Home

Dochter

De bruine kroeg op de hoek van onze straat was jarig en alle buurtbewoners kwamen op het feestje. De kinderen uit de straat renden heen en weer tussen ons huis en de borrel, snaaiden kaasblokjes weg van zilveren plateaus en trokken bij ons in de keuken zakken chips open. Mijn dochter, verwilderd, met haar lange vlecht half losgeraakt en twee rode, hete wangen, gebruikte haar loopfiets om zo snel als ze kon tussen het ene en het andere snaailoket te pendelen. Iedere keer dat ze bij het café arriveerde ontlokte ze vertederde geluiden aan de meute op het terras. Daar is ze aan gewend, zoals alle driejarige meisjes daaraan gewend zijn. Alleen al om die reden is ouder worden voor vrouwen een absurde ervaring. Aan het begin van je leven lichten de ogen van de mensen in de openbare ruimte op zodra ze je zien, en word je alsmaar verwelkomd door een koor aan zacht koerende stemmen. Daarna wordt er nog steeds naar je gekeken, maar dan met hongerige ogen waar je vaak van weg wil komen. En op een dag wordt er, behalve als je keihard op je bakkes valt, opeens dóór je heen gekeken, alsof je geen ruimte meer in neemt. Alsof je gestopt bent te bestaan.

Pas als vrouwen bepalen naar wie gekeken wordt en op welke manier, hebben we ook macht als soort. Maar de enige manier waarop ik in deze tijd iets van die macht kan begrijpen, is – paradoxaal genoeg – door middel van mijn dochter. Want wat kan ik ademloos naar haar kijken, bijna op dezelfde manier als iedere voorbijganger die haar in het vizier krijgt, maar dan ook nog eens doordrenkt van trots. Dat doet soms unheimisch patriarchaal aan: alsof ik een waardevol cadeau heb gekregen. Het kind is niet mijn bezit, daar ben ik me van bewust, maar het is een enorm voorrecht om iedere dag naar haar te mogen staren.

Mijn dochter kwam bij me staan en legde een chipshandje op mijn arm. „Kom mama”, zei ze resoluut en trok me het café in, waar een man accordeon speelde en levensliederen zong. We dansten samen op de muziek. Of nee, we draaiden eindeloos rondjes, zij vloog uit de bocht en ging languit op de grond liggen, ik tilde haar, zwaaide haar heen en weer en zette haar weer op de grond. Ze lachte haar zeemannenlach en stampte met haar voeten. Daarna wilde ze iets drinken. Ik haalde een appelsap voor haar, zij leegde het glas in een paar aaneengesloten teugen en zette het daarna ferm terug op de bar. „Wat een heerlijkheid”, zei een vrouw. „Zo, dat wordt er later eentje”, mompelde een man. Ze trok me weer de dansvloer op en ging op mijn voeten staan, een klassieker. Zo dansten we de avond in.

Ze ging veel te laat naar bed. De volgende ochtend zaten we, nukkig van vermoeidheid, samen in bad. „Gaan we naar de bioscoop?” vroeg ze tijdens het inzepen. Tijdens de film draaide ze onrustig op haar stoel. Op de helft vroeg ze of ze bij me op schoot mocht. Onder haar bedolven, voelde ik hoe ze nog zwaarder werd en langzamer ging ademen, tot ze zacht begon te snurken. D’r haren kriebelden in mijn neus. Ik doorstond het, alles voor haar slaap.

En ik wist: ik mag wel naar haar kijken, maar zij bepaalt wie wij samen zijn.

Sarah Sluimer schrijft elke week een column. Ze is de auteur van boeken, essays en toneelstukken.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief‘Cultuurgids’

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next