Home

Schrijver Bregje Hofstede keek altijd neer op gelovigen. Nu geeft ze god een nieuwe kans

Wie had ooit gedacht dat we aan chatbots zouden vragen wat de zin is van het bestaan? Bregje Hofstede zoekt houvast in een rationele wereld en realiseert zich: ze wil een god in haar leven.

Een tijd geleden schreef ik een stuk over religie en over het wantrouwen dat ik daartegen had als kind, opgroeiend in de Biblebelt, in Ede. ‘Religie, dat was niks voor ons. Religie was het dertienkoppige buurgezin, waarvan de kinderen binnen werden geroepen als mijn zusjes en ik op straat kwamen spelen, want wij waren ‘des duivels’.

Gelovige meisjes moesten lange rokken aan en klommen nooit in bomen, en niemand kon me fatsoenlijk uitleggen hoe dat volgde uit de zielige verhalen over Jezus.’

Korte tijd later kreeg ik een dm. Het bericht kwam van Janneke, een voormalig buurmeisje, dat haar gezin herkende in mijn stuk. Maar zij herinnerde zich de dingen die ik beschreef anders. Twaalf koppen. En ze vond het makkelijk scoren: ze vond juist dat haar ouders hun best hadden gedaan om hen met openheid en respect voor anderen op te voeden. Had ik dit echt zo ervaren? En waarom dan?

Oei. Een conflict. Ik had zin om het gewoon te negeren, maar ik voelde dat ik haar een antwoord verplicht was, en we besloten erover te praten.

Bregje Hofstede is schrijver. In non-fictieboeken boog ze zich over burn-out en slapeloosheid. In haar meest recente roman, Oersoep, onderzocht ze de mystieke kanten van bevallen, seks en drugs.

Kunst, instrument, gemberthee

Het grappige is dat Janneke, zo’n dertig jaar na dato, wéér bij me om de hoek woont, nu in een andere stad. En dat we eigenlijk, voor mensen uit zulke andere gezinnen, heel veel gemeen hebben. Zij studeerde kunstgeschiedenis in Utrecht, net als ik. Mijn huis en het hare zou je best kunnen verwisselen: kunst aan de muur, instrument, gemberthee. Ik herkende boeken die ik zelf ook in de kast heb: Wittgenstein, de Bijbel, Art in Theory, zelfs een roman van mij.

Pas nadat we een goed halfuur hadden zitten praten over hoe we hier per toeval opnieuw buren waren geworden, kwam ik bij de vraag: ‘Heb ik je gekwetst?’

Ja, toch wel. Zij had het zo anders ervaren. Zij, en haar moeder, herinneren zich ons als een gezin waarvan de kinderen ‘in apenpakjes die je moeder had gemaakt’ in de boom klommen, als ‘grappig’. Ze zei ook: ‘Jullie speelden veel in je eigen tuin.’

Ik herkende in haar herinnering mijn geliefde panterpak dat mijn vader voor mij maakte, en wij speelden inderdaad veel in de tuin, maar ook op straat. Janneke herinnerde zich dat zij en haar broers en zussen daar wel badmintonden en af en toe hun shuttle uit onze heg moesten halen, of dat ze onze tuin inrenden als de shuttle daar terechtgekomen was. ‘Ik weet niet of we daar eigenlijk toestemming voor vroegen.’

Ik herinner me dat shuttletje dat achter de heg heen en weer ging. Wij zagen het maar mochten niet meedoen. Dát was me duidelijk, maar hoe ik dat wist, wie me dat vertelde of waaruit ik dat afleidde, weet ik niet meer; ik bracht het in verband met hun strenge gelovigheid (oudgereformeerd). Mijn moeder herinnert zich ook dat hún moeder hen van straat haalde als we samen speelden, maar Janneke herinnert zich dat niet. Misschien gebeurde dat met haar oudere zussen, zegt ze, zij is het nakomertje.

Het is ook mogelijk dat wij thuis zelf de conclusie trokken: ze zullen hun kinderen wel van straat halen vanwege hun gelovigheid. Dat paste in ons beeld van een gereformeerd leven: geen tv, een speciale eigen krant, de kinderen naar een speciale gereformeerde school in een andere stad. Een andere, bewust afgescheiden wereld. Maar misschien werden Jannekes broers en zussen wel gewoon binnengeroepen omdat het eten klaar was, en trokken mijn ouders de conclusie op basis van een vooroordeel. Misschien lagen de bekrompenheid en de veroordeling wel vooral aan ónze kant van de heg.

