Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Het restaurant waar we gingen eten was ons aangeraden door een kennis van mijn vrouw. Doorgaans ben ik voorzichtig met restauranttips van mensen die ik niet heel erg goed ken en wier psyche ik niet dermate kan doorgronden dat ik weet dat de tip die ze geven ook echt een bruikbare is. ‘Zij kan het weten’, stelde mijn vrouw me gerust.
Het restaurant zag er binnen in elk geval aangenaam uit. Tegen het raam stonden ingelijste lp’s van Lou Reed en The Rolling Stones en lege wijnflessen werden als kandelaars gebruikt. Het publiek was doorsnee Haarlems: spierwit en verzorgd, maar ook weer niet zo verzorgd dat je denkt: goh, je hebt echt moeite gedaan.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
De gerechten waren vrijwel allemaal ‘seizoensgebonden’ en er was een verrassingsmenu van de chef. Als je dat niet wilde, kon je kiezen van de kaart. Maar het was dan wel weer zo geregeld dat in het chefsmenu geen gerechten van het à-la-cartemenu zaten en andersom ook niet.
Als het om eten gaat wil ik niet verrast worden, want dan krijg je altijd orgaanvlees geserveerd. Vooraf namen we de ‘charcuterie met brood en cornichons’ (vleeswaren met augurkjes). Dat was lekker, maar niet zo veel. Maar mijn maag zou wel gevuld worden met het hoofdgerecht. De keuze was gevallen op gamba met vadouvan, geitenyoghurt en dashi.
Toen de gamba geserveerd werd, maakte ik een mentale notitie waarin in kapitalen stond: ‘Restauranttips van vreemden: kont mee afvegen.’ Mijn vrouw las mijn gezicht. ‘O, nee’, zei ze, ‘ik zie het al. Dit is veel te verfijnd voor je.’
Het gerecht, dat bestond uit een rauwe gamba met wat sliertjes yoghurt en een krokant mandje iets met daarin piepkleine stukjes komkommer, paste in mijn handpalm. Het smaakte prima, uitstekend zelfs, maar het was zo weinig dat ik mezelf dwong na elk hapje mijn bestek neer te leggen en gespreksonderwerpen bedacht om maar niet binnen anderhalve minuut klaar te zijn.
Op dit moment moest ik ook definitief toegeven dat fine dining niet aan mij besteed is. Ik heb het geprobeerd: uit eten gaan in vooraanstaande restaurants en dan enthousiast zijn over schamele porties zwezerik of roodbaars geserveerd met gekarameliseerde wortel en pastinaak, maar het lukt me gewoon niet. Ik kan verfijnde gastronomie waarderen, maar ik kan een goedgevulde maag nog meer waarderen.
Dit soort restaurants zou een soort aftopmenu moeten aanbieden, waarbij je, als je eenmaal lekker gefine-dinet hebt, na afloop je buik fatsoenlijk kunt laten volstorten. Maar nu leg ik de schuld weer buiten mezelf. Uiteindelijk ben ik een schrokop, de anti-schraalhans. ‘Jij moet gewoon pizza vreten’, zei mijn vrouw, ‘met je handen.’ Ik probeerde een blokje komkommer op mijn vork te prikken. En knikte instemmend en nederig.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant