Home

‘Het leek wel of ze in de Noordoostpolder alleen supermensen toelieten’

Theo Steverink is 100 jaar. Hoe kijkt deze boerenzoon en ‘polderpionier’ terug op de eeuw die achter hem ligt?

Theo Steverink is een van die uitzonderlijke 100-jarigen die zich nog zonder stok of rollator door zijn woning bewegen. Een groot deel van zijn leven heeft hij zware fysieke arbeid verricht, van de vroege ochtend tot de late avond. Eerst op het boerenbedrijf van zijn vader en later als pionier in de Noordoostpolder. Steverink viel als een blok voor het in de Zuiderzee gecreëerde ‘nieuwe land’ en besloot er nooit meer weg te gaan. De eeuweling steekt al van wal over de mooiste tijd van zijn leven, die tientallen jaren duurde, nog voor de eerste vraag is gesteld.

‘Met een paar honderd jonge mannen verbleef ik vier jaar in een kamp in Espel, in de Noordoostpolder. We werkten van 7 uur in de ochtend tot 6 uur in de avond. Na de inpoldering van de Zuiderzee moest het nieuwe land in cultuur gebracht worden. We verbouwden de eerste gewassen: koolzaad en luzerne, die diep wortelen. Het kamp bestond uit vier houten barakken midden in een kale vlakte, in de verste verte was geen boom of huis te bekennen. Ik sliep met nog vijf mannen in stapelbedden in kamer 19. Mijn stamnummer was 67131. In onze kamer stond een kacheltje waarop we in het weekend eten konden klaarmaken, gebakken eieren met een krop sla of pannenkoeken.

‘We waren afkomstig uit verschillende provincies, van Zeeland tot Groningen en hadden respect voor elkaar, ruzie was er nooit. Ik schreef daar een lied over, met voor elke provincie een couplet. Het refrein ging zo (Hij begint te zingen):

Ja wij leven hier samen
En verstaan elkaar toch best
Want de één is niet beter
dan de hele rest

‘Als katholieke jongen kwam ik er voor het eerst in aanraking met andere geloofsrichtingen. In het kamp ben ik oecumenisch gaan denken. Ik mocht graag zingen, dus sloot mij aan bij het zangkoortje waarin verschillende gelovigen verenigd waren.’

Hoe kwam u op het idee om op deze kale vlakte te gaan werken?

‘Mijn hoofddoel was: een eigen boerderij pachten. Na een aantal jaren werken, maakte je kans op een stuk grond om een eigen boerenbedrijf te beginnen.

‘Ik was 20 jaar toen de oorlog was afgelopen. Ik woonde bij mijn ouders, ging naar de middelbare landbouwschool en werkte op onze boerderij. Ik wilde graag boer worden, maar mijn oudere broer zou later het bedrijf van onze ouders overnemen, dus moest ik het ergens anders zoeken. In Nederland waren na de oorlog weinig kansen voor jonge boeren. Velen emigreerden naar landen als Canada en Australië. Ik besloot ook te vertrekken. Mijn moeder zag dat niet zitten; ze was bang dat ze mij nooit meer zou zien. Ik ging naar het emigratiebureau en kreeg het advies eerst een jaar in de Noordoostpolder te gaan werken, het laatste deel van Flevoland dat in 1942 drooggevallen was. Er waren jonge mannen nodig voor het in cultuur brengen van het nieuwe land. Ik besloot er heen te gaan – en ben er nooit meer weggegaan.

‘Op 8 mei 1950 nam ik in Silvolde de bus en reisde in vijf uur tijd naar Espel, met een schop, laarzen, een koffer en mijn fiets – een fiets mocht toen nog boven op de bus. Eerst moesten we greppels graven. De grond was nog moerassig. Bij het boerenwerk begon ik onderop, als paardenknecht. Met de paarden voor de zaaimachine bieten, erwten en vlas zaaien. Stap voor stap kwam ik hogerop. Uiteindelijk werd ik ploegbaas over dertig man.

‘In het kamp werd goed voor ons gezorgd. Er was een kantine waar we konden eten en één keer per maand was er cabaret of toneel. Je kon allerlei cursussen volgen, waar ik ruimschoots gebruik van maakte, zoals een cursus plantenziekten. Zondags kwam een pater langs voor een dienst. Om het weekend kregen we twee dagen verlof en dan ging ik naar mijn ouders in de Achterhoek. Na twee jaar vond ik het tijd worden voor verkering. Ik vroeg Enne, ook uit de Achterhoek. We zijn bijna zestig jaar getrouwd geweest.’

In wat voor omstandigheden bent u opgegroeid?

‘In grote soberheid op een boerderij in Kroezenhoek, een buurtschap vlak bij Silvolde. Het woord luxe bestond niet. Ik was de jongste van een gezin met vier kinderen en moest de kleren van mijn oudere broer afdragen, we deelden een fiets. Er was geen stromend water en ook geen elektriciteit. Het fornuis in de keuken was onze enige warmtebron. In de winter legde mijn moeder er metselstenen in, die we bij het slapengaan gewikkeld in een doek in bed legden, als een kruik.

‘Na de lagere school ging ik mijn vader helpen op onze boerderij. Doorleren deed bijna niemand in onze streek. Mijn vader was blij dat hij geen knecht meer hoefde te betalen. We hadden een gemengd bedrijf, verbouwden haver, rogge en voederbieten en hadden melkkoeien, pinken, kalveren en varkens.