Janneke en ik wisten geen van beiden precies hoe het was gekomen dat wij zo vlak naast elkaar waren opgegroeid, maar nooit samen speelden.

Eén enkel antwoord

Ze ging kunstgeschiedenis studeren. Een studie die haar deed inzien dat elk thema op allerlei verschillende manieren benaderd en weergegeven kan worden. Verschillende zienswijzen: dat is wel de essentie van kunstgeschiedenis. En dat besef ging steeds meer schuren met het geloof ‘waarin op elke vraag één enkel antwoord was, dat je van tevoren al wel kon bedenken’, vertelt ze. Bovendien: strenge kaders en standaardantwoorden passen toch niet bij het veel grotere waarnaar dat geloof steeds verwijst, en waarom het eigenlijk draait?

‘Die sporen gingen voor mijn gevoel steeds verder uit elkaar lopen’, zegt ze. Na een tijdje ging het geloof weerstand oproepen. Soms wilde ze er niets meer mee te maken hebben, dan weer wilde ze geloven, maar lukte dat niet meer.

Ook veel vrienden van haar religieuze middelbare school zijn op zoek: soms wijzen ze het geloof waarmee ze zijn opgevoed af als onzin (maar voelen zich dan ontheemd in een kale wereld), soms glipt het hen onwillekeurig door de vingers, soms hebben ze er een nieuwe versie van gevormd, of zijn daar nog mee bezig.

Het voelde destijds alsof er een kloof bestond tussen kunst en religie, zegt Janneke. Maar inmiddels is religie voor haar steeds meer aan de kant van kunst komen te staan: ook iets dat je op allerlei manieren kunt beleven en vormgeven. En iets dat, net als kunst, raakt aan of reikt naar diepere lagen en grotere vragen dan de vragen die aan bod komen in het dagelijks leven, in rationaliteit en productiviteit, in de modus van ‘allemaal in je hokje je best doen’.

De laatste paar jaar gaat ze weer naar diensten van de Protestantse Kerk, of ze geeft zelf vorm aan rituelen. Dan voelt ze dat er iets gebeurt, zegt ze: ze wordt geraakt. ‘Ik voel mijn mens-zijn.’

Ratio en relativisme

Ik ben misschien van de andere kant van de heg gekomen, maar terwijl we praten, groeit het gevoel dat ik eigenlijk niet meer zo ver af sta van de plek waar zij staat. Ik ben begonnen met een groot wantrouwen richting religie en een groot geloof in de superioriteit van materialisme en wetenschap. Pas later moest ik dat wantrouwen herzien, door ervaringen en wezenlijke vragen waarmee je met ratio en relativisme gewoon niet zo ver komt. Waarom ben ik hier? Hoe maak ik dat ‘zijn’ zinvol? Wat is mijn relatie tot de wereld? Ook ik probeer een vorm te vinden voor dat deel van mijn mens-zijn.

Zolang het leven soepel liep, kon ik het wel af met een rationeel-materialistisch wereldbeeld. Maar al bij het eerste zand in de radertjes kwam ik in de problemen. Toen ik zo hard ‘in mijn hokje mijn best had gedaan’ dat ik met een burn-out op de bank zat, kon ik geen van de dingen waarop ik mijn identiteit baseerde nog doen: niet schrijven, niet klimmen, geen goede vriend of attente geliefde zijn, niets bijdragen aan welk zichtbaar doel dan ook.

Ik was maandenlang alleen met de vraag: ‘Wat is nog mijn waarde? Waarop kan ik die stoelen?’

Denkend kwam ik er niet uit. Ook in latere jaren niet. Ik heb ongetelde nachten slapeloos en dolgedraaid in bed gelegen, en hoe verder ik dacht, hoe minder houvast ik vond. Het is absurd dat we het nadenken over dit soort zijnsvragen afdoen als ‘zweverig’, terwijl ik zonder de antwoorden geen vaste grond onder me voel.

