winkel een voorbeeld van hoe het ook kan. Want hoewel in winkelstraten door het hele land kledingwinkels omvallen, groeit dit Brabantse warenhuis alleen maar. Dit jaar verwacht Paul van Tilburg een omzet van 100 miljoen euro te draaien en 750 duizend klanten te ontvangen.

Het woord warenhuis vindt hij trouwens niet zo prettig, zegt de modieus geklede directeur als hij de Volkskrant over de feestkledingafdeling leidt. Dat geldt ook voor het woord ‘personeel’. Liever zegt hij gewoon ‘winkel’ en ‘medewerkers’. Want het is belangrijk om niet naast je schoenen te lopen, medewerkers maken deel uit van het bedrijf, en ‘veel van hen werken hier al veertig jaar’.

Als hij door de winkel loopt, schieten collega’s hem aan om ‘wat was het leuk’ en ‘spectaculaire opkomst, Paultje’ te zeggen en even te kletsen over afgelopen weekend, toen het grote feest ter ere van het 75-jarige jubileum van Van Tilburg plaatsvond en de broers verkleed als Batman en Robin op flyboards hun entree maakten.

Vertrouwd

Opa Jan en oma Bets begonnen in 1950 met het winkel. Jan was zoals zijn vader en opa kleermaker, en ging op de fiets de boerenerven af om Brabantse boeren van een zondagspak te voorzien. Na hun huwelijk besloten Jan en Bets een fourniturenzaak te openen. Het eerste wat ze er verkochten: hun eigen uitzet.

De modieus geklede broers herinneren zich nog de tijd dat ze tikkertje speelden in de winkel terwijl opa de strijkijzers schoonmaakte – hij werkte tot zijn 91ste door. Een klant die neust tussen de blouses herinnert zich nog goed hoe de oude Jan op zijn 90ste nog rondliep ‘met een meetlint om zijn nek’. ‘Prachtig was dat. En het voelt vertrouwd.’

Het was opa die zijn kleinzonen inprentte dat service het belangrijkst is in een modewinkel, vertellen Paul en Matthijs. Je kunt bij Van Tilburg gratis parkeren, krijgt er gratis koffie en de winkel heeft meer medewerkers per vierkante meter dan veel andere warenhuizen.

Voor de klant betekent dit dat er een medewerker beschikbaar is om desgewenst urenlang als een personal shopper met je mee te lopen, dwars door het hele gebouw, om verschillende sets kleding uit te zoeken – die in het atelier op maat kunnen worden gemaakt.

De gemiddelde klant hier is Brabants, 50 plus – hoewel er ook enkele dertigers rondlopen. Gemak is de gemene deler. ‘Alles onder een dak’, zegt John Bakker (56). ‘Het is niet het goedkoopste, maar wel ideaal als je, zoals ik, niet van winkelen houdt’, zegt zijn vrouw Inge Bakker (56). ‘Als ik wil neuzen, gaat hij even een koffietje drinken’, zegt een dame van 71 terwijl ze wijst naar haar man die in het café verderop achter een cappuccino zit.

Bescheidenheid

Ook een zekere bescheidenheid typeert de familie, vertellen Paul en Matthijs in hun kantoor. Hun vader en moeder hebben de winkel, nadat zij ’m hadden overgenomen, altijd geleidelijk uitgebouwd en nooit onnodige risico’s genomen. Toen in de jaren negentig veel geld werd verdiend in de retail, hebben ze verschillende keren nee gezegd toen anderen adviseerden nieuwe vestigingen te openen.

De twee broers zetten die koers voort. Beiden vlogen voor hun studie uit, werkten bij andere modebedrijven, woonden in Amsterdam – om uiteindelijk terug te keren in het familiebedrijf. Hun vader nam ze rond hun 18de met alle neven en nichten eens mee naar de Ardennen, om te polsen wie iets wilde doen binnen de zaak. ‘Iedereen die toen interesse had, is ook iets in het bedrijf gaan doen’, vertelt Matthijs.

Uiteindelijk werd Paul, die bedrijfseconomie studeerde, algemeen directeur. Matthijs leidt – naast een eigen modelabel – de winkel en inkoop. ‘Inmiddels komen de Amsterdamse vriendinnen van Matthijs’ vrouw hier ook een paar keer per jaar winkelen’, zegt zijn broer als hij even later het horecaplein laat zien.

Dat toont aan dat het concept ook nog werkt in de huidige tijd, denkt hij. ‘Er is een slag mens dat niet van gedoe houdt. Bij ons krijg je persoonlijke aandacht en kun je parkeren voor de deur en is er een medewerker die je helpt. Je legt het in de auto en bent klaar voor het hele seizoen.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next