‘Graag vertel ik ook over de oorlog, want daar vraagt bijna niemand meer naar. Ik was 17 jaar toen ik een oproep kreeg voor gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Ik dook onder op de boerderij van een achterneef, ruim tien kilometer verderop. Het was een tijd van stilstand, waarin ik mij vaak afvroeg hoelang de oorlog nog zou duren. De boerderij kwam ik niet af, behalve die enkele keer dat ik het risico nam en via binnenweggetjes naar mijn ouders fietste.

‘Na 2,5 jaar, in de herfst van 1944, besloot ik terug te gaan naar huis en mij toch bij de Duitsers te melden voor tewerkstelling. Om ondergedoken jonge mannen uit hun schuilplaatsen te lokken, gijzelde de Duitse bezetter vooraanstaande burgers, zoals bij ons meneer Bos, het hoofd van de school, een stoere man die ik goed kende. Als er niet genoeg onderduikers tevoorschijn kwamen, zouden de gijzelaars worden doodgeschoten. Burgers werden opgeroepen tot verraad. Ik besloot mij te melden en moest loopgraven graven, net over de grens in Duitsland.

‘In het voorjaar van 1945 waren er zware gevechten bij ons in de buurt tussen de geallieerden en het Duitse leger. De boerderij van onze buren werd geraakt door granaten. De boer en boerin waren op slag dood, hun enige kind, Jan Tangelder van 11 jaar, overleefde het. Jan is meteen opgehaald door familie. Zijn ouders lagen in onze voorkamer opgebaard onder een wit laken. Jan is later boer geworden op de boerderij van zijn ouders.’

Hoelang moest u na de oorlog wachten totdat u boer kon worden in de Noordoostpolder?

‘Na acht onzekere jaren – vier jaar kampleven in een houten barak en vier jaar als getrouwd stel met Enne in een stenen dienstwoning. Er was veel belangstelling voor het pachten van een stuk grond in de Noordoostpolder, slechts een enkeling kwam door de selectieprocedure. Er werd uitgebreid nagegaan wat voor persoon je was, zelfs de kasten bij Ennes ouders in de Achterhoek werden geïnspecteerd. Het leek wel alsof ze alleen supermensen toelieten. Ze letten ook op je geloof, want ze wilden dat de polderbevolking een afspiegeling zou worden van de totale bevolking: een derde moest rooms-katholiek zijn, een derde protestant en een derde humanist.

‘Ik ben twee keer afgewezen, de derde keer was ik eindelijk de gelukkige, als een van de vierduizend sollicitanten voor honderd bedrijven. Toen ik bij de grote Bram Lindenberg, de baas van de polder, op gesprek kwam, werkte het denk ik in mijn voordeel dat ik de voorgaande jaren veel cursussen had gevolgd.

‘Begin 1958 was het zover: ik kon een kavel pachten van bijna 24 hectare voor het opbouwen van een akkerbouwbedrijf. Het lag in Tollebeek, dat als laatste was ontgonnen. Op het erf stonden een schuur, woning en dienstwoning voor een werknemer. Ik begon met aardappelen en suikerbieten. Het was hard werken, Enne zag mij weinig. Ze klaagde nooit, een van haar spreuken was: ‘Als het niet anders kan, accepteer het dan.’ Het hangt aan een tegeltje in mijn woonkamer. Ik roem de vrouwen van toen, zij waren ook pioniers die meehielpen aan de opbouw van bedrijven en dorpsgemeenschappen in het nieuwe land.

‘Ik ben dankbaar dat ik aan een bloeiend bedrijf heb mogen werken en ook een bijdrage heb kunnen leveren aan de opbouw van de gemeenschap in Tollebeek. Het dorp is uit het niets ontstaan. Het begon met vier boerderijen. Daarna volgden de eerste rijtjeswoningen langs de enige straat die er nog was. Al gauw kwam er een dorpsbestuur. Als bewoners moesten we alles zelf oprichten. Ik deed overal aan mee, in het verenigingsleven en de kerk, zodra die was gebouwd. Zo was ik betrokken bij de oprichting van de carnavals- en de tennisvereniging en zong ik in het mannenkoor en het kerkkoor.

‘De eerste bewoners waren allemaal jonge stellen, dus al gauw was er een babyboom. Elk gezin telde vier tot zeven kinderen, wij kregen er vijf. Omdat er een tekort aan onderwijzers was in de polder, werd een dienstplichtige militair vrijgesteld om les te geven. Een pastoor was er ook nog niet, die kwam de eerste jaren elke zondag uit Balk de kerkdienst doen. Ons dorp is diep in mijn hart gaan zitten. We keken naar elkaar om, we hielpen elkaar.

‘Onlangs hoorde ik bij het tv-programma Buitenhof een hoogleraar zeggen: ‘We moeten beleggen in samenzijn.’ Een waardevolle uitspraak die mij aanspreekt als polderpionier.’

Theo Steverink

geboren: 1 mei 1925 in Kroezenhoek

woont: zelfstandig, in Emmeloord

beroep: boer

familie: vijf kinderen (een overleden), 12 kleinkinderen, 14 achterkleinkinderen

weduwnaar sinds 2013

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next