Ik moet iets anders proberen, en dat voelt kwetsbaar. Ik voel de huiver van een kunsthistoricus die het penseel oppakt en een eigen blik op de wereld probeert vorm te geven. Het was zoveel comfortabeler om het oordeel te vellen vanuit een verheven positie van zogenaamde objectiviteit.

Wat had ik het gelijk aan mijn kant toen ik nog lekker kon neerkijken op gelovige mensen. Wat gaf mijn streng-rationele geloof me een houvast. En wat is het bevrijdend om steeds minder dingen zo zeker te weten.

Inmiddels is onze ontmoeting ruim een jaar geleden, maar ik blijf eraan terugdenken. Vooral aan die zin van Janneke: ‘Dan voel ik mijn mens-zijn.’

Waarom komt juist die zin steeds weer opborrelen?

Ik denk dat het ermee te maken heeft dat ik al ruim een jaar naar een genocide kijk die zich live voltrekt. Steeds als ik een nieuwssite of sociaal platform open: uitgemergelde kinderen, ledematen verspreid over een tentenkamp. Dat voelt persoonlijk, omdat mijn eigen regering hier niet genoeg aanstoot aan neemt; ze wil de verantwoordelijke machthebbers niet afvallen. Geen rode lijn, sterker: onze overheid heeft haar uiterste best gedaan om wapens te blijven leveren, al knikt ze wel devoot bij het ‘nooit meer’ van 4 mei. Hoe kán dat?

Heeft onze cultuur au fond geen basis voor menselijke waardigheid? Wat denken we dat mensen zíjn? Objecten die in de weg staan van de plannen voor Gaza als luxeresort, zoals Trump en Netanyahu lijken te denken? Ontbreekt het ons – nu we de ziel hebben ingeruild voor synapsen en signaalstoffen – aan een metafysica om het doden van ten minste vijftigduizend mensen erg te vinden?

AI raadplegen na een ruzie

En dan is er nog een thema dat bijna dagelijks de vraag bij me oproept wat mensen eigenlijk zijn, of willen zijn. Ik lees elke dag wel iets over AI: een opiniestuk over dat het allemaal wel meevalt, een opiniestuk over hoe erg het allemaal is. In mijn inbox: mails van verschillende uitgevers met de mededeling dat ook mijn werk zonder toestemming of betaling is opgeslokt om er Meta’s algoritmen mee te trainen. Een vriendin vertelt me dat ze ruzie heeft met haar geliefde, en dat AI haar desgevraagd gelijk geeft. Een vriend zegt dat hij AI zo veel mogelijk inzet, maar zelf de dingen blijft doen die hij als mens beter kan.

Klinkt redelijk. Maar dat ‘beter kunnen’ is een rap slinkend domein. Sinds de eerste schaakgrootmeester door een computer werd verslagen, zijn mensen op zoek naar wat wij nog wél beter kunnen. Er was een tijd dat de mens zich liet voorstaan op zijn ‘ratio’ en ‘analytisch vermogen’: dát was wat ons mens maakte. Nu onderscheiden we ons door, tja, wat eigenlijk? Ons morele oordeelsvermogen?

AI wordt in Amerika al jaren gebruikt om de duur van celstraffen te bepalen. Veroordeelden die inzicht vragen in het besluitproces, krijgen nul op het rekest. AI’s wegen zijn ondoorgrondelijk.

The Guardian berichtte onlangs dat Israël AI-programma’s gebruikt om doelwitten in Gaza te bepalen; een ervan draagt de naam Habsora (‘het evangelie’). Een ander algoritme wees 37 duizend mannen in Gaza aan als potentiële Hamas-strijder. Op basis van welke criteria? Onbekend. Een bron binnen de geheime dienst verklaarde dat de bommen in zo’n hoog tempo worden gedropt dat er vaak geen tijd is om de accuratesse van het algoritme te checken.

We besteden morele keuzes uit, en geven zelfs de verantwoordelijkheid voor andermans leven en dood achteloos aan zelfgeknutselde programma’s. We verschuilen ons, wij mensen. We verstoppen onze menselijkheid, en straks is die zo goed verstopt dat we haar niet meer kunnen vinden.

Onbezielde algoritmen laten beslissen over goed en kwaad kán niet: dat komt neer op het besluit om goed en kwaad als begrippen de deur uit te doen en enkel nog materiële belangen overeind te houden.

Klinkt dat als een goed plan?

Tegenover een rekenkracht die elk jaar exponentieel groeit moeten we heel scherpe keuzes maken over wat we willen dat mensen zijn. Een van de redenen waarom we in het wilde weg alles wat ons ooit ‘mens maakte’ – taal bijvoorbeeld, of ethiek – uitbesteden aan computers, is dat het op allerlei vlakken vaag is wat de mens eigenlijk is, wil zijn, moet zijn. En dan bedoel ik niet: dun en gespierd, of rimpelvrij, of rijk en succesvol, want op die terreinen stikt het van de dwingende voorschriften. Ik bedoel: wat een mens waardevol maakt als je al die kenmerken wegdenkt.

En ik denk dat we daarover zo in het duister tasten omdat er voor de intrinsieke waarde van een mens, of voor een morele opdracht aan de mens, in onze huidige cultuur geen metafysische bodem is. Wat biedt het materialisme? Selfish genes?

Zeven jaar tussen de herten

Als je nu in een boekwinkel komt, vind je vaak een hele plank met boeken over de intelligentie van planten en van paddenstoelen, of een memoir over een man die zeven jaar tussen de herten heeft geleefd; er is een enorme honger naar verhalen over de manier waarop de mens verbonden is met de rest van de wereld – alles is liefde! Maar dan wel binnen een materialistisch, wetenschappelijk wereldbeeld.

Ik lees daar ook graag over. Maar als ik diep genoeg graaf, ver genoeg doordenk, kom ik altijd uit op hetzelfde dode punt. Zwijgende atomen, cellen, het geknetter van neuronen, niets dat ik versta. Niets dat ziel heeft. Er blijft een kloof tussen wat ik leer over natuurwetten en de werking van het brein, en het onmiddellijke gevoel van ik besta. De vragen die het laatste bij me oproept, vinden nooit een bevredigend antwoord in het domein van het eerste.

Toen ik opgroeide, kon je nog zonder met je ogen te knipperen beweren dat wetenschap en ratio de evident superieure manier boden om in de wereld te staan. Vooruitgang! Verlichting!

Maar de glans is eraf. We gaan hard vooruit, ja, richting ecologisch ravijn, we optimaliseren ons een depressie in, we zijn connected en eenzaam, we omringen ons met slimme apparaten die geen antwoord hebben op de meest basale vragen.

AI voor gezelschap en zingeving

Niet dat we hun die vragen niet stellen. Harvard Business Review publiceerde een lijstje met de meestvoorkomende redenen waarom mensen AI gebruiken. Dat zijn andere dan je waarschijnlijk denkt, en ze hebben eigenlijk weinig met superieure rekenkracht te maken. Op één, in 2025: we gebruiken AI voor gezelschap. Op twee, iets logischer: om te helpen ons leven te organiseren, op drie: om zingeving te vinden.

Gezelschap en zingeving.

Aandoenlijk vind ik dat: de mens, het sociale dier. De mens, het zoekende dier. En dat zoeken zit er zó in dat we de kern van ons bestaan, de zin ervan, zelfs opvragen bij een programma dat in feite niets anders doet dan uit een immense oceaan van menselijke taal de zinnen te destilleren die statistisch gezien het vaakst volgen op onze vraag. Ze echoën iets terug uit een gigantische taalbrij, zonder begrip, zonder sociaal gevoel. En ook dat grijpen we aan, want we verzuipen.

We zoeken gezelschap en zingeving bij programma’s die onze menselijkheid imiteren, maar niet per se goed doen. Elon Musk – die behalve de rechterhand van Trump ook het hoofd is van allerlei tech-imperia – beschreef mensen ooit als ‘de biologische bootloaders van AI’. Een bootloader is het programmaatje dat als eerste gaat lopen als je je computer aanzet en dat geen enkel ander doel heeft dan de complexere software in gang zetten. Dat onbetekenende startprogrammaatje zijn wij mensen, volgens sommigen, voor wat er na ons komt: kunstmatige superintelligentie.

En daar zitten we dan, massaal aan chatbots te vragen wat de zin van ons leven is. Misschien is technologie niet de plek om ons zieleheil te zoeken.

Maar waar dan wel? Lieke Marsman, voormalig dichter des vaderlands, schreef erover in Op een andere planeet kunnen ze me redden, haar essay/memoir over kanker en de vraag waar je je heil moet zoeken als de wetenschap je niet meer redden kan.

De wetenschap waarin ze altijd blind vertrouwen had, blijkt feilbaar. Ze krijgt wel of geen bestraling, afhankelijk van de grootte van een uitzaaiing die op de ene scan wel, en op de andere niet te groot lijkt om te behandelen.

Wat is dan logica? Ze moet smeken om de amputatie van haar zieke arm, omdat de ratio zegt dat die operatie zinloos is: sterven zal ze toch. Het belang van hoop wordt in de logica niet meegenomen.

Ze heeft altijd een rotsvast vertrouwen gehad in ratio, maar concludeert dat ‘logica onlogisch blijkt, veronderstelde rationaliteit van bordkarton is en er aan de achterkant van dat kartonnetje irrationele krachten als geld- en tijdgebrek het echte klappen van de zweep bepalen’.

‘Een soort geestelijk orgasme’

Tijdens een modderige en hopeloze wandeling op de Veluwe wordt ze overvallen door ‘een soort geestelijk orgasme’, iets dat ze de naam god geeft. Alles is anders.

Tegen een vriendin zegt ze: ‘Het lijkt alsof ik op een andere planeet ben. Het lukt me niet meer me te verhouden tot de mensen hier, hun zorgen, hun successen, hun irritaties, hun geluk. Ik ben te ver weg.’

‘Bedoel je dat je murw bent geworden?’, vraagt de vriendin.

‘O nee, ik heb op die andere planeet juist heel veel gevoelens.’

Volgens mij is haar nieuwe planeet méér het bereiken waard dan Mars. Volgens mij is dit de space race waarop we zouden moeten inzetten. Team-Marsman, niet team-Musk.

Marsman schrijft dat ze god soms voelt, en soms ook niet; en dan mist ze hem (of haar, of het).

Ik heb nog altijd een groot wantrouwen tegenover georganiseerde religie. Met name daar waar ze politieke macht uitoefent (en misbruikt). Religie heeft mensen er nooit van weerhouden om gruwelijk geweld te plegen; het is er vaak genoeg excuus voor geweest.

Tegelijk denk ik: je kunt veel zeggen van religie, maar het heeft een metafysica. Het heeft een theorie en een visie op wat de mens wil zijn, met god als de ultieme ander tegenover wie we onszelf definiëren. Het stilt een honger die een puur materialistische kijk op de wereld nooit kan dempen.

Ik mis god ook. Ik heb de relatie niet voor niets uitgemaakt, het werkte niet meer, maar ik wil een nieuwe relatie. Met een andere, een veranderde god. Ik wil dat god in therapie gaat, de misogyne drek en andere smetten van zich afschrobt, en zichzelf opnieuw uitvindt.

Het zou leuk zijn als ze zich dan een keer deed kennen. Als ze bijvoorbeeld haar badmintonshuttletje eens over mijn heg schiet, en binnen wil komen voor een kop thee. Dan kan ze me misschien uitleggen wat de mens is, kan, moet zijn.

Eigenlijk is dat niet eens nodig. Eigenlijk volstaat een terugkerende gelegenheid om fundamentele vragen te stellen. Eigenlijk volstaan mensen zoals Janneke, of schrijvers zoals Lieke Marsman, Etty Hillesum, Simone Weil, Audre Lorde, William Blake, James Baldwin, Fjodor Dostojevski.

Mensen die de grootste vragen stellen. Mensen die twijfel kennen, maar die hun best doen om geraakt te worden in hun mens-zijn en daar misschien wel meer mee hebben geoefend dan de meesten van ons. Mensen tot wie ik me zou kunnen wenden als ik nood heb aan zingeving, of aan gezelschap.

Niet omdat ik daar geen chatbot voor zou kunnen inschakelen. Maar omdat je moraal en ethiek niet kunt automatiseren. Omdat dit een klus is die de mens niet mag uitbesteden. Omdat het stellen van de vraag aan een ander mens al iets cruciaals op gang brengt, aan beide kanten.

Omdat ik mensen hun volste menselijkheid gun.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next